Het gen van de waanzin

Als er, lang na ons, in het diepe van de tijd, ooit eens een gedenksteen voor de mensheid komt, kan die best refereren aan het gen van de waanzin. Dat is het fameuze gen dat ons onderscheidt van de neanderthaler. Het gen dat ons de ene keer een tikkeltje geniaal maakt en de andere keer weerbarstig blind voor verandering, schrijft columniste Tine Hens.

  • © Brecht Goris © Brecht Goris

Er zijn ribbels in de bergen, steenlagen in diepe kloven waar je je vinger op de geschiedenis van duizenden, ja, miljoenen jaren kan leggen. Stenen hebben er leeftijden die al onze menselijke pogingen om de eigen levensduur te verlengen lachwekkend maken. Er liggen kristallen van miljoenen jaren oud, kwarts van net na de laatste ijstijd en wie met zijn vingers over de toppen van de bergen rond Salzburg schraapt, vindt tussen het vuil onder de nagels kleine stukjes koraal.

Voor er mensen waren, lag hier een zee.

De veranderlijkheid van dit landschap is enorm geweest – het heeft zich geologisch binnenste buiten gekeerd - en toch lijkt het in al zijn rotsachtige starheid volledig onveranderlijk. Hoe lang je ook blijft kijken, hoe meedogenloos de wind ook beukt, geen steen beweegt.

Het is het gezichtsbedrog van onze beperkte tijdsbeleving. Ons nu lijkt de eeuwigheid.

Het is het gezichtsbedrog van onze beperkte tijdsbeleving. Ons nu lijkt de eeuwigheid.

Omdat in de bergen alles trager gaat, sijpelen ook de berichten uit de wereld in gebundelde dagen binnen. Het voordeel is dat het lijkt alsof de tijd zich uitrekt in een lange geeuw; het nadeel is dat de ellende als een lawine omlaag buldert.

De staatsgreep op en de staatsgreep van Erdogan, de toespraken vol haat en wrok van Trump, de verdwaasde dictator die blijkbaar niet zal rusten tot hij de laatste Syriër vermoord heeft of het land heeft uitgejaagd, al die anonieme gekken die menen dat hun levens op films lijken en dat hun tijd gekomen is om bommen te laten ontploffen en geweren leeg te schieten, liefst op mensen die geloven dat ze zorgeloos zijn.

Vijftig jaar geleden hadden we een zomer van de liefde. Zullen we dit later de zomer van de waanzin noemen?

Waanzin en slaapwandelaars. Het waren woorden die zich steeds vaker in onze gesprekken nestelden. Het had ermee te maken dat we tijdens onze reis door Duitsland en Oostenrijk niet anders konden dan in voetsporen van waanzin uit het verleden treden. We zagen uitgestorven dieren in natuurhistorische musea – ook de reuzenvalk waarvan men wist dat het de laatste was toen men hem neerknuppelde - zigzagden over het terrein in Nürnberg waarop Hitler zijn aanhangers, troepen en uitzinnige fans toesprak en verklaarde dat Duitsland weer groot moest worden; dwaalden rond in het kasteel van de zotte koning Ludwig II dat zo’n 300 miljoen euro had gekost, dat nooit werd voltooid en waar hij slechts tien dagen verbleef.

Waanzin is de mens nooit vreemd geweest

Volgens de evolutionaire geneticus Svante Pääbo markeert het gen van de waanzin het onderscheid tussen deze mens en zijn voorganger, de Neandertaler. In het Max Planck Instituut in Leipzig heeft Pääbo er zijn levenswerk van gemaakt het genetische verschil tussen mens en Neandertaler te ontrafelen en de precieze mutatie te detecteren. Hij noemt het het gen van de waanzin, anderen hebben het over het gen van de creativiteit. Het heeft er zowel voor gezorgd dat we onze meest naaste soortgenoot uitmoordden als naar de maan vlogen en naar de bodem van de oceaan doken. Het heroïsche heeft altijd iets waanzinnigs.

Normaliteit en waanzin schuren soms vervaarlijk dicht tegen elkaar aan.

Ook het omgekeerde is waar. Normaliteit en waanzin schuren soms vervaarlijk dicht tegen elkaar aan.

In het dorpje aan de voet van de berg, Mallnitz was het feest. Vrouwen liepen er in traditionele jurken rond, mannen hadden zich in hun lederhosen gehesen, de plaatselijke jagers paradeerden als afgetrainde mannetjes met hun jachthonden aan de lijn, de fanfare speelde van Heimat en volksgevoel.

Zestig procent van deze mensen met blozende wangen, frisse pinten in de handen en kniesokken had tijdens de voorbije verkiezingen voor een extreemrechtse presidentskandidaat gestemd. We keken onze ogen uit in dit dorp dat bevroren leek in de tijd, we speurden ieder gelaat af, maar we zagen ze niet: de mensen met een andere huidskleur, een andere geloofsovertuiging of om het even wat dat hun onderscheidde. Of ze hadden zich goed verstopt, of ze waren er niet.

De buitenlanders die hier landden, waren toeristen voor wie Mallnitz hun zuurstofapparaat was: een aantal weken per jaar vulden ze hun stedelijke longen met zuivere berglucht. Mallnitz had nog een paar schaarse en wereldwijd zeldzame schatten te bieden. Bloemenweides, vlinders, arenden, gemzen, steenbokken. Wetenschappelijk omschreven als: een unieke biodiversiteit.

Paniek

Je zou denken dat mensen voor een groene kandidaat kiezen om ervoor te zorgen dat al die natuurlijke rijkdommen beschermd bleven, om te behouden wat er was, maar nee, de angst voor de vreemde, de wil om weg te houden wat er niet was, bleek een krachtigere drijfveer.

Waanzin is toch ook een beetje zien wat er niet is en niet zien wat er wel is?

Want dat was het meest bevreemdende aan al die bergdorpen die we passeerden. Er was angst voor iets wat buiten het gezichtsveld viel, maar de verandering die onder de ogen plaatsvond, met een onnatuurlijke snelheid omdat de natuur hier al duizenden jaren uitblinkt in traagheid, werd met een geruststellende ‘ach, ja’ weggewuifd.

De paniek over buitenlanders met slechte manieren was omgekeerd evenredig aan die over de verdwenen gletsjer.

Het zichtbare verdwijnen verhulde een onzichtbaar afsterven

Op de kaart die we bij ons droegen, stond hij nog, de gletsjer die zich over de kam van de Sauleck krulde. We waren stomverbaasd geweest door wat we zagen, daar bovenop die rotsachtige kantelen. Of beter: door wat we niet zagen: hij was weg, opgelost, gesmolten, verdwenen. Onder ons lag een gestolde rivier van puin en rotsblokken.

Je zou verwachten dat de mensen die opgroeiden met deze gletsjer zich zorgen zouden maken over zijn verdwijning, dat ze op z’n minst moeite zouden doen om hem op te sporen, te reanimeren, zeker omdat dit zichtbare verdwijnen een onzichtbaar afsterven verhulde: de permafrost, dat laagje altijd bevroren aarde, begon ook te schuiven.

Honderd procent sneeuwzeker

Zo vertelde een uitbater van een spiksplinternieuwe hut ons het verhaal van de nieuwbouw: het was simpel geweest, een nieuwe hut, of helemaal geen meer. De vorige dreigde van de berg te vallen omdat de grond waarop hij gebouwd was stilaan wegsmolt. Hij vond het prima, had hij gezegd, nu had hij de modernste hut uit de hele omgeving en kon hij zijn prijzen aanpassen.

Waanzin is ook de kracht jezelf wijs te maken dat verandering omkeerbaar is. Of dat wat je denkt dat nu is altijd zo zal zijn.

Ook de man die in de winter economisch afhankelijk was van de sneeuw had zijn schouders opgehaald over de verloren gletsjer. ‘Die groeit wel weer aan. Dat doen ze al eeuwen.’ Hij had ons een kaartje van zijn winterhut toegeschoven. ‘Honderd procent sneeuwzeker’, zei hij met even grote stelligheid.

Waanzin is ook de kracht jezelf wijs te maken dat verandering omkeerbaar is. Of dat wat je denkt dat nu is altijd zo zal zijn. De blik van de mens is weerbarstig.

In 1949 voerden twee psychologen in Harvard een eenvoudig experiment over perceptie uit. Ze toonden twee dozijn studenten speelkaarten, die ze moesten benoemen. De meeste kaarten waren gewone, echte speelkaarten. Maar er zaken ook een zes van rode schoppen tussen en een zwarte vier van harten. De meesten keken over die afwijkingen heen, anderen stamelden iets als ‘roestbruin’, ‘purper’ of ‘roestig zwart’ en een enkeling sloeg een hand voor de mond en zei met grote ogen: ‘Ik weet echt niet wat dit is.’ Een mens heeft het moeilijk met wisselende denkschema’s, met verschuivingen.

De waanzin is: we zitten midden in zo’n verschuiving en kunnen het maar beter onder ogen zien. Kennis brengt moraliteit en verantwoordelijkheid mee. Daarmee maak je in de menselijke geschiedenis het verschil, en misschien ook in een breder perspectief en tijdskader.

Er zijn ribbels in de bergen waarbij je je vinger op de geschiedenis van miljoenen jaren kan leggen.

Ooit zal alles wat we zogenaamd opgebouwd hebben tot geologisch gruis vermalen zijn, een verkleuring in de aardkorst van de aarde. Je vraagt je alleen af: hoe zullen we herdacht worden? Tot welke fossielen zullen we - en vooral ons afval - verstenen? Zullen we het bizarre, waanzinnige wezen zijn dat eerst de anderen uitroeide en dan zichzelf, of het wezen dat erin slaagde zichzelf heruit te vinden en die ander te redden van de ondergang?

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift