Eigendom is dood

Column

Eigendom is dood

Eigendom is dood
Eigendom is dood

Terwijl de lentezon een poging doet om de winterkou te verdrijven, mijmert Ben Caudron in zijn column over eigendom, Proudhon en de nieuwe manier waarop bedrijven met producten omgaan. Mensen zijn geen eigenaar meer, maar gebruiker. Eigenaars zijn dood.

Het moet dertig jaar geleden geweest zijn. Ik was voltijds langharig werkschuw tuig en bracht mijn dagen door in Gent. Een enkel weekend – als alle geld op was en geen proper kledingstuk overbleef – spoorde ik naar het dorp dat me vooral heeft geleerd er zo snel als mogelijk uit weg te vluchten en er zo weinig mogelijk naar terug te keren. Alleen als de nood zeer hoog was.

Die nood moet hoog geweest zijn, die ene zondagvoormiddag, diep in december. Ik verkleumde tegenover de protserige vitrine van wat toen één van de meest arrogante bakkers in de stad was en wachtte tot de tram me uit mijn boze gedachten haalde. Behalve wat een prille dertiger moet geweest zijn en het kind dat de man in dat korte leven al had weten te produceren, was het knarsende monster leeg. Ik zette me ergens in de andere rij, tegenover vader en kind en bedacht dat ik een kwartier lang heen en weer geschud zou worden, op het ritme van een trambedding die door kasseien gekneld werd.

Hij schuimbekte net niet toen hij tegen zijn zoontje schreeuwde dat Proudhon gelijk had. Eigendom was diefstal.

Tot we voorbij het uitstalraam van een immobiliënkantoor schokten en ik de man woedend zag worden. Hij wees zijn zoon op een affiche. Die vertelde argeloze voorbijgangers dat het geluk was weggelegd voor eigenaars van vastgoed. Wat zijn diepere drijfveren waren heb ik nooit achterhaald, maar dat ze diep waren, daar heb ik sindsdien geen ogenblik aan getwijfeld. Hij schuimbekte net niet toen hij tegen zijn zoontje schreeuwde dat Proudhon gelijk had. Eigendom was diefstal.

Ik studeerde sociologie en zou het niet aangedurfd hebben een notoir voorbeeld tegen te spreken, modest als ik was. Bovendien bezat ik amper iets en kostte het me weinig moeite om me te vereenzelvigen met de rest van de bezitloze klasse. Het zoontje keek zijn vader met grote ogen aan. Ogen die vertelden dat de essentie zopas onopgemerkt voorbijging. Ogen die verrieden dat de angst die het kleine kereltje net was aangedaan, wellicht lang zou nazinderen.

Of het zoontje uitgroeide tot één van de ondernemers van het nieuwe type weet ik niet. Alleen moet ik vaak aan dat kind denken als ik die ondernemers aan het woord hoor en zie welke fratsen ze uithalen. In die fratsen zit immers een verwijzing naar Proudhon’s dooddoener, zij het in geperverteerde zin.

In diezelfde periode trakteerde ik mezelf na elk succesvol examen op een langspeelplaat. Ik repte me naar de “music man” – ooit iconisch, nu vergeten – en bladerde door de bakken, op zoek naar de schijf mijner dromen. Mijn plaat. Mijn nieuwe plaat.

Omdat mijn muzikale voorkeur niet meteen mainstream was, had ik weinig vrienden die het op prijs stelden dat ik mijn platen meebracht als ik hen bezocht, maar ik kon het wel. Ik kon het vinyl op andermans platendraaier leggen want de muziek had een blijvende fysieke werkelijkheid waarmee ik me door de ruimte en mijn jeugd kon bewegen. Twee keer één lange groef in zwart kunststof.

Telkens ik een plaat kocht, werd ik eigenaar van iets dat ik in mijn handen kon houden en dat ik zo vaak ik wou kon beluisteren, zonder telkens opnieuw te moeten betalen

Telkens ik een plaat kocht, werd ik eigenaar van iets dat ik in mijn handen kon houden en dat ik zo vaak ik wou kon beluisteren, zonder telkens opnieuw te moeten betalen. En als ik dat wilde, kon ik de plaat weggeven.

Of de ondernemers van het nieuwe type ooit extatisch werden bij de aanschaf van een LP, weet ik niet. Ik vermoed van niet. Ik denk dat hun hersenen nooit overspoeld werden door dopamine nadat ze hun handen sloten om iets wat ze zouden kunnen koesteren.  Ik weet wel dat ze nieuwe modellen verzinnen om ons van vermaak te voorzien. In die modellen betaal je nog steeds, maar je krijgt er amper iets voor in de plaats. Niets dat je kan vastpakken, stapelen, netjes sorteren.

Wie betaalt voor Spotify of Netflix, krijgt daar een toegangsticket voor in de plaats. Met dat ticket kan je jezelf gedurende een bepaalde tijd onderdompelen in het fraais dat je wordt aangeboden. Zodra de tijd verstreken is, gaat de deur dicht en blijf je achter met lege handen. Je bent immers geen eigenaar meer, je bent gebruiker. Eigenaars zijn dood.