Kortetermijndenken zit vol kosten en gevaren

‘Al wat we nu ‘competitief’ noemen, gaat vaak gepaard met een te hoge maatschappelijke kost.’ Overstappen naar een logica van “volhoudbaarheid” is volgens MO*columnist Jan Mertens een interessanter spoor

  • © Brecht Goris ‘Ik ben voorstander van een vrije markt. Maar een markt kan pas echt vrij zijn als ze geen sociale of ecologische schuld genereert.’ © Brecht Goris

Sinds begin april geldt er in ons land een kilometerheffing voor vrachtwagens. Die invoering komt er met enige zenuwachtigheid, onder meer bij sommige vrachtwagenchauffeurs die vrezen voor hun job.

Voor die vrees heb ik best begrip. Zij moeten vaak in erg moeilijke omstandigheden werken. Ze opereren in die zone van het systeem waar de menselijke prijs betaald wordt om de zaak draaiende te houden.

Als we sommigen moeten geloven, moet een nog groter deel van de economie naar die grijze zone die we liefst niet willen zien. Het is tenslotte zo eenvoudig om met een druk op de virtuele knop van de internetwinkel een boek te bestellen en niet hoeven te weten in welke omstandigheden dat boek tot bij jou komt…

De prijs van competitie

Wat we een ‘competitieve’ economie noemen, komt met een prijs. Een prijs die we niet willen zien of liever niet willen betalen. Er is een logica die ons verder in de richting duwt van nog meer van dat soort competitiviteit. Die logica hebben we tot op zekere hoogte zelf gecreëerd, via politieke keuzes die een welbepaald soort ‘vrije’ markt willen bevorderen.

Ik ben voorstander van een vrije markt. Maar een markt kan pas echt vrij zijn als ze geen sociale of ecologische schuld genereert. Als een systeem enkel competitief kan zijn door massaal sociale en ecologische kosten door te schuiven dan is dat in de eerste plaats een kwestie van slechte boekhouding.

Competitie komt met een prijs, een prijs die we niet willen zien of betalen.

Het niet willen zien van de kost die we doorschuiven is een vorm van maatschappelijk autisme. Als ik probeer de capaciteit van mijn lichaam op te drijven voorbij mijn eigen draagkracht, dan neem ik een groot risico.

Misschien kan ik mezelf wijsmaken dat die tijdelijke periode van topprestaties ‘echt’ is. Als die prestaties er komen door mijn lichaam uit te putten tot op een niveau waarvan het niet meer kan recupereren of als dat alleen lukt dankzij allerlei niet zo koosjere chemische middeltjes, dan wordt – in economische termen – mijn kortetermijnwinst volledig overvleugeld door langetermijnschade. Ik zou kunnen zeggen dat het mij niets kan schelen – fuck the future! – maar dat zou nogal egoïstisch zijn tegenover mijn geliefden.

Systeem in vraag

Als je goed kijkt naar de omvang van de maatschappelijke kost die het gangbaar economisch model veroorzaakt, zie je dat we er waarschijnlijk niet zullen komen door het equivalent van betere chemische middeltjes of een ander trainingsschema.

Het is de nagestreefde topprestatie zelf die fundamenteel in vraag gesteld moet worden. Naar aanleiding van de kilometerheffing berekende de organisatie Transport & Environment dat de vrachtwagens op dit moment maar 30% betalen van de maatschappelijke kost die ze veroorzaken. Een kilometerheffing kan dus een belangrijke stap zijn om te komen tot een grotere efficiëntie (zuiniger vrachtwagens die minder vaak leeg over de weg rijden).

Een stap vooruit dus, maar we praten nog wel steeds over het relatief gemakkelijke deel van de weg die we moeten afleggen. Om klimaatneutraal te worden moeten emissies de volgende decennia met meer dan 80-90% naar beneden. Wie intellectueel eerlijk is, ziet dat je zo’n reductie enkel kunt bereiken via een meer systemische aanpassing.

Een echt ‘vrije’ markt zou waarschijnlijk veel meer werken op basis van korte economische kringlopen waarbij producten meer regionaal worden voorzien, over veel kortere afstanden worden vervoerd en verder volledig herstelbaar en herbruikbaar zijn.

Een strategie die zich enkel tot doel stelt de nu geëxternaliseerde kosten te internaliseren zal niet ver genoeg kunnen gaan. We zullen meer fundamentele vragen moeten stellen bij wat we beschouwen als welvaart. Als we in de huidige logica van eenzijdige competitiviteit blijven, gaan we onherroepelijk naar een situatie waarin de maatschappelijke kost zo groot wordt dat die tot ecologische catastrofes en massale sociale ongelijkheid zal leiden.

Oogkleppen

Het niet willen weten is een menselijke reflex waarschijnlijk. Meer kijken naar de kortetermijnwinst als je wordt opgejaagd door anderen (die op hun beurt ook weer opgejaagd worden) is niet onbegrijpelijk of onlogisch. Het is wel een gevaarlijke logica, de logica van de voorruit in de auto (waardoor we alleen de file zien die ons belet om te komen waar we denken te moeten komen).

Meer kijken naar de kortetermijnwinst als je wordt opgejaagd door anderen is niet onbegrijpelijk.

De voorbije dagen kwam in het nieuws dat uit recente studies blijkt dat het poolijs wel eens veel sneller zou kunnen smelten dan we tot nu toe dachten. De gevolgen daarvan zouden catastrofaal kunnen zijn, onder meer voor zoveel wereldsteden die zich erg dicht bij de zee bevinden. Die steden zijn vaak essentiële knooppunten van het economisch weefsel. Welke prijs willen we dus wanneer betalen? De klimaatwetenschappers wijzen er, samen met hun waarschuwing, op dat veel onheil kan voorkomen als we nu overtuigend kiezen voor een ander klimaatspoor, voor een andere logica dus.

Recent stelde IRENA, het internationaal agentschap voor hernieuwbare energie, een plan voor om het aandeel aan hernieuwbare energie tegen 2030 te verdubbelen. Die strategie betekent een forse investering. Maar tegelijk betekent die investering het vermijden van een maatschappelijke kost die misschien wel tot vijftien keer zo groot zou zijn geweest. Als we zouden kiezen voor een andere dan de gangbare logica, en dus voor een andere economische boekhouding, zouden we zien dat we via dat duurzame spoor elk jaar een forse besparing kunnen realiseren. Een “volhoudbaar pad” dus.

Laten we echter ook hier oppassen voor de illusie van efficiëntie of enkel maar het dromen van een of ander competitief voordeel. Om het anders te zeggen: we zullen niet alleen efficiënter om moeten gaan met energie, we zullen er ook voor moeten zorgen dat we er minder van nodig hebben. We zullen dus ook ons systeem in vraag moeten stellen.

En in die zin is de ware energierevolutie ook een sociale innovatie. Het klassieke energiesysteem, met als hét symbool de kerncentrale, is centralistisch. We zouden ondertussen moeten weten dat net dat centralistische karakter het systeem zo kwetsbaar en weinig veerkrachtig maakt. Het is een systeem waarin de macht geconcentreerd zit bij enkele grote bedrijven, met rechtstreekse lijnen naar een deel van het politieke systeem. In een gediversifieerd netwerk van kleinschalige energiewinning zit ook een heel andere machtsstructuur. Het zijn vaak de burgers die via hun coöperatief beheerde energie-initiatieven voor een democratische omwenteling zorgden en zo de grote energieconcerns tot verandering dwongen.

Toen ik zestien was hoorde ik al dat ‘men’ wel snel een oplossing zou vinden voor het nucleair afval.

Zo kan een ander maatschappelijk weefsel ontstaan. En dat heeft ook met de aard van de technologie te maken. Er is iets fundamenteel fout met kernenergie. Toen ik zestien was hoorde ik al dat ‘men’ wel snel een oplossing zou vinden voor het nucleair afval. Nu ik ondertussen eenenvijftig ben is dat argument in wezen nog steeds hetzelfde.

Het fundamentele probleem van de doorgeschoven maatschappelijke kost blijft. Hoe kunnen we ethisch verantwoorden dat we een technologie ‘normaal’ vinden waarvan de negatieve gevolgen en mogelijke risico’s nog duizenden jaren zullen gelden? Als dat de prijs is die we zouden moeten betalen om nu ‘competitief’ te zijn, dan is die prijs onaanvaardbaar hoog.

Je zou bijvoorbeeld kunnen zeggen dat de mogelijk negatieve impact van een technologie hoogstens één generatie mag duren. Dan zit je in een logica die uitgaat van “volhoudbaarheid”. En de inzichten van Ivan Illich kunnen ons in deze discussie helpen. Zijn concept van conviviale en niet-conviviale technologie biedt nog altijd een aantal kapstokken voor een fundamenteel debat. Inspiratie is onder meer te vinden in het recent gepubliceerde boek Ontgroei.

Er is immers een reden waarom onze regering beslist om soldaten in te zetten om een kerncentrale te bewaken. Nabij de windmolens zijn dezer dagen minder para’s gesignaleerd… Een technologie die niet democratisch kan beheerd worden en die blijkbaar tegen de burgers en tegen terroristen moet beschermd worden, daar scheelt inherent iets mee. Laten we die overweging ook meenemen bij het zoeken naar “volhoudbare” uitwegen uit de doodlopende straatjes waarin we anders dreigen vast te lopen.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Beleidsmedewerker Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling

    Jan Mertens woont in Leuven, werkt voor de Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling, en is onder meer ook actief in de denktank Oikos.