Loflied voor alles en iedereen

Als je alle schurken en viespeuken uit de kunst verwijdert, blijft er nauwelijks iets over

© Brecht Goris

‘Zelden heb ik poëzie gelezen waar vorm en inhoud zo volmaakt op elkaar passen. Huid en spier.’

‘Ik verwerp iedere vorm van censuur. Achter censuur schuilt altijd een hang naar dictatuur.’ Dat schrijft MO*columnist Geert Van Istendael in zijn loflied voor alles en iedereen, maar vooral voor Pablo Neruda en vertaler Bart Vonck.

Hoe kun je naast een monument kijken? Zo’n enorm ding? Zo stralend?

En toch had ik ernaast gekeken. Niets gemerkt. Passé inaperçu. Pasado inadvertido. Dat laatste staat er niet zomaar. Ik wil het hier hebben over een bovenmaatse, flonkerende edelsteen van de Spaanse taal. Het monument is nu beschikbaar in het Nederlands, grotendeels toch. Maar wie heeft er weet van?

Het wordt nog erger. Ik ben een trouw bewonderaar van dat monument, al jaren, ik heb het betast en bekeken, van alle kanten, je mag gerust stellen dat ik er verslingerd op ben. Op de Odas elementales van de Chileense dichter Pablo Neruda, een der grootste van vorige eeuw. Elementaire oden in het Nederlands, al staat die vertaling mij niet aan, ik snap zelf niet waarom, op een of andere manier wringt ze, hoewel ik weet dat ze correct is.

Vijf jaar geleden verscheen bij de Leuvense uitgeverij P en bij In de Knipscheer uit Haarlem De lippen van de aarde, honderd oden van Pablo Neruda, onvolprezen vertaald door de onvolprezen Bart Vonck. Waarna niets. Nul besprekingen. Goed, eentje misschien, ik mag de elektronica niet over het hoofd zien, één blog van de Werkgroep Caraïbische Letteren.

Ik weiger mee te brullen in het verontwaardigde koor van de hedendaagse moraalridders.

Aan Bart Vonck kan het onmogelijk liggen. Hij is een gerenommeerd vertaler van Spaanse, Franse, Portugese poëzie. Ik noem García Lorca, Gamoneda, Vallejo en onze eigen, ten onrechte vrijwel vergeten Franstalige Antwerpenaar Guy Vaes. En Neruda. Vonck vertaalde al eerder diens veel beroemdere Canto General (Amsterdam, Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2014). Ouderen onder ons herinneren zich wellicht de meeslepende muziek die Mikis Theodorakis ervoor componeerde, onvergetelijk gezongen door Maria Farantouri. Een titanenwerk, zo moet je de Canto en bijgevolg ook de vertaling wel noemen, meer dan vierhonderd bladzijden verbijsterend veelvormige poëzie. Daarnaast schrijft Bart Vonck zelf heel goede gedichten, vaak raadselachtig, soms een ietsje splinterend, ik vind ze fascinerend.

Ligt het dan misschien aan de uitgeverijen? Loop heen. Zowel P als In de Knipscheer hebben een meer dan stevige reputatie. Nee, het moet iets anders zijn, al kan ik onmogelijk zeggen wat.

Vooraf even dit, om potentiële roddelaars de mond te snoeren nog voor ze hem opensperren.

P heeft mijn nieuwste dichtbundel (geschreven samen met Wim van den Abeele) uitgegeven, prachtig uitgegeven, op deze plaats nog meer reclame maken zou onfatsoenlijk zijn. Die uitgave heeft niets te maken met wat ik op deze plek schrijf en wie mij niet gelooft, wordt met aandrang verzocht die mening te herzien.

Het gaat me hierom.

Ik schaam me diep dat ik dit uitzonderlijke boekwerk niet eerder heb ontdekt.

Waarom uitzonderlijk? Ik geef twee redenen.

Nog nooit zijn zoveel odes van Neruda samen vertaald. Honderd. Dat is twee derde van de volledige reeks. Ik hoop vurig dat Bart Vonck samen met P en In de Knipscheer de overige nog brengt. IJdele hoop! Als die eerste honderd al geen enkele weerklank kregen, wat kun je dan verwachten voor de overige? Een mens zou van minder moedeloos worden.

De hele uitgave is tweetalig. P heeft in de loop der jaren met grote toewijding een traditie opgebouwd van voorbeeldig verzorgde tweetalige uitgaven. Eén voorbeeld uit vele, binnen dertig seconden trek ik uit mijn boekenkast twee bundels, verschenen bij P, tweetalig, van de niet geringe Duitse dichter Hans Magnus Enzensberger.

Sommigen zullen zich misschien afvragen waarom ik hen lastig wil vallen met een dode dichter uit vorige eeuw. Heb ik dan echt niets beters te doen, nu wereldleiders en hun diplomaten iedere dag een halve millimeter (ruim geschat) opschuiven richting remedies tegen het gloeiend heet stoken van het ruimteschip aarde, nu keizerin Corona weer brandschattend door onze gewesten trekt, nu in Afghanistan baardige beulen de vrouwen knevelen en wij bibberend de andere kant uit kijken? Vul zelf maar aan, rotzooi te over op onze planeet.

Anderen zullen opwerpen, hela, kerel, Neruda, dat kun je echt niet meer maken.

Neruda, stalinist, ijdele rokkenjager, verkrachter zelfs. Voor dat laatste, ga kijken in Ik beken ik heb geleefd (Amsterdam, Prometheus, 2002, vierde afdeling, hoofdstuk 9) of in de oorspronkelijke taal, Confieso que he vivido (Santiago, Pehuén Poesía, 2005, blz. 133). Hij schaamt zich te pletter, hij schrijft: Hacía bien en despreciarme, in mijn vertaling: zij deed er goed aan mij te verachten of misschien: zij had gelijk dat ze me verachtte. Er is meer. Hij liet zijn zwaar gehandicapte dochtertje laffelijk in de steek (lees Hagar Peeters, Malva, Amsterdam, De Bezige Bij, 2015).

Ten slotte, was hij niet een blanke zak die zich doodleuk het recht toe-eigende om te schrijven over de verdrukte indígenas van Latijns-Amerika (zo noemen de oorspronkelijke bewoners zichzelf, een vertaalwebstek geeft: inheems, inboorling, indiaans, oei, hoe gruwelijk)? Ik antwoord op die laatste vraag: Neruda, de trouwe communist, schreef over en voor de verdrukten van de hele wereld. Sla er deze elementaire oden maar eens op na, de ode aan de ui, die aan het koper of aan de lepel, enz. Jaren geleden kreeg ik een krop in de keel toen ik in Chili hoorde hoe verdrukte mensen hele lappen van Neruda’s gedichten uit het blote hoofd opzegden. Ze waren erg bleek, die verdrukten.

Ik weiger mee te brullen in het verontwaardigde koor van de hedendaagse moraalridders, die een kunstwerk verketteren omdat de schepper ervan een schoft is. Zou zijn. Moraalridders zien overal schoften. Daarbij, als je alle echte schurken en onwelriekende viespeuken uit de kunst verwijdert, blijft er nauwelijks iets over van eeuwen schoonheid, verontrustend inzicht, wijsheid.

Brecht en Picasso maltraiteerden de ene vrouw na de andere, Rembrandt was een etterbak, Michael Jackson een pedofiel, Villon, Gesualdo en Caravaggio waren moordenaars, ik hou ermee op, anders vul ik de rest van dit stuk met namen van vreselijke venten. Kom, nog één. Dostojewski, gokverslaafde antisemiet.

Moeten wij daarom het chiaroscuro van Caravaggio op het stort gooien? De Ballade des pendus van Villon openbaar verbranden? Voor dergelijke boosaardige onzin bestaat een woord: censuur. Ik verwerp iedere vorm van censuur. Achter censuur schuilt altijd een hang naar dictatuur.

Terug naar de elementaire oden.

Neruda’s oden hebben me geleerd anders te kijken naar wat me elke dag omringt. Ik moet schrijven: anders om te gaan met wat me omringt. De oden zijn opgedragen aan lucht, artisjok, winter, hout, brood, tomaat, zomer, wijn, prikkeldraad, zand, sokken, apotheek, aardappel, bij, fiets, haan, maïs, steen, zout en nog veel meer.

Neruda leerde me voorzichtig te kijken, nooit dominerend, hij leerde me te luisteren naar de verhalen die de dingen rondom ons vertellen, hij schrijft soms alleen over ruiken – de ode aan de geur van het brandhout -, zijn aandacht en bewondering voor het onaanzienlijkste lijkt onuitputtelijk, zijn haast kinderlijke enthousiasme evenzeer. En toch blijft hij van voor tot achter realistisch. Maar nooit bekijkt hij de dingen uitsluitend utilitair.

Neruda wilde schrijven voor het volk, dit wil zeggen toegankelijk, zo dat de modale krantenlezer er de ogen over kon laten glijden.

Waren we met dergelijk programma begonnen in de jaren vijftig van vorige eeuw, toen de eerste oden verschenen, we zouden vandaag Glasgow niet nodig hebben. In zijn verhelderende nawoord heeft Bart Vonck het over absolute eerbied voor het fundament van leven en kosmos. Het lijkt wel een spreuk van een hedendaagse groene goeroe. Maar Neruda geloofde in het historische materialisme van Karl Marx. Hij heeft zelfs een eigensoortig poëtische materialisme ontwikkeld.

Telkens ook is er de solidariteit met alle vertrapten en verdrukten, overal ter wereld. Telkens ook is er Neruda’s rotsvaste geloof in de gelijke rechten van iedereen. Neruda zelf scheef dat de poëzie luistert aan de deur van alle onderdrukten.

Bart Vonck citeert in zijn nawoord de invloedrijke Chileense recensent Alone (Hernán Díaz Arrieta), géén vriend van Neruda, die een en al lof was toen de oden verschenen. Hij vergeeft de dichter zelfs zijn communisme. Deze criticus heeft het over de heldere taal van de oden. Neruda vermeed heel bewust moeilijke woorden en ingewikkelde zinnen. Elementair betekent in dit verband dus ook eenvoudig. Één ode is volledig gewijd aan de eenvoud.

Sommige critici stoorden zich aan de bladspiegel. Toegegeven, die is ongewoon en op het eerste gezicht willekeurig. De regels zijn kort tot ultrakort, heel vaak één enkel woord, korter kan niet, tien woorden op één regel is een grote uitzondering.

Neruda begon zijn oden te leveren in opdracht, waarmee hij zich in het gezelschap bevindt van gasten als Bach, Shakespeare en Jan van Eyck. De Venezolaanse krant El Nacional had het hem gevraagd en Neruda had op zijn beurt gevraagd zijn verzen níét in de rubriek kunsten en letteren te plaatsen. Hij wilde ze laten afdrukken in de buurt van het algemene nieuws.

De regels mochten de breedte van een krantenkolom niet overschrijden. Ze moesten dus zo kort mogelijk zijn. Neruda wilde schrijven voor het volk, dit wil zeggen toegankelijk, zo dat de modale krantenlezer er de ogen over kon laten glijden. Die vorm vind je in de poëzie haast nergens, maar van willekeur is geen sprake. Zelden heb ik poëzie gelezen waar vorm en inhoud zo volmaakt op elkaar passen. Huid en spier.

Lees dus de elementaire oden. Kom me niet vertellen dat u daar geen tijd voor heeft. Eén bladzijde ode leest u in één minuut en de langste bevat zes bladzijden. Doe er één per dag, dan kunt u honderd dagen lang elke dag opnieuw uitkijken naar één heerlijk moment.

Misschien nog dit.

Ik weiger de selectie die Bart Vonck gemaakt heeft te betwisten. Maar één ode, die me na aan het hart ligt, heb ik er tevergeefs in gezocht. De ode aan een wasvrouw in de nacht. Een poging:

 

Vanuit de tuin, in de hoogte,

zag ik de wasvrouw.

Het was nacht.

Ze waste, ze schuurde,

ze schudde spullen,

één seconde glommen    

haar handen in het schuim,

daarna

gingen ze schuil in de schaduw.

Van daar boven

bij het licht van de kaars

was zij in de nacht de enige

levende,

de enige die leefde…

 

Enzovoort. Maar de rest is voor Bart Vonck. Hij kan dat veel beter dan ik.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Schrijver & voormalig journalist

    Geert van Istendael (°Ukkel, 1947) studeerde sociologie en wijsbegeerte. Hij werkte bij het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek, over ruimtelijke ordening.