I Love My Expat House

Blog

I Love My Expat House

I Love My Expat House
I Love My Expat House

Boy of groom, kindermeisje, tuinman en chauffeur. Als men vanuit België in Burundi aankomt, staat men verbaasd over de uitgebreide staf die de meeste expats erop nahouden. Bij nader toezien blijkt het een wijdverbreid fenomeen te zijn. Iedereen, die het zich enigszins kan veroorloven, beschikt hier over huispersoneel. Een groot deel daarvan zijn echter kinderen, die zonder contract of duidelijke afspraken worden tewerkgesteld. Misbruik is dan ook legio. Vreemd genoeg kent het land een strikte wetgeving inzake kinderarbeid.

Het mooie huis waarin ik nu al weken verblijf, bevindt zich in Zeimet, een residentiële wijk van Bujumbura. Het is een soort van lokale ‘clos des milliardaires’ waar vooral expats en bemiddelde Burundezen wonen achter hoge muren, metalen hekken en massa’s prikkeldraad. Rijkdom toon je hier beter niet want het zou jaloezie kunnen opwekken, luidt het. Privé-bewakingsfirma’s zijn dan ook alomtegenwoordig en zorgen dag en nacht voor onze veiligheid. De woning, die wordt gehuurd door een Belgische NGO, is een typische expat woning, dat wil zeggen ruim, comfortabel en voorzien van een weelderige tuin. In deze goed bewaakte oase van rust is het aangenaam verblijven. Natuurlijk vergt zo’n residentie ook heel wat onderhoud maar daar zorgen gelukkig Janvier, Patience en Cyprien voor.

Huispersoneel is niet duur in Burundi en het gebruik ervan wijdverbreid. Een gemiddeld expat gezin beschikt over een boy of groom, die kookt en het huishouden doet, een kindermeisje, een tuinman, een chauffeur en een handvol bewakers. Maandlonen schommelen tussen de 50.000 en 150.000 FBu (25 en 75 €) afhankelijk van een hele reeks factoren. Maar voor een budget van 400.000 FBu (200 €) heeft men toch al een behoorlijke staf. Die extra hulp is noodzakelijk of op z’n minst welkom, omdat het leven hier een stuk minder efficiënt is en er nauwelijks faciliteiten zijn. Expats worden bovendien beschouwd als uitstekende werkgevers. Ze mogen dan veeleisend zijn, maar betalen in verhouding een prima loon en daar bovenop ook nog eens ziektezorg en transportkosten. En vooral, ze behandelen hun personeel met respect, wat van veel Burundezen niet kan worden gezegd.

Wanbetalers

“In Bujumbura heeft bijna iedereen een hulpje, zelfs diegenen die het zich niet kunnen veroorloven en dat leidt soms tot schrijnende toestanden,” zegt Richard Manirambona, voorzitter van het ‘Collectif des Associations des Travailleurs Domestiques’ (CATD). We zitten in het halfduister, in zijn kleine kantoortje in de volkswijk Ngagara. “Het meest voorkomend is dat het huispersoneel soms maandenlang niet wordt betaald,” gaat Richard verder, “en als men durft te protesteren, wordt men gewoon op straat gezet. Zonder geld en soms zelfs in het midden van de nacht.” “En dat kan allemaal zomaar in Burundi?”, vraag ik verbaasd. Richard trekt de wenkbrauwen op, als teken van instemming.

Om toch enigszins tegemoet te komen aan dit soort van wanpraktijken, richtte hij een tiental jaar geleden CATD op, een vereniging voor huispersoneel. Ondertussen telt de vereniging meer dan 7.000 leden en heeft ze centra over het hele land. Naast het beschermen van haar leden, vervult ze ook een intermediaire functie. Ze vangt jongeren op, biedt vormingscursussen aan, zoals leren koken, strijken en persoonlijke hygiëne en gaat op zoek naar een geschikte werkgever. Na een korte proefperiode van een maand wordt er een overeenkomst met wederzijdse rechten en plichten opgesteld.

“Maken jullie ook loonafspraken?” wil ik graag weten. Richard schudt het hoofd. “Zover staan we nog niet”, zegt hij. “In de overeenkomst wordt enkel vermeld dat er een vergoeding moet worden betaald, niet hoeveel. Het loon wordt rechtstreeks onderhandeld tussen werkgever en huisbediende. Wij komen daar in principe niet in tussen. Wel informeren we onze leden over de gangbare prijzen. Voor een beginnende huisbediende is dat ongeveer 20.000 FBu en voor iemand met ervaring 50.000 FBu (10 en 25 €) kost en inwoon inbegrepen. Van het eerste loon betaalt elk lid een kleine bijdrage van 5.000 FBu waarmee onze vereniging wordt gefinancieerd.”

CATD biedt ook heel wat voordelen voor werkgevers. In geval van problemen met de huisbediende engageert de vereniging zich om een oplossing te vinden of om de geleden schade te vergoeden. Toch verkiezen de meeste patroons het om hun hulpjes op een informele manier en zonder enige contractuele verplichting aan te werven. Het is gewoon zoveel makkelijker. Bovendien werkt CATD enkel met jongeren die de wettelijke minimumleeftijd hebben bereikt om te mogen werken (vanaf 16 jaar). Terwijl de markt wordt overspoeld met kinderen die jonger en goedkoper zijn.

Kinderarbeid

“In Burundi is kinderarbeid schering en inslag,” zegt meester Adélaïde Niyakire, een jonge, energieke advocate die zich toelegt op kinderrechten. “Dit heeft enerzijds te maken met onze traditie. Kinderen worden geacht om bepaalde taken uit te voeren, zoals het aandragen van water of het hoeden van het vee. Anderzijds heerst er grote armoede op het platteland. Gezinnen hebben hier gemiddeld zes kinderen. Het is moeilijk om al die monden te voeden. Door de jarenlange burgeroorlog en de verspreiding van HIV zijn er ook veel wezen. Die hebben het nagenoeg nog moeilijker.”

Om kinderen zoveel mogelijk uit het arbeidscircuit te houden, nam de Burundese regering de voorbije jaren een aantal maatregelen. De meest in het oog springende beslissing was het invoeren van gratis basisonderwijs voor iedereen. Door de grote klassen, een chronisch gebrek aan middelen en gedemotiveerde leerkrachten laat het resultaat evenwel te wensen over, maar de meeste kinderen blijven toch tot hun twaalfde of dertiende op de schoolbanken zitten. Verder studeren zit er vaak niet in, omdat het secundair onderwijs betalend is. Vaak worden de kinderen dan thuis tewerkgesteld of uitgestuurd om te gaan bijverdienen. Soms zijn de levensomstandigheden zo erbarmelijk dat ze zelf beslissen om op te stappen.

De grootste groep situeert zich in de leeftijdscategorie van 14 tot 16 jaar, maar er zijn ook kinderen bij van twaalf en jonger. Aangetrokken door de verlokkingen van de grootstad, stromen ze massaal toe naar Bujumbura. Maar zonder een specifieke vorming kunnen ze meestal enkel aan de slag als huispersoneel; de jongens als boy of groom, de meisjes als bonne of nounou. Via via komen ze bij een werkgever terecht die hen tewerkstelt zonder een contract of duidelijke afspraken. Ze kennen evenmin hun rechten en zijn dus volledig overgeleverd aan de goodwill van de patroon. Er is dan ook sprake van heel wat misbruik.

“Vooral de jongsten zijn het meest kwetsbaar,” legt meester Adélaïde uit. “Ze worden vaak te weinig of niet betaald, krijgen geen onderricht, worden slecht verzorgd in geval van ziekte en kennen rusttijden noch privacy. Bovendien worden ze regelmatig fysiek of psychisch mishandeld. De meisjes worden haast systematisch verkracht door hun werkgever. Als ze zwanger zijn, is de kans heel groot dat ze worden weggestuurd, niet terug naar huis kunnen of durven en uiteindelijk in de prostitutie belanden.”

Wetgeving niet toegepast

Vreemd genoeg kent Burundi een strikte wetgeving inzake kinderarbeid. Het land ratificeerde niet alleen de conventie 182 van de ILO (International Labour Organization) die de minimumleeftijd voor tewerkstelling vastlegt op 14 jaar, maar ging in de eigen nationale arbeidswetgeving nog een stap verder door die te verhogen tot 16 jaar. Meteen een stuk vooruitstrevender dan de meeste andere derde wereld landen.

“We hebben inderdaad een duidelijke wetgeving wat betreft kinderarbeid”, zegt meester Adélaïde, “maar het probleem is dat die wetgeving niet wordt toegepast. Dat heeft met verschillende factoren te maken. Ouders hebben het recht om hun kinderen bepaalde huishoudelijke taken op te leggen. Maar, als een hulpje tien of twaalf uur per dag moet opdraven, dan gaat het niet meer om een handje toesteken maar om tewerkstelling. Een misvatting die nog niet is doorgedrongen tot het brede publiek.”

“Daarnaast, en dat is typisch voor ons land, ratificeren de gezagsdragers volop verdragen, niet zelden onder druk van de internationale gemeenschap, maar zonder dat ze zich ertoe verbonden voelen om die ook daadwerkelijk toe te passen. Veel van onze wetgeving blijft met andere woorden dode letter. Dat komt eveneens omdat het justitieel apparaat is ondergefinancierd en onderbemand, en dus geenszins is uitgerust om haar opdracht naar behoren uit te voeren. En dan is er nog de corruptie natuurlijk. Het volstaat dat men een beetje geld geeft om een rechtszaak naar zijn hand te zetten.”

In Burundi komt men bij het aankaarten van maatschappelijke problemen verrassend snel schaakmat te staan. “Is er dan helemaal geen oplossing?”, vraag ik een beetje uit m’n lood geslagen. “Toch wel, de wetgeving is duidelijk en moet worden toegepast!”, antwoordt de advocate strijdvaardig. “Maar dit kan enkel door de mentaliteit te veranderen. Daarom moeten we blijven sensibiliseren op alle niveaus. Op het niveau van de magistratuur, op het niveau van de politie, maar ook op het niveau van de werkgevers en de huisbediendes. Daarnaast moet het onderwerp ook in de media worden gebracht. Bepaalde radio’s hier hebben een enorme maatschappelijke impact. Door problemen ‘on air’ aan te kaarten, kunnen de dingen in Burundi soms heel snel veranderen.”

Ik weet niet of dit laatste waar is, dan wel een self-fulfilling prophecy. Maar zolang er vrouwen (en ook mannen) als meester Adélaïde zijn, koester ik hoop dat dit land een betere toekomst tegemoet gaat.

Unicef heeft onlangs een studie laten uitvoeren naar de tewerkstelling van kinderen als huisbediendes in Burundi, maar er zijn nog geen resultaten beschikbaar. Over kinderarbeid in het algemeen bestaat er evenmin recent cijfermateriaal. Volgens een studie van het ISTEEBU (Institut de Statistiques et d’Etudes Economiques du Burundi) die tien jaar geleden werd gerealiseerd, zouden er op een effectief van 1.736.164 kinderen, tussen de 7 en de 14 jaar, 403.957 op de arbeidsmarkt zijn of 23,3%. Dit was wel voor de invoering van het gratis basisonderwijs in 2005.