Als je stenen tegen elkaar slaat, vallen er brokken

Column

Erbij of niet erbij

Als je stenen tegen elkaar slaat, vallen er brokken

Als je stenen tegen elkaar slaat, vallen er brokken
Als je stenen tegen elkaar slaat, vallen er brokken

Gooi onze verwerpelijke discriminatie en de strenge stromingen binnen de islam samen in een potje, meng krachtig, laat tot kookpunt komen en je krijgt een bijzonder giftig soepje, schrijft Geert Van Istendael in zijn column. ‘De kern van de zaak is: erbij horen. En dat schijnt maar niet te lukken.’

© Brecht Goris

Geert Van Istendael

© Brecht Goris

Gooi onze verwerpelijke discriminatie en de strenge stromingen binnen de islam samen in een potje, meng krachtig, laat tot kookpunt komen en je krijgt een bijzonder giftig soepje, schrijft columnist Geert Van Istendael. ‘De kern van de zaak is: erbij horen. En dat schijnt maar niet te lukken.’

Deze column is ook te beluisteren:

Over het land waar zelfs de post niet meer normaal functioneert. Die titel lees ik in Zeit Magazin, het eerste nummer van 2023, in het Duits dan. Eind december 2022 somde ik, bij wijze van opkikker voor het eindejaar, zowat alles op wat niet meer normaal werkt in ons eigen landeke. De lijst van de Duitse medewerker, Harald Martenstein, een satiricus die ik graag mag lezen, lijkt bedrieglijk goed op mijn droevige lijsten.

Maar hij voegt er iets aan toe, mede omdat hij zijn stuk schreef ná Nieuwjaar:

‘Op sommige dagen worden politie en brandweer in de straten van Berlijn opgejaagd als hazen, ze zijn blij als ze na hun werkdag nog in leven zijn. Op oudjaar brandt het bij ons hier en daar in de grote steden. Maar wees niet bang, men raakt eraan gewend.’

Begin januari kon je in Duitse kranten vette koppen lezen als Silvester-Chaos, oudejaarschaos. Dat alles is zeer herkenbaar, niet enkel met oudjaar trouwens.

Een voetbalwedstrijd van het wereldkampioenschap waarin de Leeuwen van de Atlas briljant spelen volstaat. Een wedstrijd die de fabelachtige Marokkaanse ploeg helaas verliest al evenzeer. Een uitslaande brand, een verkeersongeluk, de aanblik van iets dat ook maar in de verte zweemt naar een uniform — blauw of wit of geel of oranje, doet er niet toe — lijkt telkens opnieuw tomeloze woede naar boven te woelen.

Of anders verkeersplannen die de idiote naam Good Move meekrijgen, maar de omwonenden tot withete razernij opzwepen en onoverbrugbaar verdelen in twee elkaar hatende kampen, elk strijdend, niet zelden gewelddadig, voor het eigen grote gelijk. Jongeren in de Brusselse straten trekken steeds gezwinder hun mes.

Wie nu zou denken dat ik het hier enkel en alleen heb over Brussel, dwaalt. Er is Antwerpen. Er zijn andere steden en stadjes in België. Er is Parijs, vooral de banlieue. Er is Berlijn. Er zijn andere Duitse en Franse steden en stadjes. Wie andere steden in andere landen kent, mag die er rustig, nee, juist zéér verontrust aan toevoegen.

***

Spuwen, duwen, slagen en verwondingen. Kasseistenen gooien. Of blikjes. Vuurpijlen afschieten op hulpverleners. Hen verrot schelden – dat klinkt toch een beetje realistischer dan verbale agressie. Of gewoon alles in je buurt kort en klein slaan. Het neemt hand over hand toe.

Je kunt je afvragen hoe lang jonge mensen nog zin zullen hebben om bij brandweer, politie of ambulance te gaan werken. Anders geformuleerd: hoe lang jonge mensen nog bereid zullen zijn zich te laten besmeuren, voor rotte vis uitmaken, afranselen, verwonden. Er is zo al te weinig personeel, wegens te weinig geld. Terzijde: dus moeten de belastingen dringend omhoog, vooral voor onze rijkste medeburgers.

Bij de jongste voetbalrellen in Brussel en Antwerpen is het duidelijk wie herrie schopte. Jeugdige Marokkanen, vaak genoeg zijn het nog leerplichtige jongens.

Stop.

Dat waren geen Marokkanen. Dat waren Belgische jongeren. Wellicht is hun pa of hun ma in de Rif geboren of anders wel hun oma en hun opa of overgrootje. Waarom blijven wij en blijven zij zichzelf na zoveel generaties, na al die jaren, dan nog steeds als Marokkaans bestempelen?

Mijn eigen grootmoeder van vaderszijde was van Duitse komaf, haar buren in haar proletarische straatje noemden haar de Pruis. Maar mij noemt niemand nog mof of iets vergelijkbaars.

Gooi onze verwerpelijke discriminatie en de strenge stromingen binnen de islam samen in een potje, meng krachtig, laat tot kookpunt komen en je krijgt een bijzonder giftig soepje.

Enkele jaren geleden stelde de Molenbeekse, Vlaamse, groene politica Annalisa Gadaleta, dezelfde vraag. Zelf is zij op volwassen leeftijd uit haar geboorteland Italië naar België verhuisd en zij vindt dat ze Belg cq. Vlaming cq. Brusselaar is. Waarom vinden die anderen dat niet? Zij zijn hier geboren, verdorie.

Annalisa Gadaleta werd ogenblikkelijk weggezet als racist, vooral door Franstalige Groenen. Is dat niet hoogst eigenaardig?

Ik wantrouw altijd mensen die willen verbieden dat er vragen worden gesteld. Waarom zou ik mij niet mogen afvragen waarom een of andere groep Belgen, van welke herkomst dan ook, zich wil afzonderen? Waarom de andere Belgen hén willen afzonderen? Alleen al door de groepsbenaming? Ben ik dan aan het culturaliseren, o foei?

Ik ben de eerste om te zeggen dat de discriminatie van mensen die er wat anders uitzien dan de modale Belg (maar hoe ziet de modale Belg er eigenlijk uit? Ja, hoe?) stuitend is en even wijdverspreid als langdurig. Ik heb de discriminatie met eigen ogen aan het werk gezien, in stinknormale Brusselse straten. Toch is er meer aan de hand.

Er is een zorgwekkende ontwikkeling gaande in de wereldwijde islamitische wereld – dus voor een klein deeltje ook in ons land – naar afzondering, starre geloofsuitleg en bijhorend geweld. Jaren geleden al waarschuwden grote islamitische denkers als Abdelwahab Meddeb of de vroegere grootmoefti van Marseille Soheib Bencheikh voor die evolutie. Waren die uiterst intelligente en genuanceerde ervaringsdeskundigen allemaal gemakzuchtig aan het culturaliseren geslagen? Kom nou.

Gooi onze verwerpelijke discriminatie en de strenge stromingen binnen de islam samen in een potje, meng krachtig, laat tot kookpunt komen en je krijgt een bijzonder giftig soepje. De jongeren die in Brussel, Antwerpen, Berlijn enzovoort politie en hulpdiensten aanvielen en verwondden en zelfs doodden, weigeren de maatschappij waarin ze opgroeien te erkennen als de hunne.

Socioloog prof. em. Mark Elchardus zegt het zo in De Morgen:
‘Er is een specifieke groep die zich vervreemd voelt van de maatschappij. Die het gevoel hebben dat “men” vijandig staat ten opzichte van hen. En dus staan zij ook vijandig tegenover de rest van de samenleving en de overheid in het bijzonder. En wie vertegenwoordigt die overheid nu beter dan mensen in uniform?’

Dus de flikken en de pompiers en de mensen van de spoedhulp, die met grote ijver en toewijding hun plicht doen, zijn kop van jut voor de hele gehate samenleving. Zij krijgen de volle laag.

Wat nieuwkomers vernemen is: zorg dat je erbij hoort (maar hoe je je ook uitslooft, je zult er nooit echt helemaal bij horen).

De integratie wringt aan alle kanten. Al jaren. Steeds meer bommen barsten, dat ontkent niemand. Waarschijnlijk, nee, heel zeker, veel meer dan we te weten komen.

Opmerkelijk is dat buurtvaders van Marokkaanse herkomst, vaak actief in de plaatselijke moskee, menselijke kettingen vormden om de jongeren van de politie af te grendelen, met wisselend succes. ‘We houden van jullie, broeders, maar stop ermee. Er zijn al genoeg ongelukken gebeurd’, riepen de buurtvaders hen toe in Antwerpen.

Het zijn bijna letterlijk de woorden die de door mij zeer bewonderde Rotterdamse burgemeester Ahmed Aboutaleb, Nederlander van Berberse herkomst, gebruikte toen hij muitende Berberse Rotterdamse jongens toesprak in zijn en hun eigen taal, het Tamazight. Ze vroegen hem: ‘Waarom bent u zo streng met ons?’ Aboutaleb antwoordde: ‘Omdat ik van jullie houd.’

[](https://www.fondspascaldecroos.org/nl/doneer ""Banner Fonds Pascal Decroos" t ")***

Ik ben geen zacht eitje. Ik ben geen goedprater van alles, maar dan ook alles wat die jongeren uitvreten — ocharme, de knulletjes, ze worden toch zo vreselijk onderdrukt, gauw, veeg hun krokodillentraantjes af. Ik krijg huiduitslag van lieden die lang en breed het slachtoffer willen uithangen. Ik huiver voor de slechtigheid van de mensen en met grote, bekerende godsdiensten is het oppassen geblazen, tot in der eeuwigheid, amen. Wat nu volgt kan misschien op het eerste gezicht wat Bond-Zonder-Naam-achtig klinken, maar dat is het niet. Zeker niet.

De kern van de zaak is: erbij horen. Wie het woord integratie (en zeker assimilatie) in de mond neemt, zegt tegen nieuwkomers of mensen van verre afkomst: zorg dat je erbij hoort. Wat die nieuwkomers en mensen van verre afkomst vernemen is: zorg dat je erbij hoort (maar hoe je je ook uitslooft, je zult er nooit echt helemaal bij horen). Gelukkig zijn er steeds meer mensen die die subtekst straal negeren, al kan dat verdomd moeilijk zijn.

Denk aan Aboutaleb, denk aan de betreurde, veelgeprezen Nederlandse dichter Hafid Bouazza, denk aan de Duitse geniale artsen Uğur Şahin en Özlem Türeci, die het eerste vaccin tegen covid-19 hebben ontwikkeld, denk aan onze eigen Elio Di Rupo, denk aan de mezzo-sopraan Malika Bellaribi, la diva des banlieues. Enzovoort.

Een van de beroemdste historische voorbeelden is Maria Salomea Skłodowska, buiten Polen beter bekend als Marie Curie. Haar heeft de Franse Academie van Wetenschappen ooit het lidmaatschap geweigerd omdat ze uit het buitenland kwam en atheïst was en tot overmaat van ramp een vrouw. Ze kreeg wel twee Nobelprijzen.

Maar het gaat me om veel meer dan beroemde namen. In alle denkbare beroepen — van loodgieter tot operazangeres en de hele boel ertussenin, nederig of verheven — overal vind je hardwerkende, vaak geestdriftige vrouwen en mannen en anderen die namen dragen — tja, à prononcer vos noms sont difficiles, schreef de Franse dichter Louis Aragon al. Het zijn mensen die — al te vaak tegen harde, botte, gemene tegenwerking in — bewezen hebben en nog elke dag bewijzen dat ze erbij horen. Net als hun medeburgers die Jansen, Dupont of Schultze heten.

De jongeren in Brussel en andere steden breken straten open, slaan uitstalramen aan gruzelementen, vechten tegen alles wat beweegt, schieten met vuurpijlen, om hun medeburgers duidelijk te maken: wij horen niet bij jullie. Jullie zijn de vijand.

Er is een prachtig, oeroud Nederlands spreekwoord dat zegt: het is hard een kind met een stenen bakkes te zoenen. Wie en wat de boel versteend heeft, daarover verschillen de meningen. Eén ding weet ik zeker. Als je stenen tegen elkaar slaat, vallen er brokken.

Laten we het eens proberen met zoenen.