Kinderen mogen geen kinderen meer zijn

Officiële cijfers zijn vaag, maar een op tien kinderen lijdt aan een ernstige vorm van faalangst, zegt Tine Hens. Bang om niet goed genoeg te zijn. Bang om niet te voldoen aan andermans verwachtingen. Bang om uit de boot te vallen. Gemakshalve noemen we ze probleemjongeren.

  • © Brecht Goris © Brecht Goris

Toen ze haar trui over haar hoofd trok, werden de littekens op haar onderarm zichtbaar. Jaren van pijn, onbehagen en frustratie stonden als de witte lijntjes van een menselijke barcode tussen pols en plooi van de elleboog.

Zoals gevangenen de dagen afstrepen op de muur van hun cel, had zij met een scheermes in haar vel gesneden telkens het haar te veel werd. Ze was er goed in geworden. Daarin wel. Wist perfect hoe hard ze moest duwen om niet te diep te kerven. Er druppelde bloed zonder schadelijk te zijn. Maar het was geen talent waar je graag mee uitpakte of waar je schouderklopjes mee oogstte.

Een ander meisje had de voorbije acht jaar geprobeerd om vanzelf te verdwijnen. Stilletjes, door minder te eten, was de huid van haar gezicht bijna doorzichtig geworden, alsof haar eten een gom was waarmee ze zichzelf wegvaagde. Ze dacht dat als ze het traag genoeg deed, als ze elke dag een paar millimeter smaller werd, dat niemand het zou merken als ze er op een dag helemaal niet meer zou zijn, veranderd in lucht, in niets, in wat ze zich al zo lang voelde: iemand die er niet toe deed.

Extra gewicht op deze toch al zware wereld, zo keek ze naar zichzelf.

Extra gewicht op deze toch al zware wereld, zo keek ze naar zichzelf. Als ze in de spiegel keek, zag ze een vormeloze hoop onaangepast gedrag. Ze had het allemaal gehad. Opname, groepstherapie, individuele therapie, ze wist wat ze moest antwoorden om welke labels te krijgen, ze beschouwde zichzelf als een reiskoffer vol stickers van verre, exotische bestemmingen waar ze nooit geweest was en niet wilde zijn. Bodemloos heette ze. Grenzeloos. Extreem introvert.

Aan school kwamen ze al een tijdje niet meer toe, maar omdat hun leeftijd hen officieel verplichtte tot leren, hadden ze via allerlei stadia in de hulpverlening een toegangsticket voor zinvolle dagbesteding gekregen. Net als bejaarden in het rusthuis of peuters in de crèche worden ze verondersteld geen hinder te veroorzaken, van de openbare weg te blijven en hun dagen te vullen met activiteiten om op z’n minst bezig te zijn. Op de boerderij die met de jaren ingesloten was door verkavelingen mochten ze een aantal voorgeschreven dagdelen doen wat ze zelf wilden om weer aansluiting te vinden. Aansluiting waarmee of met wie? Met jezelf, heette de officiële uitleg; met de maatschappij was de onuitgesproken hoop.

Het is een verzamelplek voor vermoeide jongeren, voor jongeren die als weerbarstige schaamharen in het afvoerputje van het reguliere systeem zijn beland. Veel wordt er niet verwacht. Als ze in beweging komen, zichzelf aanzetten iets op te nemen, initiatief nemen, hun boterhammen smeren, dan is de dag goed geweest. Of zij dat zelf ook vinden? Op die vragen wenden ze het hoofd af. Hebben ze te vaak gekregen. Te vaak gehoord. Hun leven lijkt te bestaan uit verwoorden, verantwoorden van wie ze zijn en wat ze voelen. ‘Ik heb hier niet voor gekozen, hé.’ Met hier wordt niet alleen de zinvolle dagbesteding bedoeld, ook, maar toch vooral: dit leven in het algemeen.

Zo jong zijn ze en zo moe. Het is hun Nuit Debout, hun manier om in opstand te komen, om te zeggen: probeer maar, wij doen niet meer mee. Afhaken is de duidelijkste vorm van verzet tegen een maatschappij die vooral wil activeren, motiveren, implementeren en prestaties meten. Niet met mij, dank u. Ik ben lekker lui. De maat is vol en mijn kop is toe.

Schooluitval is altijd een probleem van de individuele jongere, zelden van de school, want er zijn er zo veel anderen die toch gewoon meedraaien, die wel doen wat gevraagd en verwacht wordt, die studeren, examens afleggen en op de schoolbanken blijven zitten. Maar met hoeveel goesting?

Officiële cijfers zijn vaag, maar een op tien kinderen lijdt aan een ernstige vorm van faalangst. Bang om niet goed genoeg te zijn. Bang om niet te voldoen aan andermans verwachtingen. Bang om uit de boot te vallen. Bang om er niet bij te horen. Een manier om die angst te slim af te zijn, is om zelf aan de kant te gaan staan, om af te haken. Officieel heten ze probleemjongeren, maar misschien zijn ze wel de kanarievogels in de koolmijn van ons streven naar prestatie en succes?

Als een op de tien jongeren worstelt met faalangst, dan zegt dit meer over de omgeving waarin ze opgroeien dan over de jongeren zelf.

Je kan de schouders ophalen en plompverloren iets mompelen over een gepamperde generatie en over een ‘tijd waarin kinderen gewoon te luisteren hadden’, ja, maar in die tijd werd er ook niet zo met een vergrootglas naar de minste vorm van afwijkend gedrag gestaard.

Als een op de tien jongeren worstelt met faalangst, dan zegt dit meer over de omgeving waarin ze opgroeien dan over de jongeren zelf. Jongeren maken zichzelf niet faalangstig. Net zoals flamingo’s de kleur van hun voedsel aannemen, slorpen jongeren de stress van het leven rondom hen op. En dat leven laat steeds minder onnauwkeurigheden of slordigheden toe. Men mag buiten de lijntjes kleuren als dit uitdrukkelijk de opdracht is. Maar verder is het toch vooral van belang de gebruiksaanwijzing van het geregelde leven te internaliseren. Wie of wat met de norm flirt, krijgt voor alle zekerheid een waarschuwing mee. Iedereen dekt zich in voor mogelijke ongevallen later.

Het jongetje was amper zes of er zat al een vragenlijst in zijn boekentas om te peilen naar abnormaal en problematisch gedrag. ‘We kunnen niet vroeg genoeg detecteren’, was de uitleg. ‘Martelt hij dieren?’, luidde een van de vragen. ‘Heeft hij al eens brand gesticht?’, een andere. De ouders wisten wel zeker dat dat niet zo was, maar daar had de angst zich al in hun brein genesteld: wat als hij dat in de toekomst wel zou doen?

Kan een kind niet gewoon de tijd krijgen om zelf te groeien, te ontdekken, zich te ontwikkelen?

Voor even was hun blik veranderd op dat kind dat ze voordien enkel wat druk hadden genoemd. Een jongen, weet je wel. Die hebben het al eens over dood en vernieling en in de pan hakken van een imaginaire vijand. Was er een probleem? Had hij begeleiding nodig? Het kan nooit kwaad, meende de school. Is dat zo? Is het werkelijk perfect normaal dat een op de zes leerlingen in de basisschool de lessen tussen half negen en half vier aanvult met logopedie, huiswerkbegeleiding of een andere therapie? Kan een kind niet gewoon de tijd krijgen om zelf te groeien, te ontdekken, zich te ontwikkelen? Niet alleen naast maar vooral op school?

Op een jaar tijd had een jongen van tien afscheid moeten nemen van zijn oude klas, van zijn twee betere vrienden. Hij voelde zich uitgesloten en sloot zich op in zichzelf, hij was stil, weinig gemotiveerd, hij deed wat hij moest doen en meer niet. Na een maand van lamlendigheid had het volgens de school lang genoeg geduurd. Hij kreeg de raad een trainingsweek sociale vaardigheden te volgen. Dat zou leuk zijn, meende men, samen met leeftijdsgenoten leren hoe je je sociaal aanvaardbaar gedraagt. Dat zou hem helpen om er nu en in de toekomst wat beter tegen te kunnen. Hij zou er handvaten voor het leven aangereikt krijgen, ja, zo heet dat dan.

Maar hoe zit het ondertussen met de sociale vaardigheden die hij in zijn omgeving tegenkomt? Hoeveel mogelijkheden zijn er in onze geborstelde en gekamde buitenwijken om ruimte in te nemen? Onlangs speelden onze kinderen op het speelveld aan de overkant van de steenweg, bedremmeld kwamen ze weer thuis, hun bal was over de haag gevlogen, de man had hem vastgepakt, voor hun ogen lek gestoken en geroepen dat ze ‘rotzakken waren die konden opdonderen.’

Toen een moeder met haar twee kinderen per ongeluk plaats nam in de stiltewagon van een trein in Nederland, kregen die kinderen niet eens de kans om te tonen dat ze dat misschien wel konden: stil zijn tijdens een treinreis, nee, nog voor ze een woord hadden gezegd, kreeg de moeder de dwingende raad om elders met haar kroost een zitje te zoeken. DIT IS EEN STILTEWAGON, werd driftig gefluisterd waarbij die fluisteraars de algehele stilte toch net iets meer verstoorden dan die twee kinderen die wat in hun rugzakken rommelden.

Stel je voor dat je niet meer jezelf kan zijn in deze samenleving, nee, dan is het toch echt ver gekomen.

Kunnen we nog om met gedeelde ruimte? Met openbare plekken waar ontmoetingen rommelig zijn, waar ook het toeval een rol speelt en die jongeren zo hard nodig hebben om zichzelf te zijn – iets waarvan we met z’n allen vinden dat dat toch oh zo belangrijk is? Stel je voor dat je niet meer jezelf kan zijn in deze samenleving, nee, dan is het toch echt ver gekomen.

‘U moet sproeien’, siste ondertussen de buurvrouw door het hek dat haar prachtig aangelegde tuin afsloot van dat veld vol wild gras waarin het meisje met de krassen en het meisje dat wilde verdwijnen hun dag zinvol invulden. Ze had er al vaker geërgerd naar gekeken, maar nu was het haar te veel geworden. Uren bracht zij in haar vrije tijd op haar knieën door om de grond tussen haar perkplanten onkruidvrij te houden, hoe zinvol was dat als die netels van de overkant steeds driester een weg zochten door de groene draad van het hek. ‘U moet sproeien. Die brandnetels tot in de wortel uitroeien.’ Ze had een bus Roundup over de draad getild. Dat is hoe we de zaken graag regelen. Kinderen of onkruid, wat niet in het gelid past, dat spuiten we toch gewoon plat?

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift