Naar een nieuwe regulering die de ontketende markten weer wat beschaving bijbrengt

Kan onze hyperindividualistische samenleving het collectieve belang herontdekken?

© Brecht Goris

Geert Van Istendael: ‘Dat we het nu eindelijk eens tot ons laten doordringen hoe teneerdrukkend en zelfs vernietigend armoede kan zijn.’

Het algemeen belang lijkt hopeloos ouderwets, vooral voor mensen die zich graag progressief noemen, schrijft MO*columnist Geert Van Istendael. Maar hij hoopt stilletjes dat er een nieuw paradigma aankomt. ‘Dat we de heilzame regelende rol van de staat opnieuw aanvaarden. Dat we het nu eindelijk eens tot ons laten doordringen hoe teneerdrukkend en zelfs vernietigend armoede kan zijn.’

Vier jaar geleden verscheen in Duitsland een dik en zeer geleerd boek.

Zeer geleerd: de auteur, prof. dr. Andreas Reckwitz, is hoogleraar algemene sociologie en cultuursociologie aan de gerenommeerde Humboldt-universiteit in Berlijn. Dik: vierhonderdtachtig bladzijden en er staan geen prentjes in. Wel veel voetnoten. De bibliografie beslaat niet minder dan zesentwintig bladzijden, kleine druk.

Het boek verwierf vrijwel onmiddellijk een soort cultstatus, wat je toch opmerkelijk kunt noemen voor bijna vijfhonderd bladzijden sociologische theorie van het zuiverste water. In 2017 stond het op nummer één van de lijst der beste Sachbücher. Dat wil zeggen non-fictie, maar ik vind “zaakboek” een prachtig woord. In 2018 kreeg het de prijs van de boekenbeurs in Leipzig, hoger kun je haast niet vallen in het Duitse taalgebied.

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws

Nu de titel: Die Gesellschaft der Singularitäten, de maatschappij der singulariteiten. Het boek is bij mijn weten niet in het Nederlandse vertaald, wel in het Frans en het Engels (voor wie geen Duits leest: La société des singularités, The society of singularities, nogal voorspelbaar).

Mijn dikke van Dale leert me dat het Nederlandse woord singulariteit zonderlingheid betekent en ook vreemdheid en vervolgens zijn er nog natuurkundige, wiskundige en weerkundige betekenissen, maar over die gaat het hier niet. Reckwitz geeft aan het woord Singularität een zeer, wel ja, singuliere betekenis.

Hoe moeten we die singulariteit dan begrijpen?

De logica van het bijzondere

Misschien kunnen we iets leren uit de titel van de inleiding en de uitleiding: de explosie van het bijzondere / de crisis van het algemene, het tweede met vraagteken, hoewel hij zelf in zijn laatste kapittel dat vraagteken nogal krachtig ontkracht.

Het welvarendste en hoogopgeleide derde deel van westerse maatschappijen heeft de afgelopen veertig jaar een omwenteling meegemaakt, stelt Reckwitz. Het leven in al zijn facetten is steeds meer gaan draaien om het bijzondere, het afzonderlijke, het anders dan de andere.

Het moet allemaal eigen zijn, onverwisselbaar, maar toch ook kosmopolitisch en boven alles authentiek.

Woonoord, behuizing, architectuur, kledij, culturele belevenissen, kijkgedrag, eten, scholen, vakantiebestemmingen, het soort werk, politieke opvattingen, het moet allemaal eigen zijn, onverwisselbaar, maar toch ook kosmopolitisch en boven alles authentiek. De sociale logica van het bijzondere triomfeert.

Sociale logica, inderdaad, want de hoogopgeleiden beloeren en beoordelen elkaar voortdurend op al die punten. In deftig sociologenjargon noem je zoiets sociale verwachting (of controle). Het gevolg is dat ze zichzelf voortdurend willen laten zien. Ze voeren zichzelf voortdurend op.

Reckwitz gebruikt herhaaldelijk het werkwoord kuratieren, ze zijn als het ware de curators van zichzelf geworden en curators organiseren tentoonstellingen, nietwaar? Dat alles wordt op de spits gedreven door de sociale media, waar een niet aflatende strijd om zichtbaarheid woedt, een genadeloze profileringsdrang. Reckwitz laat het woord attractiviteitsmarkt vallen.

Onthoud het woord markt.

De andere twee derde

U kunt nu opmerken, alles goed en wel, maar dit betreft slechts één op drie mensen in ons soort samenlevingen. Wat met de rest? Met de (ruime) meerderheid?

Wellicht besteedt Reckwitz wat te weinig aandacht aan die twee derde, maar onvermeld laat hij ze zeker niet.

Enerzijds is er wat rest van de oude, brede middenklasse. Al geruime tijd is het een krimpende groep, waarvan sommige leden opgezogen worden door het welvarendste segment, en anderen dreigen af te zakken naar het slechtst betaalde, slechtst opgeleide segment.

Anderzijds is er die slechtst betaalde, slechtst opgeleide groep, de groep die de afgelopen veertig jaar systematisch verliezen heeft moeten incasseren: verlies van werk, verlies van inkomsten, verlies van aanzien. Hier wordt het woord polarisering belangrijk.

De leden van de hedendaagse onderklasse zullen nooit de vereiste hogere diploma’s halen. De hedendaagse onderklasse werkt in laag gekwalificeerde beroepen of moet zich behelpen met smalle uitkeringen. Die mensen kunnen het zich nooit permitteren te wonen in betere buurten en zelfs steeds minder in een doorsnee buurt.

De hyperculturele bovenklasse, hoe progressief zij zich ook mag vinden, verspreidt een hoogst onwelriekende geur van minachting zodra het om de onderklasse gaat.

In landen als Duitsland of Frankrijk zijn hele steden en streken onbetaalbaar geworden, terwijl andere steden en streken hun allerelementairste basisvoorzieningen zien afbrokkelen. Daar komt nog bij dat de hyperculturele bovenklasse, hoe links liberaal, hoe ruimdenkend, hoe progressief zij zichzelf ook mag vinden, een hoogst onwelriekende geur van minachting verspreidt zodra het gaat om de onderklasse, haar gewoonten, haar opvattingen, haar cultuur. Dat van die geur is mijn toevoeging.

Polarisering verscherpt nog omdat singularisering ieder besef van algemeen belang heeft weggeveegd. Algemeen belang lijkt hopeloos ouderwets, uit de tijd, achterhaald, ook, misschien zelfs vooral voor mensen die zich graag progressief noemen. Er blijft nauwelijks een notie over van dingen die iedereen aangaan, die iedereen het verdedigen waard vindt. Het moet zijn bleef en leek – keizerin Corona heeft ons samenleven woest door elkaar geschud, maar dat kon Reckwitz in 2017, toen zijn boek verscheen, niet weten.

De succesformule

Het wegvallen van de zin voor algemeen belang, dit wil zeggen, belang dat gedeeld wordt van hoog tot laag, heeft, denk ik, zware politieke gevolgen. Al jaren zien we hoe de grote, oude volkspartijen verkiezing na verkiezing afkalven. Volgens de klassieke analyse komt dat omdat zij ideologieën vertegenwoordigen die stammen uit de negentiende eeuw.

Ik denk veeleer dat die partijen, christendemocraten, liberalen, sociaaldemocraten, elk met lichtjes andere accenten, van centrumlinks via centrum naar centrumrechts, opkwamen voor een idee van een door alle burgers in grote mate gedeeld belang. Dat idee leek dus op sterven na dood – althans, tot voor kort.

Wij zijn zo individualistisch geworden dat we alle denkbare, min of meer traditionele structuren zijn gaan beschouwen als ergerlijke hinderpalen op onze weg naar de vrijheid. Wij zijn trots op onze eigenzinnigheid. Wij willen zelfexpressie. Wij eisen onze hoogsteigen, onverwisselbare identiteit op. Wij willen onszelf optimeren.

Voeg daaraan toe dat in onze welvarende maatschappijen een groot deel van de mensen het steeds minder breed krijgt (economisch) en zich steeds meer afzet tegen een bovenlaag die op hen neerkijkt (cultureel) en je hebt een succesformule voor populistische partijen met een zeer rechtse ideologie en een flink links sociaaleconomisch programma.

Lees het programma van het Franse Rassemblement National of van Geert Wilders’ PVV. De PVV bijvoorbeeld wil een hoger minimumloon, minder flexibilisering van de arbeidsmarkt, pensioen na veertig jaar voor zware beroepen, geen aantasting van de ontslagvergoeding, enz. (Partij voor de Vrijheid, Het gaat om u, verkiezingsprogramma 2021-2025, blz. 25). Denk natuurlijk ook aan ons eigen Vlaams Belang.

Twee paradigmata

Een paar jaar nadat zijn boek furore had gemaakt, schreef Reckwitz een uitgebreid stuk in het weekblad Die Zeit (Ein Ordnungsruf, jaargang 2019, nr. 47). Het is ongemeen verhelderend. Reckwitz stelt niet alleen dat je er goed aan doet de tegenstelling links-rechts achterwege te laten, hij geeft ook aan waarom.

Volgens hem hebben we sinds de Bevrijding in 1945 twee paradigmata meegemaakt. Je had de regulering en vervolgens de deregulering. Beide hebben ze een economische en een culturele kant.

Economische regulering betekent: de welvaartsstaat met werk voor (bijna) allen en herverdeling door middel van een stevige sociale zekerheid. Reckwitz gebruikt onder meer de woorden Keynesiaanse economische sturing.

Culturele regulering betekent: een vrij sterk conformisme, maar ook bijvoorbeeld steeds hogere opleiding voor steeds meer mensen, dit wil zeggen, democratisering van het onderwijs.

Even toegepast op mezelf: in mijn laatste jaar middelbare school (1965) waren bij de eerste drie van de klas twee arbeiderszonen (gemengde scholen had je toen nog niet). In de andere klas was de eerste de zoon van een kleine bediende. Zij zijn dokter geworden en ingenieur. En zij waren geen uitzonderingen.

We hebben het vaak over neoliberalisme, maar ik vind deregulering nauwkeuriger.

Het reguleringsmodel heeft de jaren zeventig van vorige eeuw niet overleefd. Het culturele deel schudde op zijn grondvesten in het wonderjaar 1968. Kreten als L’imagination au pouvoir en Interdit d’interdire galmden door de Parijse boulevards en het hele gewoel bleef echt niet beperkt tot Frankrijk. In Nederland hadden we al enkele jaren eerder provo zien uitbarsten. In België kreeg het heersende conformisme van de bourgeoisie francophone en de katholieke kerk een lelijke knauw.

Economische deregulering kwam net iets later, vooral nadat Margaret Thatcher Brits eerste minister was geworden (1979-1990) en Ronald Reagan president van de Verenigde Staten (1981-1989). Sinds die tijd zijn we deregulering gaan vereenzelvigen met de economische sfeer – privatisering, ontmanteling van het staatsapparaat, globalisering, concurrentie, markt, we kennen de begrippen maar al te goed. We hebben het vaak over neoliberalisme, maar ik vind deregulering nauwkeuriger.

Twee opmerkingen hierbij.

Eén.

Reckwitz wijst er terecht op dat leidende sociaaldemocratische figuren als Blair of Schröder enthousiast meegingen in de dereguleringsretoriek en er hun beleid naar oriënteerden.

Twee, en dit punt vind ik zowel verrassend als provocerend, denk even terug aan het woord markt.

Neoliberalisme en cultureel progressief liberalisme zijn twee kanten van éénzelfde liberaal paradigma. Beide openden een frontale aanval op de naoorlogse regulering, beide wilden een ontgrendeling, beide wilden weg van als hinderlijke regeltjes en verboden. De regelende hand van de Staat moest zich terugtrekken om de markt en de subjectieve rechten van ieder individu te laten regeren.

Reckwitz gebruikt dat woord, regieren. Ik zeg: progressieven die verklaren dat zij tegen het neoliberalisme zijn, beliegen zichzelf. Zij hangen een cultureel neoliberalisme aan. Zelfmaximalisatie loopt parallel met winstmaximalisatie.

Een nieuw soort regulering?

In hetzelfde stuk pleit Reckwitz voor een nieuw reguleringsparadigma, voor nieuwe sociale, culturele regels van staatswege, maar hij verklaart zich niet nader. Ik zou eraan toevoegen: in de eerste plaats een nieuwe economische regulering die de ontketende markten weer wat beschaving bijbrengt.

Reckwitz schreef zijn bijdrage in 2019. Vorig jaar, tussen twee besmettingsgolven in, is hij daarop doorgegaan, tijdens een televisiegesprek met Richard David Precht (ZDF, 24 mei 2020). Het had hem verrast, zei hij, hoe snel de hyperindividualistische Duitse samenleving, waar de staat naar de achtergrond was gedrongen, opnieuw het collectieve belang ontdekte en ingrijpende inmenging van de staat aanvaardde en goedkeurde. In plaats van “Duitse” mag je gerust Belgische, Franse, Nederlandse enz. zetten.

Dat we het nu eindelijk eens tot ons laten doordringen hoe teneerdrukkend en zelfs vernietigend armoede kan zijn.

Ik vermoed dat een nieuw soort regulering eraan komt. Een nieuw paradigma. Ik hoop het stilletjes. Dat we de heilzame regelende rol van de staat opnieuw aanvaarden. Dat we inzien dat een openbare gezondheidszorg ver te verkiezen is boven een doorgeprivatiseerde gezondheidszorg.

Het werd al zo vaak geschreven en geschreeuwd, dat beroepen in de verpleging, het onderwijs, de vuilnisophaling, de politie, de bejaardenzorg enzovoort, opgewaardeerd worden, financieel in de eerste plaats, maar dat niet alleen, we moeten als het ware blijven applaudisseren. Dat we het nu eindelijk eens tot ons laten doordringen hoe teneerdrukkend en zelfs vernietigend armoede kan zijn.

Zal zich in eenzelfde beweging ook een nieuwe culturele regulering voltrekken? Zullen we het gewonnen terrein voor emancipatie en vrijheid kunnen behouden en tegelijkertijd toch minder geobsedeerd worden door zelfoptimalisatie?

Ik kijk met belangstelling uit naar de tijden die komen.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Schrijver & voormalig journalist

    Geert van Istendael (°Ukkel, 1947) studeerde sociologie en wijsbegeerte. Hij werkte bij het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek, over ruimtelijke ordening.