De hartstochtelijke tweetaligheid van de kunsten

Nog tot 30 mei waart het Kunstefestivaldesarts door de Brusselse theaterzalen. Bij die gelegenheid denkt MO*columnist Geert Van Istendael na over de tweetaligheid van de kunsten. ‘In Brussel hebben woorden als cultuur, taal en identiteit geen enkelvoud meer.’

  • © Brecht Goris © Brecht Goris

Op 8 mei had ik het voorrecht in het Centrum voor Hedendaagse Kunst Wiels te mogen gaan kijken naar de dansers van het eminente gezelschap Rosas en bovendien naar de grande dame, de trrrrrrrrrès grande dame Anne Teresa De Keersmaeker, die de dans opnieuw heeft uitgevondenen en daarmee in de hele wereld beroemd is geworden, volkomen terecht.

Wiels bezet het gebouw van de voormalige brouwerij Wielemans-Ceuppens aan de Brusselse Van Volxemlaan, wat verder dan het Zuidstation.

Het is een grijze, betonnen gigant, die brouwerij uit 1930, en men heeft de zaak aan de binnenkant helemaal wit gespoten.

In immense zalen springen, rollen, lopen, huppelen vier kerels, naast hen bewegen zich drie strijkers, die lawaai aan hun instrument onttrekken waarvan je het bestaan niet vermoedde. De springers doen zo ongeveer alles achter elkaar wat je de grande dame en haar mededansers in de loop der jaren hebt zien doen.

Er is hier geen podium, je staat of zit om hen heen. Je staat met je neus bovenop de dans. Ik voelde me er nog veel lomper door dan ik zo al ben. Ik dans zo elegant als een betonmolen.

Brusselse spitsuur

Daarbij komt dat het Wielsgebouw een zéér slechte geluidsisolatie heeft. Dwars door de muziek heen hoor je het Brusselse spitsuur dreunen, verbrandingsmotoren, denderende trams, zij en de strijkers lijken elkaar aan te vullen, ze lijken voor elkaar gemaakt te zijn.

Mijn oren zijn twee hardleerse reactionairen.

Mijn oren zijn twee hardleerse reactionairen. Ze verwerpen zowat de hele klassieke muziek van de twintigste eeuw, die oren van me, van Stravinski tot Carola Bauckholt. Tot mijn opperste verbazing vond ik deze verwringingen van klankmateriaal, dit sonore schroot, nou, misschien niet mooi, maar wel zeer interessant.

Laten we zeggen dat ik geboeid bleef luisteren en wilde blijven luisteren (en kijken). Normaal gesproken zou ik na drie minuten weggelopen zijn, groen van ergernis.

Vervolgens, op een andere verdieping, weer zo’n witte industriële ruimte, een jonge vrouw die dwarsfluit speelt. Of nee, het blazen werd hier in ere hersteld, het kriepen, het gorgelen – en daarnaast, la grande dame die zelf danst. Aan het eind begon de werkelijk buitgewone fluitiste de partita in a klein van Johann Sebastian Bach te spelen. Kristalhelder, een springerige melodie die je bij de strot pakt. Althans, die mij bij de strot pakt, ik kan er niet aan wennen.

Maar na enkele maten al gaat de grootse fluitiste over tot het hees spelen van deze partita. Je herkent nog duidelijk de eindeloos voort kronkelende klanklijn, maar mijn god, hoe anders, hoe ver, hoe geheimzinnig. En om haar heen, om de muziek heen, beweegt la grande dame. Iedere beweging van haar is én trefzeker (hier en nergens anders, daar en nergens anders) én weergaloos vrij,onbeschrijflijk soepel.

Hoe zij beweegt, dat doet me denken aan de lijn (le trait, zeggen ze in het Frans) van grote tekenaars. Ook zij: hier moet mijn streep en nergens anders en iedere rigiditeit, iedere dwang verdampt. Toch stáát die streep daar, noodzakelijk, en verdeelt het vlak op de enige manier die kan. Het is alsof de grande dame al bewegend een tekening maakt. Dat de ruimte waarin ze beweegt wit is, zal wel associaties oproepen met tekenpapier.

Enfin, je gaat toch nogal duizelig buiten. Als de rest van het Kunstenfestivaldesarts navenant is, word ik deze maand nog radeloos van geluk.

Vijftig regels Frans, vijftig regels Nederlands

Maar de plicht roept. Diezelfde avond moet ik op de opening van het festival spreken, samen met de artistiek directeur en de twee ministers van cultuur, madame Milquet en meneer Gatz. Ik ben de Nederlandstalige voorzitter van de Raad van Bestuur, vandaar. De Franstalige voorzitter is de cineaste Marion Hänsel, maar zij kan er niet bij zijn. Ik zal dus beide lands- en stadstalen bezigen, vijftig regels F en vijftig regels NL, dat soort evenwichten moet je respecteren, zodoende bewaar je de lieve vrede. Ziehier wat ik dacht te moeten zeggen. De Franse stukken heb ik voor u vertaald, meestal toch, u zult wel zien waar niet en waarom niet.

Vandaag begint het Kunstenfestivaldesarts aan zijn twintigste editie. Dat is een goeie reden om het verleden eens onder ogen te zien, om al die vorige edities eens te bekijken, met al hun schittering, mislukkingen, heilzame artistieke en maatschappelijke schokken, de inbedding in de stad, verrukking en wreedheid, kortom, de hele umana fragilitá, de broosheid, zeg maar kwetsbaarheid van de mens.

Vanaf het eerste uur heeft Frie Leysen, die het festival uitvond, het KunstenfestivaldesArts in dat teken gesteld en na haar heeft haar opvolger, artistiek directeur Christophe Slagmuylder die lijn consequent doorgetrokken. L’umana fragilità, de broosheid des mensen, naar het schilderij dat de Napolitaanse kunstenaar Salvator Rosa vervaardigde omstreeks 1650, nadat de pest zijn zoon, zijn broer, zijn zus en zowat zijn halve familie had weggerukt.

Het is een intens persoonlijk schilderij, maar juist daardoor vertelt het een algemeen menselijk, een universeel verhaal. En ook dat is één van de bestaansredenen van het festival: de kunstenaar vertelt een hoogstpersoonlijk verhaal dat ons allen raakt. Door elkaar schudt.

Laten we toch vooral niet vergeten dat nog maar een eeuw geleden Europa kon bogen op hele reeksen steden die meertaligheid cultiveerden.

Een tweede uitgangspunt van het festival was, van stonden aan, de tweetaligheid. Zeg maar: de hartstochtelijke tweetaligheid. Zo wortel je in dit gewest, in deze hoofdstad van België en Europa, in deze stad, een der laatste Europese steden die elke dag opnieuw inspanningen levert om twee sterk verschillende en ongelijke talen op voet van gelijkheid te behandelen. Dat is geen vanzelfsprekendheid. Laten we toch vooral niet vergeten dat nog maar een eeuw geleden Europa kon bogen op hele reeksen steden die meertaligheid cultiveerden.

In Praag, de geboortestad van Kafka, in Czernowitz, de geboortestad van Paul Celan, in Vilnius, de geboortestad van Romain Gary, in Riga, de geboortestad van cineast Sergeï Eisenstein, in al die steden en in zoveel andere is de meervoudigheid van taal en cultuur versmoord in de bloedbaden van de twintigste eeuw. In Brussel niet.

Wie mocht denken dat een tweetalig festival toch een evidentie is in een stad als Brussel, vergist zich en niet zo’n klein beetje. Zeker in het begin, gaandeweg minder en vandaag haast niet meer, was er tegenstand en onwil en onbegrip. Iemand heeft het festival ooit een pseudo-tweetalig onding genoemd waar, ik citeer: trois otages francophones servent tristement de feuilles de vigne un peu fanées au pseudo-multiculturalisme conquérant de la capitale de l’Europe (Dit vertaal ik even niet. Wie het niet snapt, bespaart zichzelf zodoende de kennismaking met een weerzinwekkend staaltje van kwade trouw).

Deze kritiek kwam uit de linkerhoek van het ideologische spectrum. En, om iedere kwaadwillige uitleg in de kiem te smoren, evenwaardige aardigheidjes kreeg je te horen uit alle hoeken, zo rechts als links, en natuurlijk ook van Nederlandstalige zijde. Maar dat is voorbij. Achter de rug. Onze doordachte tweetalige aanpak is een vanzelfsprekendheid geworden en, dat is toch verheugend, ook een inspiratie voor talrijke nieuwe initiatieven, schitterende initiatieven, die bruggen slaan tussen talen en culturen.

In Brussel hebben woorden als cultuur, taal en identiteit geen enkelvoud meer.

Het woord tweetaligheid volstaat al jaren niet meer om de stuwing inzake taal en cultuur te beschrijven die door Brussel vaart. Zelfs het woord multiculturalisme komt ons nu voor als een relict uit een grijs verleden. Brussel omhelst de hyperdiversiteit. In Brussel hebben woorden als cultuur, taal en identiteit geen enkelvoud meer. Is dat makkelijk in het leven van alledag? Als ik daar ja op zou antwoorden, loog ik.

Soms vraag ik me af of die hyperdiversiteit zich niet veeleer aan Brussel opdringt. Laten we onszelf niets wijsmaken. Deze betrekkelijk nieuwe ontwikkeling verloopt niet zonder slag of stoot, het gaat er lang niet altijd harmonisch aan toe, ver van. Maar is een stad als Brussel wel denkbaar zonder dissonanten? Is een stad van de eenentwintigste eeuw wel mogelijk zonder conflict, zonder wrijving, zonder spanning? Zou het wel wenselijk zijn dat een stad als de onze begint te lijken op een groot, lauw bad?

Het Kunstenfestivaldesarts heeft kunstenaars uit de hele wereld naar Brussel gehaald en zo komen we bij het derde uitgangspunt. Ik heb hier Vietnamese boerinnen gezien, een monnik, een zwerfkat, Argentijnse wildebrassen, Duitse koorzangers, onverschrokken Iraniërs, Afrikaanse barytons, Braziliaanse straatatleten, ik heb zelfs doorsnee Brusselaars gezien, dat was vorig jaar, en ga zo maar door en ga zo maar door. Ieder van ons heeft zijn of haar eigen herinneringen aan kunstenaars die uit alle continenten hier samenstroomden in de maand mei.

Telkenmale in mei stellen doorgaans welingelichte waarnemers in onze straten en theaterzalen een plotse, torenhoge piek vast in de concentratie van zoekers, twijfelaars, dwarsliggers, rusteloze zielen, narrige critici, diepe denkers, barokke redenaars en vrome zwijgers, slangachtige dansers en stijve fakirs, kortom kunstenaars van alle kleuren en landen, onder het motto van Rabelais: fay ce que vouldras, of Augustinus: fac quod vis (beide betekenen: doe wat je wilt). Er geldt slechts één verbod: gij zult niet zelfgenoegzaam zijn. En voor het hele festival geldt als opperste gebod: de kunstenaar staat centraal.

Ja, de centrale figuur van het festival is de kunstenaar. Met recht en reden, want zij/hij is het die de lastige vragen stelt, de vragen die storen. Die onze al te gemakzuchtige zekerheden in twijfel trekt, onze toch zo Europese zekerheden. Die ons dwingt in de spiegel te kijken. En wat we in die spiegel zien is vaak niet zo fraai.

Daar staan wij, de Europeanen. Daar zie je ons Europa. Ons Europa dat nog slechts één soort gedachten predikt, ons Europa dat onverdroten alle waarden verwerpt behalve die ene: de ruilwaarde. Ons Europa dat ieder doel verwerpt behalve dat ene: rendement, bezuiniging, als het moet door een heel volk in de ellende te stoten. Ons Europa dat hard zijn best doet om zijn twee hoogste verworvenheden te verwerpen, de twee verworvenheden zonder welke het niet de moeite waard is dat onze beschaving blijft leven.

Eén. Geen enkele inspanning is én de Unie én de lidstaten te zwaar om de systemen van sociale zekerheid te verzwakken, die genereuze systemen van georganiseerde solidariteit, die het resultaat zijn van bittere strijd, en die ik zonder aarzelen de bekroning noem van de Europese beschaving.

Twee. Al te veel regeringen kunnen en willen het niet laten om te besparen, te beknibbelen, te snoeien op cultuur. Maar als Europa géén cultuur is, wat is het dan wel?

En dan is er het lelijkste in de spiegel. Duizenden die groot gebrek en grote dreiging in hun thuisland ontvluchten en proberen te naderen tot Europa, die naar Europa verlangen als naar een verlossing, betalen dat verlangen met een nameloze verdrinkingsdood.

There is no alternative is het meest anti-democratische wat een mens kan zeggen.

En tenslotte dit: luider dan ooit dreunt de kreet, er is geen alternatief, il n’y a pas d’alternative, es gibt keine Alternative, there is no alternative. Het is het meest anti-democratische wat een mens kan zeggen. Want democratie gaat altijd over alternatieven, democratie gaat over het beschaafd georganiseerde en voluit erkende meningsverschil, kortom, over alternatieven. Hoe heet het systeem dat géén alternatief toestaat? Dat iedere fluistering over mogelijke alternatieven genadeloos afstraft? Zulk systeem heet dictatuur.

Wat mij in het Kunstenfestivaldesarts altijd onweerstaanbaar heeft aangetrokken, is het fluisteren, het vragen, het tonen, het oproepen, het laten vermoeden van myriaden alternatieven, ook, ja, in de eerste plaats, van alternatieven waaraan ik uit mezelf nooit gedacht zou hebben of alternatieven die mij niet aanstaan. Dat, en de hele hedendaagse, veelvormige schoonheid en lelijkheid die het festival naar ons brengt, naar ons hier in Brussel, maakt het festival voor onze stad en haar bewoners en haar gasten niet alleen aanbevelenswaardig, maar vooral onmisbaar.      

Het festival viert dus zijn twintigste verjaardag. Vingt ans, ach, die woorden hoor je voortdurend in de chansons die tot ons komen uit de Franstalige wereld, van de Jacques Brel tot de Canadese Gilles Vigneault, van Juliette Gréco tot Barbara. Vingt ans, twintig jaar, dat is de leeftijd van grote dromen, je bent tot over je oren verliefd, je bent je illusies nog niet kwijt. Het festival heeft zijn illusies vervangen door een zekere mate van realisme. Een zekere mate, niet meer, want laten we vooral onze dromen niet vergeten, onze brandende liefde, de liefde tot alles waar het festival voor staat, vandaag en in de twintig jaar die voor ons liggen.

En nu, nu hebben de kunstenaars het woord.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Schrijver & voormalig journalist

    Geert van Istendael (°Ukkel, 1947) studeerde sociologie en wijsbegeerte. Hij werkte bij het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek, over ruimtelijke ordening.