Mal de ojo

Blog

Mal de ojo

Voor we vertrokken kreeg ik van mijn moeder een kleine talisman mee: een zilveren hangertje met daaraan een handje van Fatima. Handjes van Fatima vind je in Marokko natuurlijk overal: ze zouden je vrijwaren van het zogenaamde 'kwade oog'. Wel nu, ik denk dat mijn talisman, hoe graag ik hem ook draag, misschien niet helemaal succesvol is. Ik lijk immers te lijden onder 'het oog'. Misschien niet per se het 'kwade' oog, maar toch zeker 'het oog'.

Wat is dat nu precies, dat ‘kwade oog’? Is het een echte oogziekte, een betovering of enkel een gerucht? Door te lezen (Ben Jelloun, Mernissi, Laroui) vermoed ik dat het iets moet zijn in de zin van ‘jaloezie’, ‘afgunst’, of - iets neutraler - bemoeizucht, iets te verregaande nieuwsgierigheid of ook wat wij zouden noemen ‘sociale controle’: het kwade oog is dus in weze niet meer of minder dan het oog van de ander.

Met jaloezie, wantrouwen of vijandigheid hebben wij nog niet echt te maken gehad. Mijn ‘kwade oog pathologie’ heeft dus ook nog geen echt extreme vormen aangenomen. Maar onverholen nieuwsgierigheid en een stevige portie bemoeizucht zijn des te meer ons deel. Marokkanen zijn geen erg ‘timide’ mensen, we zeiden het al. Ze zitten er niet echt mee in je aan te staren, eens goed te bekijken. Vaak zijn die blikken welwillend, zelfs vriendelijk, uitnodigend tot oogcontact of een knik. Vooral met andere moeders of oudere dames lijkt dat goed te lukken. Soms echter is de blik niet zo open. Dan kijkt men je aan en voel je afstand. Het zijn die blikken die gaan wegen, die je onrustig en onzeker maken. Na een tijdje zelfs zodanig dat ik er begin tegenop te zien een cafetaria of restaurant binnen te stappen en weer ‘onder het oog te moeten’. Het oog van het quasi uitsluitend mannelijke publiek daar. Een publiek ook dat zich vaak niet beperkt tot ‘in het oog houden’. Als hun oog iets ziet dat hen niet zint, grijpen ze in: komen af, zeggen wat, doen wat. Vooral in geval van een scene met de kinderen - wat dagelijks voorkomt ter gelegenheid van eten of toiletbezoek. Dat zijn de momenten waarop ik ‘lijd’ onder ‘el mal de ojo’ en naar mijn talisman grijp. Dan zou ik willen wegschrompelen, weglopen of net heel hard uitvallen en om me heen slaan. Op die manier ‘vreet’ het oog aan je energie, zet nieuwsgierigheid om in schaamte, gezonde twijfel in gène.

Natuurlijk, we hebben eigenlijk niet te klagen. We hadden dit kunnen voorzien: met twee luidruchtige hoogblonde kleuters door Noord-Afrika rijden is om aandacht vragen. Het is een deel van het verhaal. En natuurlijk is het ook normaal dat onze aanwezigheid vragen oproept: waarom zijn we hier, wat willen we? Omgekeerd zou dat net hetzelfde zijn. Mijn ‘eigen ziekte’ interesseert me dus ook niet als zodanig, ik heb ze trouwens vroeger ook wel al ervaren - Ecuador, Barcelona - en ben er steeds eer helemaal van genezen. Wat me wel veel meer intereseert is hoe Marokkanen zelf, die heel hun leven met ‘het oog’ leven, dit ervaren. Wennen ze eraan ? In ‘Partir’ van Ben Jelloun lijkt dat niet steeds het geval: ‘het oog” blijkt zelfs heel vaak een van de belangrijkste redenen voor de jongeren om weg te willen. Iedereen kijkt naar hen, wat gaan ze doen, wat zullen ze van hun leven maken, met wie hebben ze contact, waar gaan ze naartoe: en van daaruit volgt dan vaak schaamte (huchuma) en de diepe wens om ver weg te gaan, ergens waar ze ongezien en onaangesproken kunnen zijn. Het brengt me ook terug naar de verhalen die we tijdens onze vormingstrajecten met CIMIC vaak kregen. ‘Sociale controle’ bleek vaak een rem te zetten op wat collega’s van allochtone origine wilden en konden ondernemen, realiseren, doen. Bijvoorbeeld het verhaal van de medewerksters in de interculturle kinderdagverblijven: wat zij maandagmiddag zeiden of deden in de creche van stad A was dinsdag al geweten en becommentarieerd in die van dorp B, efficient doorgegeven via de tamtam van de ‘eigen gemeenschap’. Dat op zich is al vervelend genoeg, maar echt moeilijk wordt het pas als Belgische collega’s, bij wie de banden met ‘de eigen gemeenschap’ vaak losser zitten, geen begrip hebben voor de verlammende werking van ‘het oog’. “Doe toch je eigen zin, doe wat je wil, je bent toch een volwassen persoon” zegt men dan, waardoor de collega is kwestie in een nog lastiger parket komt te zitten, want niet alleen lijdt ze nu aan het oog, er wordt haar nu ook een gebrek aan initiatief en persoonlijkheid - heilige koeien van het Westen - verweten.

Leven met ‘het oog’ drukt zijn stempel op een maatschappij. Sociale relaties worden erdoor gedirigeerd, taal en communicatie wordt er door bepaald, maar je ziet het bijvoorbeeld ook in heel cocnrete elementen zoals stedenbouw. Daar moest ik aan denken toen we vorige week de Medina van Fes doorkuisten. Marokkaanse huizen zijn vaak paleizen van binnen maar aan de buitenkant zou je het niet vermoeden: blinde muren, dikke poorten, geen ramen. Alle leven is naar de kern gericht, een binnenplaats die beschut ligt voor het oog. Aan de buitenkant kan niemand je iets aanwrijven, niemand iets zien. Volgens onze gids was dit een teken van ‘discretie’, ikzelf wijt het eerder aan ‘het oog’.

Gunilla de Graef