Waarom de Griekse dichter Homeros nog steeds van deze tijd is

‘De wijsheid van het compromis. Zijn we die niet in hoog tempo aan het vergeten?’ Geert Van Istendael haalt de Griekse dichter Homeros van onder het stof.    

  • © Brecht Goris © Brecht Goris

Geen gepeinzen over meneer Troef deze keer. Hij zal komende maand genoeg bokkensprongen vertonen. Ik slijp mijn potloden al voor einde maart.

Plaats voor iets volslagen wereldvreemds nu: een gedicht dat bijna drieduizend jaar oud is.

Zelfs de knapste taalkundigen en historici weten niet precies wanneer het ontstond. Meestal lees je even geleerde als voorzichtige beschouwingen die tasten naar achthonderd jaar voor Christus.

Wie was de dichter?

Was er wel één dichter? Ook daarover uiten de meeste deskundigen zich terughoudend. Toch klinkt één naam en die naam is beroemd, je mag rustig zeggen, wereldberoemd: Homeros. Het is bijvoorbeeld geen toeval dat de grote Antillaanse dichter Derek Walcott, Nobelprijs 1992, zijn indrukwekkende epos (meer dan 300 bladzijden verzen) over Caribische vissers Omeros heeft genoemd. Het is een geniaal voorbeeld van culturele toe-eigening. Cultuur zonder toe-eigening bestaat trouwens niet. Lang leve de schaamteloze mengelmoes. Maar dat terzijde.

Homeros dus. De blinde dichter. Blinde dichter!?! Zo wil het de overlevering. Nauwkeuriger is het te zeggen, de blinde zanger, want gedichten werden eeuwen lang gezongen. Nu nog. Denk aan Bob Dylan. Pas een paar eeuwen na de veronderstelde Homeros schreven iets minder oude Grieken de versregels op. En eeuwen lang werden ze gelezen, bestudeerd, ontleed, nagebootst, vertaald, bewonderd, zelden verguisd.

Dat is niet niks als je bedenkt dat Homeros alles samen meer van 25.000 verzen bij elkaar overleverde, in twee heldendichten: de Ilias, over de oorlog tegen Troje, en de Odyssee, over de avonturen en de zwerftochten van de Griekse oorlogsheld Odysseus, de man van vele listen, ná de oorlog tegen Troje en over zijn behouden (nou ja) thuiskomst. 

Klik nou niet meteen geërgerd naar een andere provincie van het wereldwijde web

Ik wil het hier hebben over het tweede heldendicht ofte epos, de Odyssee. Klik nou niet meteen geërgerd naar een andere provincie van het wereldwijde web, dit is geen erudiet en dus verwerpelijk elitair verhaal over een grijs en dus stomvervelend verleden.

De Odyssee gaat over nu.

De Odyssee gaat over u. 

Begin februari heeft Michael De Cock, de intendant van de Koninklijke Vlaamse Schouwburg in Brussel, alle twaalfduizend verzen laten opzeggen – beter gezegd, laten acteren - in zijn grote theaterzaal. Hij had daarvoor meer dan dertig acteurs en drie dagen nodig. De eerste dag begon om acht uur ’s avonds, de tweede om vier uur ’s namiddags en de derde om elf uur ’s morgens. Telkens liep het door tot middernacht en later.

Ik ben naar veel – niet alles – gegaan en heb, toch enigszins tot mijn verbazing, vastgesteld dat de zaal behoorlijk vol zat, tot diep in de nacht.

Waarom, in godsnaam, waarom doet zo’n intendant dat? Hij is nog niet zo heel erg lang de baas van de KVS. Wil hij er soms al weg? Ik denk het niet, ik denk zelfs het tegendeel.

Waarom dus.

De eerste reden ligt voor de hand. Bij Athenaeum-Polak & Van Gennep in Amsterdam is een nieuwe vertaling van de Odyssee verschenen. De vertaler heet Patrick Lateur, wat betekent dat hier werk van zeer grote kwaliteit wordt geleverd. Lateur, een Vlaming trouwens, had het al eerder bewezen bij andere dichters uit de oudheid, overvloedig bewezen. De zaal raakte helemaal in de ban van de antieke verzen.

Lateur heeft geen modieuze moderniseringen binnengesmokkeld, volstrekt niet. Zijn taal is tegelijk soepel en stevig, blijft trouw aan het oude en verspert toch de toegang tot de Homerische wonderwereld niet. Hij kan dat als weinig anderen. Zijn werkwijze is even eenvoudig als gesofisticeerd. Hij gebruikt niet de oorspronkelijke versvorm (voor wie het interesseert, de dactylische hexámeter, Wikipedia verschaft uitvoerig uitleg). Lateur gebruikt de jambische vijfvoeter, dat is vijf keer onbeklemtoond, afgewisseld met vijf keer beklemtoond en eventueel een onbeklemtoonde aan het eind. Klinkt dat veel te technisch? Maar nee, het is papgemakkelijk. Die versvorm zit als het ware in onze spreektaal verankerd. Ik geef drie kleine voorbeelden (niet uit de Odyssee):

Ik moet nog even sigaretten halen.

Hij las de krant en dronk een kopje thee.

Er waren meisjes van Maria Boodschap.

Ziet u, u kunt er zelf zoveel bij verzinnen als u maar wilt. En wat de laatste regel betreft, die grieten zaten echt in de zaal en ze waren enthousiast.

Michael De Cock gebruikt zelf de woorden tempel van taal, hij heeft overschot van gelijk, maar er is een hoop meer aan de hand en dat is, denk ik toch, de hoofdreden waarom hij deze gewaagde onderneming wilde en durfde. Want hele zangen uit de Odyssee gaan over vandaag en over ons, scherper, over de schande van ons Europeanen. Gelooft men mij niet daar op de achterste banken? Kijk maar uit.

Het halve epos door zwalpen kleine bootjes over de Middellands Zee, tussen het huidige Turkije, de Italiaanse laars, tot bij Noord-Afrika en natuurlijk Griekenland. Die bootjes zijn uiterst breekbaar. In de Odyssee wordt de ene schipbreuk na de andere geleden. Tientallen scheepslui verdrinken jammerlijk in de woeste baren. Soms kunnen ze zich vastklampen aan wrakhout en zwalpen ze hulpeloos over de kokende golven tot de zee hen uitspuwt op een of ander onherbergzaam strand.  Het hele deel zwerftochten gaat hoofdzakelijk over kapseizen, zwemmen en verzuipen.

Als eilandbewoners de gehavende Odysseus en zijn even gehavende matrozen vinden, wat doen ze dan?

Kan het actueler?

Als eilandbewoners de gehavende Odysseus en zijn even gehavende matrozen vinden, wat doen ze dan?

Ze vragen niets. Ze geven de onbekende, anonieme mannen een warm bad, ze geven hun kleren, ze bereiden hun een uitvoerige maaltijd en pas dan komt de vraag: zeg, vertel nu eens, wie zijn jullie eigenlijk? Gastvrijheid is een haast als refrein weerkerend thema in de Odyssee. Dat staat in krasse tegenstelling tot de bij ons om zich heen grijpende xenofobie (de vrees voor de xenos, de vreemdeling). In de Odyssee overheerst juist de filoxenia (de vriendschap of vriendelijkheid voor de vreemdeling). De oppermachtige oppergod Zeus is (naast vele andere bevoegdheden) de god van de gastvrijheid. Filoxenia is dus een religieus gebod.

Kan het actueler?

Nog iets in dat verband.

Als Odysseus en zijn makkers eens een keer niet met zorg en vriendschap worden ontvangen, bijvoorbeeld bij de Laestrygonen of bij de cyclopen, dan zijn zij die hen bedreigen of vermoorden en zelfs opvreten zonder mankeren brute barbaren. Homeros’ beschrijvingen zijn uiterst efficiënt en laten geen ruimte voor twijfel.

Kan het kritischer? Voor ons? Vandaag?

Algemeen wordt aangenomen dat Homeros’ poëzie een van de grondslagen is van onze beschaving. Er zijn er zelfs die zich afvragen of je na Homeros nog wel iets van betekenis kunt schrijven.

Welnu, dat onderdeel van de basis van onze beschaving druipt van bloed. Moord en doodslag zijn, zeker in de laatste zangen, alomtegenwoordig. Homeros mag dan al blind zijn geweest, zijn verhalen over kerven en sterven konden niet gruwelijker zijn.

Is onze beschaving een heilige tempel?

Dan rijzen de zuilen op uit plassen mensenbloed.

Maar dan is er die laatste zang.

De toeschouwer begint wat te suffen. Het loopt ook tegen middernacht. Weer dat geweld. Weer moet Odysseus op de vlucht en hij was nou eindelijk thuis gekomen. Echter, helemaal aan het eind, het zijn echt de ultieme versregels, geeft Homeros het verhaal een totaal onverwachte draai. Het is zeker geen apotheose. Is het een anticlimax dan? Dat zou ik niet zeggen. De Odyssee eindigt met een compromis tussen strijdende partijen.

Ik ken niet genoeg de grote epen uit bv. het Hindoeïsme, de Ramayana en de Mahabharata, of die uit andere beschavingen, om te weten of ook zij een plaats inruimen voor compromissen. Het klinkt zo weinig, nou, episch. Zo weinig heldhaftig. Toch schrijft Homeros juist dát.  Bijgevolg vormt ook dit, ten minste ten dele, een grondslag voor onze beschaving.

De wijsheid van het compromis. Zijn we die niet in hoog tempo aan het vergeten?        

U merkt het, ouwe Homeros is werkelijk een dichter voor onze tijd. Meer dan veel hedendaagse dichters.

U kunt nog altijd gaan luisteren of zelfs mee lezen.

Lezen: op 7 en 14 maart, in de KVS, Brussel. Luisteren: er is de opvoering in Gent (NTG) van 16 tot 18 maart. Maar er is ook de marathon in de KVS, van vrijdag 24 maart om 19:00 tot zaterdag 25 maart om 20:20. Ja, ja, de hele nacht door en de godganse zaterdag. U zult er geen spijt van hebben.  

En ten slotte: 

Griekenland, heb dank voor Homeros.

Europa behandelt je smeriger dan smerig. Al tijden. Nu opnieuw.

Trapt Europa zijn eigen beschaving niet weg?

In naam van de schraapzucht?

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Schrijver & voormalig journalist

    Geert van Istendael (°Ukkel, 1947) studeerde sociologie en wijsbegeerte. Hij werkte bij het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek, over ruimtelijke ordening.