In echte democratieën bestaan kabinetten niet

Leve de Koning! Weg met de kabinetten!

© Brecht Goris

Walter Zinzen

Nu de formatie van een federale regering maar niet lukt, is het tijd om de grondwet letterlijk toe te passen. Koning Filip moet zijn stoute schoenen aantrekken en zelf ministers zoeken, schrijft Walter Zinzen, die nooit had gedacht dat hij als overtuigd republikein de hulp van de koning zou inroepen voor de regeringsformatie.

Een tijdje geleden schalde in de Wetstraat een vrolijk en schaterend hoongelach. Pieter Timmermans, de topman van het VBO, de Belgische patroonsorganisatie, had namelijk voorgesteld om de regeringsformatie in handen te geven van een éminence grise, iemand die boven het partijpolitieke krakeel staat. Dat vonden de politici een belachelijk idee, hoewel ze moesten toegeven dat ze het zelf niet konden klaar spelen.

Maar zo belachelijk was dat voorstel niet. Sterker nog : het staat in de grondwet. Artikel 96 laat niets aan de verbeelding over. Het zegt : “De koning benoemt en ontslaat zijn ministers.” ZIJN ministers ! Zo staat het er echt. Los daarvan voldoet koning Filip in alle aspecten aan de voorwaarden die Timmermans stelt : hij heeft bewezen boven de partijen te staan, hij kent het politieke wereldje door en door en hij is omringd door goede raadgevers.

Is de benoeming van ministers door partijvoorzitters, zoals nu al decennia de praktijk is, zoveel democratischer?

Nooit gedacht dat ik als overtuigd republikein de hulp van de monarch zou inroepen en dan nog na een voorzet van de baas der bazen. Maar nood breekt wet. En de grondwet is geen vodje papier zoals premier Tindemans uitriep op 11 oktober 1978.

Uiteraard is de monarchie een achterhaald en ondemocratisch instituut. De benoeming van ministers overlaten aan een onverkozen staatshoofd is dat ook. Maar is de benoeming van ministers door partijvoorzitters, zoals nu al decennia de praktijk is, zoveel democratischer? Nooit hebben ze de moed gehad om artikel 96 te hervormen en er voor te zorgen dat bijvoorbeeld de formateur die bevoegdheid zou krijgen. De partijvoorzitters hebben, allemaal, hun macht uitgebreid zonder enige wettelijke basis. De door hen benoemde ministers leggen wel de eed af bij de koning. Die kijkt de avond te voren naar de televisie om de namen te noteren van de lieden die hij ’s anderen daags moet “benoemen”.

(Voor de regionale regeringen bepaalt de grondwet dat het de parlementen zijn, die de ministers benoemen en ontslaan. Lijkt veel democratischer maar in feite zijn het weer de partijvoorzitters die bepalen wie er in de regering komt. De fracties keuren die benoemingen dan goed. Schone schijn, maar even schandelijk).

Nu de formatie van een federale regering maar niet lukt, is het tijd om de grondwet letterlijk toe te passen. Koning Filip moet zijn stoute schoenen aantrekken en zelf ministers zoeken. Hij kan dan mensen benoemen uitsluitend op grond van hun competentie, zonder te letten op hun partijkleur. En ik bedoel geen “experts” of “technocraten”. Er zitten in onze politieke klasse toch wel degelijk competente mensen, hoop ik?

De koning moet maar één criterium hanteren : er moeten even veel Nederlandstalige als Franstalige ministers zijn, de premier eventueel uitgezonderd. Zo bepaalt een ander grondwetsartikel het. Het koninklijke kabinet stelt vervolgens een minimumprogramma op om de meest dringende problemen aan te pakken (gezondheid, relance, begroting, klimaat enz.) en gaat daarmee naar het parlement om er het vertrouwen te vragen.

Kabinettards zijn partijgenoten van de minister en als dusdanig niet zozeer in de eerste plaats bekommerd om het landsbelang, dan wel om het partijbelang.

Alle thema’s waarover de nieuwe ministers geen akkoord bereiken , de ethische bijvoorbeeld , worden doorgeschoven naar het parlement. Heel wat beslissingen zullen dan met wisselmeerderheden worden genomen, maar wat is daar mis mee? Zo wordt eindelijk de particratie, minstens gedeeltelijk, buiten spel gezet en wordt de democratie, dank zij het koninklijk initiatief, al even gedeeltelijk, hersteld. En niet te vergeten : aan het gewetenloze en onverantwoorde geklungel dat we sedert 27 mei 2019 moeten ondergaan komt eindelijk een einde. Wie had dat durven denken?

De aldus in aantal ministers beperkte, samengestelde regering kan dan al meteen een revolutionaire hervorming doorvoeren: regeren zonder kabinetten. Als er één ding is dat we uit de zaak Jambon-Chovanec kunnen en moeten leren, dan is het wel dat kabinetten hun minister lang niet altijd goed adviseren. Kabinettards zijn partijgenoten van de minister en als dusdanig niet zozeer in de eerste plaats bekommerd om het landsbelang, dan wel om het partijbelang en in het verlengde daarvan het belang van hun minister. Dat heeft in de zaak Chovanec precies het tegenovergestelde effect gehad. Dat had vermeden kunnen worden als Jambon zijn vertrouwen in zijn administratie had gesteld i.p.v. in partijpoesjenellen.

Ambtenaren, liefst zonder partijkaart, zullen allicht een stuk afstandelijker en bijgevolg onafhankelijker hun minister terzijde staan dan marionetten, die aan een draadje hangen dat door hun partijvoorzitter wordt gemanipuleerd. De afschaffing van de ministeriële kabinetten zou bovendien een enorme besparing zijn, want die dames en heren doen hun werk niet voor de gratie Gods.

Ze krijgen royale vergoedingen om te doen wat de administratie sowieso ook doet. Dubbel op, kan het Belgischer? Dat de minister eerder naar zijn kabinet luistert dan naar zijn ambtenaren, frustreert hen geweldig. De verdwijning van de kabinetten zou hen enorm motiveren en de ministers helpen op lange termijn te werken en niet meer kortzichtig de waan van de dag achterna te lopen, met uitsluitend de volgende verkiezingen in het achterhoofd.

De ambtenaren zijn de meest geschikte personen om de minister te behoeden voor verkeerde beslissingen. Maar dat wordt hen onmogelijk gemaakt.

Maar bovenal komt zo een einde aan een anti-democratische praktijk die mee het “mal governo” van ons land verklaart. In feite zijn het de kabinetschefs die ons regeren, zowel op federaal als op regionaal niveau. Vaak gebeurt het immers dat bij de vorming van een regering ministers benoemd worden (door de partijvoorzitters dus) die totaal niets kennen van hun beleidsdomein. Ze moeten zich daarom inwerken. Ze nemen een kabinetschef die wel op de hoogte is en zijn minister stuurt. En negeren de administratie die competenter is dan om het even wie. De ambtenaren zijn de meest geschikte personen om de minister te behoeden voor verkeerde beslissingen. Maar dat wordt hen onmogelijk gemaakt.

In echte democratieën bestaan kabinetten dan ook niet. In Nederland regeren de ministers van alle politieke kleuren enkel en alleen met de hulp van hun administratie, die in ruil elke minister trouw dient en het beleid uitvoert dat door haar baas is uitgestippeld. Voor dat beleid moet hij/zij zich geregeld verantwoorden in de Tweede Kamer.

Als die niet (meer) akkoord gaat stuurt ze de bewindvoerder in kwestie naar huis. Niks geen kabinettards , die geen enkel democratisch bestaansrecht hebben. Zelfs de woordvoerders van de departementen blijven in Nederland onder alle ministers dezelfde. Ze verkopen dan ook geen demagogische partijpolitieke praatjes maar verstrekken neutrale, objectieve informatie over het beleid.

Ik mag dan ook hopen dat koning Filip deze column leest en zich likkebaardend aan de arbeid begeeft. Hij zou ons land en zijn bevolking een enorme dienst bewijzen.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2771   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur