Het Minder van Wilders: bres in de dijk van de democratie

Minder, minder, de Haagse volksvergadering bleef dat ene woordje scanderen. Geert Wilders stelde drie vragen: Willen jullie meer of minder Europese Unie? Meer of minder PvdA? En dan: Willen jullie in deze stad en in Nederland meer of minder Marokkanen? Er leek geen eind te komen aan het enthousiaste koor van minder, minder. Wilders’ antwoord: ‘Dan gaan we dat regelen’.

  • © Brecht Goris Geert Van Istendael © Brecht Goris

Verontwaardiging overspoelde de polder. Het leek of Wilders een dijk had doorgestoken, zowat de zwaarste misdaad die je kunt begaan in een land waarvan een flink deel zich onder de zeespiegel bevindt.

Wilders had de bui zien hangen. De vraag zoals ik ze hierboven weergeef, was langer. Hij voegde een kwalificatie tussen begin en einde in: en eigenlijk mag ik het niet zeggen, want er wordt aangifte tegen je gedaan.

Hij heeft daar ervaring mee. Zijn tegenstanders hebben hem voor de rechter gesleept wegens zijn woorden. Wilders heeft dat proces gewonnen. Glansrijk gewonnen, het is niet te veel gezegd. Ik had niets anders verwacht. Nederland is uitgevonden om de vrijheid van meningsuiting te vrijwaren.

Meer dan honderdduizend Vlamingen, Brabanders en ook Walen zijn eind zestiende eeuw naar Nederland geëmigreerd omdat ze hun afwijkende mening, of noem het hun afwijkend geloof, niet wilden opgeven. Sinds de zeventiende eeuw is Nederland de vrijheid van meningsuiting het belangrijkste goed. Na de dijken dan.

VanTelegraaf tot Volkskrant, over de hele bandbreedte van links tot rechts, wendde de Nederlandse pers zich walgend af van Wilders’ woorden. Het spreekt dus vanzelf dat iemand als Rob Wijnberg, de uitvinder van De Correspondent, een voortreffelijke digitale krant, Wilders’ uitspraak streng veroordeelde. Maar evenzeer erkende Wijnberg, zelfs in dit extreme geval, Wilders’ recht op vrije meningsuiting.

Ik ben het tweevoudig met Wijnberg eens. Wilders valt hier één etnische groep aan. Hij heeft dat al een keer eerder gedaan (met zijn verwerpelijke Polenmeldpunt), maar voor het overige richtte hij zijn vlijmscherpe aanvallen enkel tegen een godsdienst en dat is iets van een andere categorie.

Parenthesis

Diegenen die kritiek op een godsdienst binnen het begrip racisme willen onderbrengen, vernietigen zodoende alle betekenis van dat begrip. De zogezegde islamofobie doet niets anders dan de traditie voortzetten van het antiklerikalisme. Dat laatste kon en kan behoorlijk virulent zijn, sinds de negentiende eeuw hebben conservatieve katholieken niet opgehouden het van de kerktorens schreeuwen, maar met racisme heeft het geen bal te maken. Wie zou het in zijn hoofd halen een ouderwetse antiklerikaal bijvoorbeeld een anti-Poolse racist te noemen?

Overigens, islamofobie, wat is dat voor een bizarre constructie? Ooit het woord katholikofobie gezien? Of christianofobie? Lieden die nog maar enkele jaren geleden elke dag bij hun ochtendboterham met smaak een pastoor vraten, dulden vandaag de dag geen kruimel kritiek op de islam, zelfs niet op de meest obscurantistische interpretaties ervan. Islamofobie, roepen ze.

Nee, doe mij dan maar een portie vrijzinnige voorvaderen. Van het bijtend zuur dat zij naar de Kerk van Rome slingerden, zou zelfs iemand als Wilders nog wat kunnen leren. Bijvoorbeeld dit strijdlied uit de negentiende eeuw, op de wijze van De Vlaamse Leeuw:

Hoort, Rome smeedt ons ketens,
voor ’t lijf en voor de ziel!
Het zwart gespuis zal ’t mensdom
verplett’ren met den hiel!

Dan, Geuzen, dan te wapen,
de vrijheidsvlag in d’hand!
Van ’t ongediert’ der papen,
verlost ons  vaderland!

Schelden op religie, allicht is het niet fraai, soms wend je je kokhalzend af, maar het moet mogen. Op élke religie. Vrijheid van meningsuiting geldt in de eerste plaats de mening die mij niet bevalt, die ik verwerp, tot en met de mening die ik stuitend vind. Wij moeten die verdragen (én weerleggen én bestrijden). Al het andere is een onduldbare inperking van de vrijheid van meningsuiting en dat kan een democratie zich niet permitteren.  

Einde parenthesis.

Terug naar Wilders.

Kaaskop Mohammed

Wilders heeft daar in Den Haag een dreigende bres geslagen in de dijk van de democratie. Hij valt frontaal de Marokkanen aan.

Je afkomst plakt aan je ribben. Voorgoed. Zoals je vel. Godsdienst is iets anders. Van je godsdienst kun je afvallen, zelfs van de islam, ook al doen fanatieke zeloten daar dreigend over. Maar niet van je Marokkaanse (of Turkse, of voor mijn part Ierse of Deense, of zal ik hier even de mijne noemen, Engelse, Duitse, Franse) voorouders. Nooit.

Wacht een moment.

Valt Wilders de Marokkanen aan?

Dan toch de Marokkanen in Nederland.

Wacht te tweeden male.

Nee, nee, nee. Wilders heeft hier een deel van zijn medeburgers aangevallen. Want wat hij en zijn joelende volksvergadering Marokkanen noemen, dat zijn Nederlanders. Doodgewoon kaaskoppen, al heten ze niet Jan maar Mohammed. Nederlandse staatsburgers die misschien toevallig een tante hebben uit Rabat.

Zoiets gaat er bij mij niet in.

Oude Pekela buiten!

Ik vind dat Wilders vaak op oneigenlijke gronden is aangevallen, vaak door mensen die zich niet eens de moeite hadden getroost zijn politieke programma even te lezen (dat, sociaal-economisch althans, op sommige punten stukken linkser is dan het programma van de Nederlandse PvdA).

La promptitude à croire le mal sans l’avoir assez examiné est un effet de l’orgueil et de la paresse, schreef La Rochefoucauld nu bijna vierhonderd jaar geleden (Maxime 267).  In mijn vertaling: De haast om het kwade te geloven zonder het terdege onderzocht te hebben, is een gevolg van hoogmoed en luiheid. Die luiheid en hoogmoed stel ik vandaag helaas, driewerf helaas, al te vaak vast ter linkerzijde. Daarnaast vond ik en blijf ik vinden dat Signor Bleekwater uit Venlo het recht heeft op vrije meningsuiting, al wil ik niet ontkennen dat het mij soms moeite kost. Maar ondanks alles: ook Wilders, ook daar in Den Haag.   

Dat alles in ogenschouw genomen, wat hij in Den Haag heeft gezegd slaat nergens op.  Minder Marokkanen betekent in bijna alle gevallen: minder Nederlanders van één bevolkingscategorie. Je zou net zo goed kunnen zeggen, minder Zeeuwen, minder Utrechters, minder Gooilanders. Smijt heel Oude Pekela buiten. Of de volledige burgerij van Tietjerksteradeel.

Lijsten

En die ene sardonische zin, dan gaan we dat regelen, behoort tot het rijk der fabelen –  iemand als Wilders hoort dat te weten. Je kúnt nu eenmaal Nederlandse staatsburgers, of ze nou Hafid Bouazza heten of Jaap de Vries, niet het land uitzetten. 

Ofschoon. In een ander land, in een andere tijd, behoorde zoiets niet tot het rijk der fabelen. Ik wil mijn hand niet overspelen, maar evenmin weiger ik mijn (geringe) kennis van het verleden te vergeten.

Op 14 juli 1933 verklaarde de nazi’s een eerste reeks Duitse staatsburgers der deutschen Staatsangehörigkeit für verlustig, zeg maar dat ze hun Duitse staatsburgerschap verloren. Ze zouden zogezegd door hun gedrag tekort zijn gekomen aan de plicht tot trouw ten opzichte van rijk en volk en zodoende de Duitse belangen hebben geschaad. Er zijn nog veel dergelijke lijsten gevolgd.

In de eerste reeks Duitse staatsburgers die hun nationaliteit verloren, tref je namen aan als  de schrijvers Bertolt Brecht en Walter Mehring, Erika Mann (dochter van Thomas), Erich Ollenhauer (die na de Bevrijding de SPD zou gaan leiden) en vele anderen. Wie nu zou denken, het waren allemaal joden of communisten, vergist zich deerlijk. Mehring en een paar anderen waren joods, ja. Maar Brecht? En de rest? Er stond onder meer een lid van de oude Duitse adel bij (Dietrich Freiherr von Zedlitz-Neukirch). Nee, die lijst was, uit staatsrechterlijk en menselijk oogpunt bekeken, totaal en totalitair willekeurig. Het nazi-principe was van een primitieve eenvoud: we motten je niet, dus gooien we je eruit.

Ik kan mij eigenlijk nauwelijks voorstellen dat Geert Wilders, die uitgesproken filosemiet en fervent verdediger van holebi-rechten, zich verlaagt tot de praktijken van een bewind dat een heel land opzweepte om álle joden en álle holebi’s op de meest wreedaardige manier te vermoorden.

Rif, Rijmenam of Rijnland

De Nederlandse kiezer heeft hem bij de gemeenteraadsverkiezingen de volgende dag nauwelijks terecht gewezen. Je kunt aanvoeren: zijn partij kwam ook nauwelijks op. We zullen zien wat gebeurt op 25 mei. Ik verwacht, en ik ben niet de enige, een triomf voor Wilders. Daar zijn allerlei ingewikkelde en historische redenen voor aan te voeren, ik wil er volgende keer op ingaan. Maar als de Nederlanders massaal zouden stemmen voor iemand die zomaar, natte vinger in de lucht, een willekeurig aantal van hun medeburgers buiten wil gooien, wat moet ik dan doen met mijn oprechte hunkering naar de lieflijkheid van lucht en land / Van Hollands vrije kust (Jan Campert, Het lied der achttien doden)?

Want of je grootje nou afkomstig is van de Rif of van Rijmenam of van het Rijnland (dat derde geval is het mijne), je bent mijn medeburger, lastig, onuitstaanbaar, vriendelijk, onverschillig, het doet er allemaal niet toe: medeburger ben je en zo zullen jij en ik zich moeten gedragen in our dear old bag of a democracy (W.H. Auden, Vespers).

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2388  proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Schrijver & voormalig journalist

    Geert van Istendael (°Ukkel, 1947) studeerde sociologie en wijsbegeerte. Hij werkte bij het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek, over ruimtelijke ordening.