De partijvoorzitters weer in hun mand?

Column

Strijd om de parlementaire democratie

De partijvoorzitters weer in hun mand?

De partijvoorzitters weer in hun mand?
De partijvoorzitters weer in hun mand?

Walter Zinzen doet in zijn maandelijkse MO*column een niet mis te verstane oproep aan de verkozenen des volks. Of ze alstublief hun mand willen verlaten, niet om een beetje te keffen, maar om luid en zonder ophouden te blaffen? En de voorzitters? Die moeten doen waarvoor ze zijn aangesteld.

© Brecht Goris

Walter Zinzen

© Brecht Goris

Walter Zinzen doet in zijn maandelijkse MO*column een niet mis te verstane oproep aan de verkozenen des volks. Of ze alstublief hun mand willen verlaten, niet om een beetje te keffen, maar om luid en zonder ophouden te blaffen en desnoods te bijten? En de voorzitters? Die moeten doen waarvoor ze zijn aangesteld.

De macht verschuift, meende Guy Tegenbos een tijdje geleden (op 11 februari) in De Standaard. Hij stelde vast dat ministers zich niets meer aantrekken van de oekazes van hun partijvoorzitters. Die voorzitters zitten weer in hun mand, de regeringen nemen de leiding in het beleid, en zo hoort het in een democratie, zo schreef hij. En hij voegde er aan toe: partijvoorzitters moeten hun bedrijf – hun partij – besturen maar niet het land.

Mijn hart sprong op van vreugde toen ik dat las. Zou de particratie eindelijk bedwongen zijn? Het viel me moeilijk te geloven. Rond dezelfde tijd dat Tegenbos zijn hoopvolle boodschap verspreidde, was er het incident tussen de Ecolo-minister van Verkeer Georges Gilkinet en spoorbaas Sophie Dutordoir. Gilkinet had zijn aanvankelijke instemming met het sluiten van loketten in 43 stations ingetrokken en een herziening van het besluit gevraagd. Dat had hij gedaan op bevel van zijn voorzitter Jean-Marc Nollet, die in Henegouwen woont, toevallig een provincie waar het grootste aantal loketten zou gesloten worden.

Mevrouw Dutordoir was woedend en terecht. Dit was – andermaal – een staaltje van ouderwetse Belgische particratie en dat bij Ecolo! Maar kijk, een paar dagen later hadden Gilkinet en Dutordoir het bijgelegd. Het sluitingsbesluit bleef gehandhaafd. Nollet had gekeft, maar zat weer in zijn mand.

Vorige week donderdag kon ik mijn geluk helemaal niet meer op. Premier De Croo veegde toen in de Kamer de partijvoorzitters de mantel uit die op “onverantwoorde wijze” de versoepeling eisten van de corona-maatregelen. Dat konden de heren Bouchez, Nollet (alweer hij) maar ook Lachaert, De Croo’s eigen voorzitter, in hun zak steken. Diezelfde Lachaert had al eens bot gevangen bij zijn liberale ministers in de Vlaamse regering. Die gingen niet in op zijn pleidooi om sommige gedupeerde eigenaars van zonnepanelen nog een extra compensatie te geven boven op de vergoeding die de regering al had toegezegd.

De Vlamingen dringen de Walen dus een “diktat” op, zo denken vele Franstalige landgenoten. Tiens, daar horen we de N-VA nooit over.

Het mooiste moest toen nog komen. Gisteren een week geleden opperde CD&V-voorzitter Joachim Coens in De Afspraak dat “consequenties” moesten overwogen worden voor mensen die zich niet laten vaccineren. Hij dacht daarbij aan eventuele gevolgen rond tewerkstelling, deelname aan grote manifestaties of buitenlandse reizen.

Geen dag ging voorbij of minister van Binnenlandse Zaken Annelies Verlinden floot haar voorzitter in ondubbelzinnige woorden terug. Van consequenties voor mensen die een vaccinatie weigeren kon geen sprake zijn, zei ze ferm. Ook Coens had gekeft, ook Coens kon weer in zijn mand.

Hoera, hoera was ik geneigd te roepen, die Tegenbos heeft overschot van gelijk. Maar toen rees al vlug de vraag: is de democratie nu gered? Voor de tegenstanders van de Vivaldi-coalitie was de vraag snel beantwoord: de regering De Croo is zelf ondemocratisch, want ze heeft geen meerderheid aan Vlaamse kant in het parlement. De N-VA, oppositiepartij, vindt daarom dat het kabinet anti-Vlaams is.

Vermakelijk, als je naar Wallonië kijkt. Daar vinden vele burgers juist dat de regering anti-Waals is. Want het strenge coronabeleid wordt uitgedragen door drie Vlamingen: premier De Croo, minister van Volksgezondheid Vandenbroucke en de bovengenoemde minister van Binnenlandse Zaken Verlinden. Zij houden de versoepeling tegen waarnaar zovelen in Wallonië verlangen. De Vlamingen dringen de Walen dus een Diktat op, zo denken vele Franstalige landgenoten. Tiens, daar horen we de N-VA nooit over.

Aan Vlaamse zijde wordt dan weer gemopperd dat Vandenbroucke en Verlinden nergens verkozen zijn en dus geen democratische legitimiteit hebben. Een misverstand van jewelste. We verkiezen parlementsleden, geen ministers. In Italië is zelfs de premier niet verkozen. Niemand struikelt daar over. En terecht. De democratie bestaat er in dat de ministers gecontroleerd en zelfs gestuurd worden door het parlement. Daar ligt hun legitimiteit.

Het is trouwens lang niet de eerste keer dat niet verkozen ministers mee regeren. Meestal wordt naar technocraten gezocht als politici het niet meer zien zitten.

Zo werd in 1981 Robert Vandeputte, gewezen gouverneur van de Nationale Bank, benoemd tot minister van Financiën. Ons land maakte toen een grote sociaal-economische en financiële crisis door. Een succes werd het niet. Vandeputte noemde zichzelf later ‘een machteloos minister’, hij verliet de politiek ontgoocheld.

Met welk democratisch recht maakt Joachim Coens uit wie namens zijn partij het land moet besturen?

Interessant echter is de vraag wie hem benoemd had. Dat was de toenmalige eerste-minister, Mark Eyskens. Zo ging dat toen nog. Partijvoorzitters kwamen er niet aan te pas. De regeringsleider of, in een vroeger stadium de formateur, koos zijn ministers zelf, uiteraard na onderhandelingen met de regeringspartijen over de verdeling van de bevoegdheden.

Misschien heeft premier De Croo eigenhandig de Open Vld-ministers uitverkoren, maar alle andere ministers zijn de regering ingestuurd door hun partijvoorzitter. Dààr zit hem het probleem. Mevrouw Verlinden en haar CD&V-collega’s zijn benoemd door Joachim Coens, een man die in geen enkele verkozen assemblee zetelt (behalve in de gemeenteraad van Damme). Met welk democratisch recht maakt hij uit wie namens zijn partij het land moet besturen?

Hij moeit zich ook onverstoord met het corona-beleid en probeert te bepalen welke maatregelen het Overlegcomité moet nemen. Heeft hij Guy Tegenbos gelezen en weet hij dus dat zulks noch zijn taak, noch zijn recht is?

Helaas, zijn collega-voorzitters zijn in hetzelfde bedje ziek. PS-voorzitter Paul Magnette is verkozen in het Europees Parlement maar heeft zijn mandaat niet opgenomen. Jean-Marc Nollet (Ecolo) is verkozen in de Kamer maar heeft ontslag genomen. Georges-Louis Bouchez (MR) is senator, niet verkozen maar benoemd. Frank Vandenbroucke en zijn sp.a-collega’s danken hun post aan Conner Rousseau, lid van het Vlaams Parlement, zonder enige bevoegdheid op federaal niveau. Egbert Lachaert is de enige voorzitter in de huidige coalitie die een echte federale volksvertegenwoordiger is en Groen-voorzitter Almaci (lid van het Vlaams Parlement) is de enige die de benoeming van de ministers moest over laten aan de partijbasis.

Geen enkele partijvoorzitter heeft dus een kiezersmandaat om zich te bemoeien met welk beleid dan ook. Maar wil dat zeggen dat ze zich beperken tot het leiden van hun partij zoals Guy Tegenbos ze opdraagt? Geenszins. Dezelfde minister Verlinden, die zo kordaat ‘koest’ riep naar haar voorzitter, is ook bevoegd voor de staatshervorming. Daarover zei ze al even openhartig dat de partijvoorzitters nog altijd hun rol hebben in de uiteindelijke beslissingen. Leuk om te horen voor de burgerpanels, die de regering naar eigen zeggen bij die staatshervorming wil betrekken.

Ook bij de volgende regeringsvormingen zullen de partijvoorzitters weer eensgezind leidende posities innemen tijdens de onderhandelingen. Ze zullen er niet over piekeren om aan de toekomstige eerste minister of minister-president het privilege terug te geven dat Mark Eyskens destijds nog had. In hun mand gaan liggen is wel het laatste wat ze van plan zijn.

Wie echt in hun mand liggen dat zijn de parlementsleden. Kati Verstrepen, voorzitter van de Liga voor de Mensenrechten, houdt niet op te beklemtonen dat het parlement betrokken moet worden bij het corona-beleid. Maar neen, in de pandemiewet die in de maak is, krijgt de minister van Binnenlandse Zaken de bevoegdheid alle maatregelen te treffen die hij/zij nodig acht en het parlement mag die dan achteraf bekrachtigen.

Dat is al een hele vooruitgang, want zelfs dat bekrachtigen is er nu niet bij. In Nederland kon de avondklok pas ingevoerd worden na een urenlang debat in de Tweede Kamer. Bij ons werd het parlement zelfs niet ingelicht.

Mogen we de dames en heren, die door ons verkozen zijn, vragen om Kati Verstrepen en de Liga de strijd om de parlementaire democratie niet alleen te laten voeren? Willen zij aub hun mand verlaten, niet om een beetje te keffen, maar om luid en zonder ophouden hard te blaffen? En desnoods te bijten?