Begripsverwarring rond polarisering is niet onschuldig

De ene polarisering is de andere niet

© Charis Bastin

Naima Charkaoui

Het is vandaag bon ton om de ‘groeiende polarisering’ aan te klagen, merkt Naima Charkaoui. Zwaaien met polarisering is volgens haar een gemakkelijk wapen om een mening die je niet zint, weg te zetten als radicaal, extreem en gevaarlijk. Intussen besteedt het polariseringsdiscours nauwelijks aandacht aan de reële dreiging die vooral minderheidsgroepen ondervinden.

De ‘toenemende polarisering’ is een bezorgdheid die je in veel interviews en opiniestukken leest. En inderdaad, in actuele debatten zoals het klimaat, de corona-maatregelen of migratie lopen de gemoederen al eens op. Dat merk je op zijn scherpst op sociale media, waar iedereen op elk moment zijn mening kan ventileren en zijn gal spuwen. De scheldpartijen en regelrechte dreigementen daar geven geen fraai beeld van ons maatschappelijk debat.

De agressie, nep-argumenten en dovemansgesprekken waarover je in gepolariseerde debatten struikelt, doen een gematigd mens al eens de moed in de schoenen zinken. Lezingen en workshops over hoe je bijvoorbeeld als leerkracht, ambtenaar of politicus moet omgaan met die polarisering vinden dan ook gretig aftrek. Het lijkt me alleen maar nuttig dat professionals op een deskundige manier leren omgaan met emoties en conflict, en al zeker niet zelf olie op het vuur gooien.

Christophe Busch benadrukt het verschil tussen politieke en sociale polarisatie.

Toch is er ook een schaduwzijde aan die sterke focus op polarisering. Het is vandaag zo bon ton om de ‘groeiende polarisering’ aan te klagen, dat het lijkt alsof onze samenleving in het verleden een toonbeeld van samenhorigheid was. Ik was er niet bij, maar bij pakweg de schoolstrijd in de vorige eeuw kwam er ook best wat polarisering kijken, om maar een voorbeeld te geven.

Meer fundamenteel is er grote begripsverwarring over wat polarisering is. Bart Brandsma noemt polarisatie in zijn gelijknamig boek nu eens ‘wij-zij-denken’, dan weer ‘zwart-wit-denken’: is dat echt hetzelfde? In Vlaanderen is Christophe Busch, momenteel directeur van het Hannah Arendt Instituut, een veelgehoorde stem over het onderwerp. Hij benadrukt het verschil tussen politieke en sociale polarisatie. Het eerste speelt niet-vijandig op de bal en het laatste speelt vijandig op de man (Knack.be, 11 september 2018). Een belangrijk onderscheid dat echter niet doordringt tot het dagelijks taalgebruik.

Die begripsverwarring rond polarisering is niet onschuldig. Het begon me te dagen toen een professionele kennis me welwillend toevertrouwde dat ik mij beter niet meer zo uitdrukkelijk zou uitspreken tegen het hoofddoekenverbod. Want daarmee stelde ik me op als een ‘pusher’, speelde ik de tegenstanders in de kaart en wakkerde ik de polarisering aan.

Ook andere voorbeelden doen mij fronsen. ‘De politie discrimineert’ staat als een voorbeeld van polarisatie in het boek van Brandsma. Dat is nochtans een evident feit, gestaafd door onderzoek en talloze gedocumenteerde voorvallen. Als objectieve vaststelling speelt ze op de bal, en niet op de man als was de bewering dat alle politie-agenten overtuigde racisten zijn.

In ‘voor of tegen’-debatten is het bedrieglijk om beide posities automatisch te presenteren als elkaars tegenpolen in een bedreigende polarisering.

Het venijn van polarisering zit vooral in het benoemen van de “polen”. Nemen we het streven naar gendergelijkheid als voorbeeld. Is er dan sprake van polarisering tussen vrouwen en mannen? Dat lijkt me vooral wat tegenstanders van gendergelijkheid willen laten uitschijnen en is dus geen neutrale framing. Of gaat de polarisering tussen voor- en tegenstanders van meer gelijkheid tussen de seksen (of ruimer op vlak van gender)?

Hoewel dat debat wel eens heftig kan zijn, is polarisering hier misschien een groot woord. Dan is er misschien pas sprake van polarisering als iemand in dat debat over de schreef gaat door de tegenstander onder de gordel te viseren, valse feiten in te zetten, te schelden of dreigen? Of is het pas écht polarisering als dat laatste in groep gebeurt, de ene groep tegen de andere?

In verhitte ‘voor of tegen’-debatten lijkt het evident waarrond de polarisering draait: voor of tegen zwarte piet, voor of tegen de corona-avondklok, voor of tegen gelijke rechten voor lgbtqi+-mensen enzovoort. Het is echter bedrieglijk om beide posities in zo’n debat automatisch te presenteren als elkaars tegenpolen in een bedreigende polarisering. Ze worden daarmee in gelijke mate geproblematiseerd als ‘extremen’. En ‘weldenkende mensen’ gaan dan intuïtief, zoals het gezegde het wil, de waarheid in het midden zoeken.

Hoewel een onbetwistbare waarheid in de meeste discussies niet bestaat, kunnen posities meer of minder legitiem zijn vanuit een bepaald waardenkader zoals de mensenrechten. Black Lives Matter staat moreel op een andere hoogte dan zijn (impliciete) tegenpositie ‘Black Lives don’t Matter’. Ook ligt de ‘waarheid’ hier niét in het midden.

Het polariseringsframe laat voorstanders van het status quo toe om hun uitdagers af te schilderen als extreem en gevaarlijk en zichzelf te presenteren als weldenkend en gematigd.

Vanuit een mensenrechtenbenadering is stelling innemen tegen discriminatie van vrouwen, lgbtqi+-mensen en etnische of religieuze minderheidsgroepen het uitgangspunt. De verdere discussie gaat dan niet over het streven naar gelijkheid op zich, maar over de modaliteiten.

Nochtans zijn het vaak juist debatten over gelijkheid die de gemoederen verhitten. Ze dagen het status quo uit en maken daardoor veel emoties los. Zwaaien met polarisering wordt dan een gemakkelijk wapen om een mening die je niet zint weg te zetten als radicaal, extreem en gevaarlijk. Zo krijgen voorstanders van een alternatieve piet in de sinterklaastraditie of van de vrije keuze om wel of geen hoofddoek te dragen, regelmatig het verwijt dat ze polariseren: ze zouden beter wat dimmen met hun verstorende mening. Het polariseringsframe versterkt zo de machtsongelijkheid in het publiek debat. Het laat voorstanders van het status quo toe om hun uitdagers af te schilderen als extreem en gevaarlijk en zichzelf te presenteren als weldenkend en gematigd.

Intussen besteedt het polariseringsdiscours nauwelijks aandacht aan de reële dreiging die sommige groepen ondervinden in het huidig maatschappelijk klimaat. De ‘zondebok’ in het model van Brandsma is niét degene tegen wie haatzaaiers geweld promoten, zoals asielzoekers, moslims of joden. Nee, in dat model is ‘het midden’ de gevarenzone bij uitstek, en de eerste kandidaat-zondebok is degene die bruggen probeert te bouwen tussen de gepolariseerde groepen.

Het zal wel kloppen dat mensen die zich opwerpen als bemiddelaar geprangd kunnen geraken tussen de groepen die ze proberen te verbinden. Maar het grootste gevaar in vijanddenken is toch wel het plegen van en aanzetten tot haat en geweld. Daarbij lopen bepaalde groepen wel degelijk groter gevaar: lgbtqi+-mensen meer dan cisgender hetero’s, vrouwen meer dan mannen, zwarte mensen meer dan witte mensen enzovoort. De polariseringsbenadering gaat daar wel heel licht over.

Misschien moeten we onze frustraties over het maatschappelijk debat toch maar niet te snel en te gemakkelijk benoemen als polarisering. De term is niet alleen vaag en daardoor uiteindelijk nietszeggend, ze kan er ook toe leiden dat elke uitgesproken mening weggezet wordt als problematisch polariserend. Vooral minderheidsmeningen die het systeem uitdagen, dreigen hierdoor monddood gemaakt te worden. Het spreken in tegenpolen die op dezelfde hoogte staan, versluiert bovendien de ongelijke bedreiging die groepen in onze samenleving ervaren.

Laat ons dus preciezer benoemen wat we willen problematiseren: vijanddenken en haatspraak, grofbekkerij en bedreigingen. Intussen verdienen onze meningsverschillen wel stevig debat.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3097   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift