Het land van de Blootvoeters

© Brecht Goris

Geert Van Istendael

In het nieuwste nummer van Ons Erfdeel (februari 2019) valt mijn oog op een artikel van Hind Fraihi, Een vreemde op het eigen continent. Hind Fraihi staat bekend als een uitstekende en dappere onderzoeksjournaliste. Vijftien jaar geleden ging ze onder dekmantel na hoe het stond met moslimextremisme in Molenbeek. Haar onthutsende reportages kwamen in de krant en verschenen later in boekvorm (Undercover in Klein-Marokko: achter de gesloten deuren van de radicale islam). Hoon en verwijt ter linkerzijde werden haar deel. Ze zou de islamofobie aanwakkeren. Dat zeggen alleen lieden die iedere vorm van kritiek vrezen als de pest. Boosaardige onzin dus. Op de onzin van het woord islamofobie zelf weiger ik hier in te gaan (waarom dan ook niet katholikofobie? Of christianofobie? Of hindoefobie?).

Het nieuwe artikel van Hind Fraihi vind ik schitterend, al ben ik het niet op elk punt eens met haar. Dat is overigens een goede zaak, zulks kan alleen maar de discussie aanwakkeren en je aan het denken zetten over je eigen vooroordelen en blinde vlekken. Fraihi ontwaart wat ze noemt het terugplooien op identiteit toe bij extreemrechtse groepen en op fundamentalistische islamieten. Je kunt zeggen, ja zeg, dat wisten we allang.

‘ik word ik

als wij tegen zij zijn.’

Maar ze gaat verder, veel verder. Het originele is dat ze het terugplooien op identiteit ook aantreft bij mensen en groepen die zich graag progressief noemen. Zulke mensen maken geen politiek-economische analyse meer van het ons omgevende kapitalisme. Fraihi duidt identiteitspolitiek als een algemeen maatschappelijk verschijnsel dat solidariteit buiten de angstig bewaakte binnengroep blokkeert, solidariteit over de grenzen van sociale klassen heen. Ze heeft daar een weergaloos precieze formulering voor gevonden, waarvoor ik haar nog lang dankbaar zal blijven. Hind Fraihi schrijft: ik word ik als wij tegen zij zijn.

Men zegge het voort.

Mevrouw Fraihi, ik neem mijn hoed af.

Na lezing van dit gedachten opwoelende stuk, schoot het me te binnen dat ik nog ergens een verhaaltje had liggen, iets wat ik tot dusver niet openbaar heb willen maken, domweg omdat het nooit pas gaf. Ik zal het in mijn volgende boek schuiven. Maar u krijgt het vooraf te lezen.

Fabel? Parabel? Sprookje? Satire? Allegorie? Conte philosophique? Kies zelf maar. Misschien is het dat allemaal samen. Of iets totaal anders.

Er was eens een land waar de bewoners altijd op blote voeten liepen. Ze deden dat niet omdat ze te arm waren om kousen, schoenen, klompen, sandalen of laarzen te kopen. Integendeel, ze waren welgesteld, zeer welgesteld zelfs, ze hadden zich gemakkelijk een paar dure Italianen van Versace of zelfs met de hand gemaakt Engelsen van Church kunnen aanschaffen. Maar ze wilden niet.

Het land was niet groot en bijna niemand buiten de grenzen had er al van gehoord. Ze bleven graag onder elkaar, de blootvoeters, het wantrouwen tegen iedereen die volgens hen niet bij hun soort volk hoorde, zat diep. Zo verbazend is dat niet, want al die anderen droegen allemaal schoeisel. Hoe kun je nou iemand vertrouwen die zijn voeten bedekt houdt?

De straten en pleinen in dat landje waren kraaknet. De mensen schuierden, dweilden en schrobden dat het een lieve lust was, dag en nacht. Je kunt bij ons van de grond eten, was een van hun geliefde nationale spreuken. Toch wasten ze driemaal daags hun voeten. Bij voorkeur deden ze dat in grote groepen. Ze zaten dan op lange banken en keurden elkaars voeten. Ze wezen op ieder vuiltje dat ze bespeurden en dat waren er nogal wat, ondanks de nooit aflatende schoonmaakinspanning. Maar evenzeer hielpen ze elkaar met nagelknippen, eelt afschuren, zalfjes aansmeren en masseren. De zeldzame buitenlandse bezoekers raakten steevast ontroerd bij het zien van dat zorgzame collectieve prutsen aan elkaars hielen en likdoorns en tenen.

Op een dag gebeurde er iets dat in de annalen van het landje nog nooit was vermeld en die annalen waren toch zorgvuldig bijgehouden sinds onheuglijke tijden.

De tenen van de bewoners begonnen te groeien.

Knobbeltenen kregen de omvang van aardappelen, kromme tenen schoten uit tot getormenteerde takken, tenen die je vroeger lang zou hebben genoemd, snelden vooruit tot een veelvoud van de oorspronkelijke lengte. Steeds langer werden de tenen, er was geen houden aan, en ook de voeten breidden uit, de tenen achterna.

Niet dat de bewoners het erg vonden. Zodra de eerste verbazing was weggeëbd, begonnen ze de lengte van de tenen te vergelijken met die van hun buren. Hoe verder de tenen zich uitstrekten, hoe hoger de status van de trotse bezitter. Vijftien centimeter, dat was goed voor kneusjes.

De mensen begonnen ook hun tenen op te sieren. Aanvankelijk bleef het bij verven, alle tenen van één bezitter in één kleur, liefst een felle. Maar dra ontstonden bewegingen van mensen die elke afzonderlijke teen in een andere kleur wilden hebben. Er waren er die alle tinten blauw verkozen, anderen wensten alle tinten grijs, nog anderen eisten het recht op om alle kleuren van de regenboog te gebruiken.

Vervolgens kwamen de ringen. Vervolgens werden diamantjes ingeplant. Vervolgens verschenen tatoeages. Rijke mensen met een wat kort teentype, kochten de langste tenen van arme mensen, die tegen een riante vergoeding hun fraai ontwikkelde grote teen zonder bezwaren lieten amputeren. De handel in kunsttenen bloeide. Ten slotte verenigden de bezitters van de kortste tenen zich in een bond en verklaarden plechtig dat zij zich als groep beledigd voelden. Een beetje respect, dat is wel het minste, betoogden zij. Wij zijn een volwaardige en bovendien nog autochtone minderheid.

Heisa begon zich te verspreiden door het eens zo vredige staatje. En was nog maar bij die eerste herrie gebleven.

Ik zei daarnet dat het land niet zo groot was. Ik vergat er aan toe te voegen dat het ook nogal dicht bevolkt was. Echter, de tenen bleven aangroeien. Het duurde niet lang of de mensen begonnen elkaar op de tenen te trappen. Niet alleen de bond der kortteners stelde zijn eisen, iedere soort teen, de rechte en de kromme, de dikke en de dunne, de knobbelige en de gave, iedere soort teen vond wel een groepje soortgenoten om een eigen bond te stichten en luidkeels de zwaar geschonden rechten te verdedigen van blauwe, rode of gouden tenen. Iedere teensoort voelde zich beledigd. Gekwetst. Achtergesteld. Onderdrukt door alle anderen. Iedere teengemeenschap noemde zich het slachtoffer van de andere. Andere tenen waren altijd onderdrukkers. De geglobaliseerde tenen, een kleine, maar welbespraakte minderheid, vonden dat de gouden tenen onduldbare voorrechten genoten. The golden toe’s privilege, noemden ze het. Dat waren ze verplicht aan hun globalisering. Tevens vonden de geglobaliseerden dat je je niets van andere tenen mocht toe-eigenen. De bevoorrechten mochten niet de nagelschaartjes of de puimsteentjes gebruiken die eigenlijk ooit bedoeld waren voor tenen zonder voorrechten. Met die nagelschaartjes duwden ze de anderen nog dieper weg in het uitzichtloze slachtofferschap.

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws
Welke teen exact welke teen discrimineerde, was niet meteen duidelijk. Tegennatuurlijke bondgenootschappen ontstonden, bijvoorbeeld tussen de gouden en de rode tenen. Het parool leek wel te luiden: iedereen heeft recht op eigen belediging. Ja, een tenengroep die niet overladen werd met beledigingen, die voelde zich pas echt het slachtoffer.

Het krakeel kletterde steeds luider. Iedereen beschuldigde iedereen. Niemand luisterde nog naar iemand. Iedereen stond te krijsen. Maar luister dan toch eens naar mij! Zie je niet het vreselijke onrecht dat mij wordt aangedaan? Het moet nu maar eens afgelopen zijn! Jij trapt al tijden op mijn zere tenen! Je denkt toch niet dat je het recht hebt op mijn tenen te gaan staan? Weg met je zware tenen van mijn kwetsbare teentjes!

Waar was de aloude nationale trots van dit dappere landje gevaren? De saamhorigheid? Waarheen was de gedachte verzwonden dat iedere blote voet de verdomde plicht had iedere andere blote voet door dik en dun te verdedigen? Waar vond je nog de veel geroemde solidariteit van alle blootvoeters samen? De broederlijkheid? De gelijkheid?

De verwarring steeg ten top. Iedereen spande processen wegens smaad aan tegen iedereen. In de rechtbanken stapelden de onbehandelde zaken zich op. Rechters, advocaten en griffiers scholden elkaar verrot. In kranten, blogs en webstekken las je alleen nog maar dat. De herrie wakkerde aan tot orkaankracht.

Heel in de verte kon je een geluid horen dat de bewoners van het eens zo eendrachtige landje niet kenden. Daarom besteedde niemand er aandacht aan. Iedereen had het te druk met het uitschreeuwen van zijn slachtofferpijn.

Het was het klepperen van duizenden en duizenden versleten schoenzolen. En nog verder weg, de tred van laarzen. Ze kwamen nader. Steeds nader.

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Schrijver & voormalig journalist

    Geert van Istendael (°Ukkel, 1947) studeerde sociologie en wijsbegeerte. Hij werkte bij het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek, over ruimtelijke ordening.