Geboren op het dak van de wereld

Bie Vancraeynest is geboren “op het dak van de wereld”.
Maar dat is geen verdienste, stelt ze vast. Het is hoerensjans.

  • © Brecht Goris © Brecht Goris

Ik zit op het dak van de wereld. Wat zeg ik? Ik ben geboren op het dak van de wereld. Geboren met de Belgische nationaliteit, ruim een kwarteeuw na de Tweede Wereldoorlog.

Opgegroeid in relatieve welstand, in, nog steeds, blakende gezondheid. Daarenboven heb ik een job die er deze weken uit bestaat een prachtige kampervaring te bezorgen aan een zeventigtal mensen, als toetje van de zomer.

We trekken daartoe een tentenkamp op in het uiterste zuiden van ons land. Waar het glooiende landschap je in Frankrijk doet wanen. Dat en het feit dat de burgemeester hier geen bourgemestre is, maar le maire wordt genoemd, en de tongval heel erg Frans aandoet.

Een streek met weerbarstige boeren in al even eigenzinnige dorpen die ons zootje ongeregeld uit Brussel met open armen ontvangen. Al was het maar om de stadsmussen een paar levenslessen mee te geven.

Ons land vangt vluchtelingen op in tenten. In tenten met een rood kruis op. 

Dat tentenkamp wordt opgetrokken uit door de zon verbleekte groene “seniors” en bruine patrouilletenten die de Vlaamse overheid ons voor een prikje ter beschikking stelt. Je moet als inlander al vreemd zijn gevaren als je niet één nacht in zo’n tent hebt doorgebracht, op “bivak”.

Het was naar dat collectieve beeld dat Theo Francken verwees toen hij het had over de tenten waarin wij deze laatste zomerweken vluchtelingen herbergen.

Ja. Ons land vangt vluchtelingen op in tenten. In tenten met een rood kruis op. Niet in Jordanië of aan de grenzen van Eritrea. Maar in gemeenten als Arendonk en Geldenaken. Geen idee of die gemeentes werden gekozen op basis van hun gastvrijheid, of op basis van het gebrek aan politieke “leverage” om vluchtelingen “buiten te houden”.

Mobiele wooneenheden

Bij tenten denken mensen meteen aan een KSA -kamp, jammerde Francken dus in zijn gekende stijl. Maar hij heeft nog nooit een kamptent met een deur gezien en met een elektriciteitskast. Hij had het liever over “mobiele wooneenheden”.  Ik parafraseer, maar het was iets van die strekking.

Als hij toegeeft dat er ook positieve aspecten zitten aan migratie lijkt het alsof hij zijn billen dichtknijpt.

Theo Francken neemt zijn bevoegdheid op als was hij praeses van een studentenvereniging met een slechte reputatie. Dat gevoel krijg ik. Geen vraag of het antwoord rolt er verongelijkt uit. Hij wil niet als onmens versleten worden (wie wel?) maar het steekt dat hij niet kan uitpakken met dalende cijfers zoals zijn voorgangster.

Als hij toegeeft dat er ook positieve aspecten zitten aan migratie lijkt het alsof hij zijn billen dichtknijpt. Het is niet zijn schuld, dat het zo slecht gaat met de wereld, lijkt hij uit te willen schreeuwen. We zaten ook niet echt op die piste, Theo.

Er zijn nu meer mensen op de vlucht dan ooit, sinds de Tweede Wereldoorlog. Want zo ver reikt onze invulling van ‘ooit’. Tot de laatste wereldoorlog die we kenden. Sindsdien heerst er relatieve vrede en welvaart op het Europese continent en dat willen wij graag zo houden.  

Dat merk je misschien nog het meest aan het taalgebruik dat wordt gehanteerd: de vluchtelingen ‘crisis’, de ‘golf’ die ons ‘overspoelt. Alsof de mensen die in bootjes stappen, muren bestormen, en tunnels trachten binnen te dringen dat doen in een soort van vacuüm. Los van oorlog, niet in een wereld die is getekend door ongelijkheid. Niet opgejaagd door geweld en armoede.

De olifant in de kamer

In mijn laatste jaar aan de universiteit, in 1999, was er ook een asielcrisis. Toen werd er massaal opgeroepen om asielzoekers op te nemen in kerken en bij mensen thuis. Toen was er nog geen sprake van “bed, bad, brood” en dat “uitbesteden aan de privésector.” 

Toen was er nog geen sprake van “bed, bad, brood”

Wij, idealistische studenten, wilden niet achterblijven en namen er ook één in huis. Een Kosovaar, die later een Albanees bleek te zijn. Sprak weinig, at veel. We hadden geen idee waar hij zich mee bezig hield overdag. Of ’s nachts.

Hij viel een beetje tegen qua interculturele uitwisseling. Hij bleef eigenlijk langer dan wij in onze naïviteit hadden ingeschat, maar zijn aanwezigheid in vraag stellen, was een taboe op onze kotvergaderingen. Hij was “de olifant in de kamer” gedurende een aantal maanden. Tot hij verdween met de noorderzon.

Soms meen ik hem op straat te herkennen. Dan vraag ik me af wat er van hem geworden is en of hij soms nog denkt aan zijn doortocht op ons kot bevolkt door wiphaladragende meisjes en jongens.

Er is de voorbije weken veel te doen om het maatschappelijke draagvlak voor het onderdak bieden aan vluchtelingen. Dat leek in 1999 enigszins anders. Ik weet niet of de tijden veranderd zijn? Of ik me toen enkel met gelijkstemde zielen ophield?

In mijn omgeving zie ik een pak mensen die van plan zijn om volgende week in colonne naar Calais te rijden om op bezoek te gaan naar de vluchtelingenkampen die daar zijn opgetrokken. Met een koffer vol hulpgoederen maar vooral een luisterend oor. Maar de echte golf van solidariteit, die voel ik alsnog niet door het land rollen. 

Red Star Line

Het kan geen kwaad om ons moreel kompas opnieuw te kalibreren. Ons geheugen wat op te frissen. In mijn prille jeugd spendeerde ik veel tijd in Doomkerke, het dorp van mijn grootouders aan moederszijde. Als je het dorp binnenrijdt, zie je op je linkerkant Café New York. De waard van dat café was ooit een scheepvaartagent voor de Red Star Line. Doomkerkenaren die de oversteek wilden maken naar de Verenigde staten of Canada konden daar aan een ticket geraken.

Voor elke migrant is er een veelvoud aan achterblijvers.

Honderden dorpsbewoners namen de wijk begin vorige eeuw. Mijn grootouders zagen neven en nichten verschepen naar Canada. Ze correspondeerden decennia later nog, in steeds krommer wordend Nederlands. Voor elke migrant is er een veelvoud aan achterblijvers. Aan vaderskant werd mijn grootmoeder geboren in New York. Haar ouders emigreerden aanvankelijk naar de Big Apple, maar keerden terug.

Op de weide waar ik deze week de pikketten in de grond steek, loopt het vol met grote en kleine mensen die hun roots ver buiten Europa hebben. Zij of hun ouders hebben, om de meest uiteenlopende redenen, have en goed gewaagd om hierheen te verkassen. Zoals altijd leer ik meer van hen, dan zij van mij. 

Bijvoorbeeld, dat geboren zijn op het dak van de wereld, geen verdienste is. Het is hoerensjans.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3181   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Coördinator van Vzw Toestand

    Bie Vancraeynest is coördinator van Vzw Toestand, een organisatie die leegstaande of vergeten gebouwen reactiveert tot tijdelijke en autonome socioculturele centra.