Lof van de fermette

© Brecht Goris

 

Vooraf nog even de belofte nakomen die ik in vorig stuk deed.

Het boek van Yanis Varoufakis (Volwassenen onder elkaar. Mijn gevecht tegen het Europese establishment, Amsterdam, De Geus, 2017) is uit. De tweede helft vond ik nog spannender dan de eerste.

De recensent van de conservatieve Spaanse krant El Mundo die het had over Varoufakis’ blinde arrogantie, kletst uit zijn nek, van Madrid tot Athene. Ik zou zelfs zeggen, Varoufakis is het tegendeel van arrogant.

Eén keer bezondigt de Griek zich aan zelfoverschatting. Hij denkt dat hij de technocraten kan dwingen (blz. 528). Technocraten laten zich niet dwingen, nooit. Nog eerder kun je de zwarte gaten in het heelal wit verven.

Varoufakis geeft fouten toe en misrekeningen. Hij kan heel soepel optreden. Hij kan toegevingen doen. In de laatste driehonderd bladzijden is hij nog meer tot compromissen bereid dan in de eerste driehonderd. Maar hij is níét zo soepel dat hij zich wil laten vertrappelen door de technocraten van IMF, Europese Commissie en Europese Centrale Bank en vervolgens ook nog eens dankbaar hun voeten zou kussen. Hij spant zich tot het uiterste in om het Griekse volk, dat hij vertegenwoordigt op de Europese vergaderingen, uit de ellende te slepen en zijn waardigheid terug te laten winnen.

Daaraan gaat hij ten onder.

De duizelingwekkende deskundigen die hem vanuit allerlei buitenlanden met raad en daad bijstonden, hebben nooit aan hem getwijfeld.

Dat de andere ministers van financiën uit de eurozone hem haten, kan iedereen begrijpen. Maar zijn positie werd vooral onhoudbaar omdat zijn medestanders in en om de Griekse regering muteerden tot tegenstanders. Zelfs eerste-minister Tsipras heeft hem laten vallen. De duizelingwekkende deskundigen die hem vanuit allerlei buitenlanden met raad en daad bijstonden, hebben nooit aan hem getwijfeld. Zijn landgenoten dus wel, met de bekende, fatale gevolgen.

De grote verrassing is toch wel dat hij zijn hardnekkigste en machtigste tegenstander, de strenge, stuurse Duitse minister van financiën (intussen ex-) Wolfgang Schäuble, oprecht waardeert (‘… daarom mag ik die vent dus’, blz. 495) én zo mogelijk nog groter is de verrassing dat Schäuble op den duur ook Varoufakis waardeert, even oprecht. Maar toegeven zal hij niet, kan hij niet, hoezeer hij ook de deugdelijkheid van Varoufakis’ oplossingen inziet.

Lees dus dit boek.

Maar nu iets heel anders. Minder belangrijk?
Ongetwijfeld.
Hoewel …
Het doet pijn in de maag van menige Belg.

Al geruime tijd lees ik aanvallen op de manier van wonen die de meeste Belgen na aan het hart zou liggen. Huisje met tuintje in een verkaveling.

Sta me toe te twijfelen aan het woord meeste.

Steeds meer landgenoten trekken naar de stad, de cijfers liegen niet. Vooral middelgrote steden, neem bijvoorbeeld Mechelen of Leuven, Hasselt of Bergen, zijn er de jongste jaren steeds aantrekkelijker gaan uitzien. Bekwame burgemeesters van zowat alle partijen hebben blijkbaar de juiste schaal gevonden om voor en met hun medeburgers een uiterst aantrekkelijk leefomgeving in te richten.

Wandel op een zwoele zomeravond eens over Belgische straten en pleinen. Kun je dichter bij het paradijs komen?

Wandel op een zwoele zomeravond eens over Belgische straten en pleinen. Kun je dichter bij het paradijs komen? Ik weet wel dat sommige grote denkers onder ons graag in het openbaar staan te kotsen wegens oprukkende kneuterigheid, maar daar trekken de tienduizenden Belgen die op de talloze terrasjes hun onbekommerde rituelen vieren, zich lekker niets van aan.

Ooit was het anders.

Toen ik nog onze pogingen tot ruimtelijke ordening bestudeerde, nu bijna vijftig jaar geleden, luidde oorverdovend het parool: weg uit de stad! Het was een variant op het parool dat de tientallen jaren daarvoor het beleid richting had gegeven: houd de mensen weg uit de boze, goddeloze, grote stad.

Dat alles sloot naadloos aan bij de diepste wensen van heel veel Belgen. Sindsdien zijn wij een volk van pendelaars. België bezat dan ook het dichtste spoorwegnet ter wereld. Over de boerentrams heb ik het niet eens.

In de jaren zestig van vorige eeuw sloegen we als gekken aan het verkavelen. Ik herinner me dat gemeentebesturen unaniem één eis hadden: bouwen langs alle verharde wegen. Intussen waren ze zoveel mogelijk wegen aan het verharden.

Waarna we de trams buiten de steden, de boerentrams, die reden op eigen bedding, afschaften. Waarna we massaal kleine spoorlijnen en dito stationnetjes afschaften. Waarna de autobussen zich muurvast reden in het aanzwellende autoverkeer.

Nadat we decennia juichend door de verkavelingen hebben gedanst, worden diezelfde verkavelingen verketterd. De mensen die daar hebben gebouwd, zo luidt het anathema, zijn naargeestige, kortzichtige egoïsten. En nu wordt niet alleen de plek waar hun huis staat vervloekt, het huis zelf is voorwerp van hoon. Ik heb daar zelf aan meegedaan:

‘Bekijk de karrenwielen tegen de muren, savoureer de met vlijt gepoetste stallantarens naast de voordeur, laat uw oog met welgevallen verwijlen bij de reukloze namaakboerderijtjes met de stinkende namaaknaam fermette…


Dat staat in Het Belgisch labyrint, blz. 200, herziene editie 2011.

 

Wie in een fermette woont, kan alleen maar een bange, verkrampte kleinburger zijn, aldus de genadeloze critici.

Andere critici gaan verder. Zij beweren dat de ramen van de fermettes zo klein zijn omdat de Vlamingen zich willen afsluiten van de dreigende buitenwereld. Wie in een fermette woont, kan alleen maar een bange, verkrampte kleinburger zijn, aldus de genadeloze critici.

Daarbovenop komt de ongeremde afkeer van architecten. Deze ontketende architecten vergeten gemakshalve dat alle plannen van alle fermettes getekend zijn door andere architecten, anders hadden ze er nooit gestaan. Zij verklaren dus een heel groot percentage van de, ja, zeg maar hedendaagse architectuur, voor non-architectuur. Blijkbaar vinden zij een groot percentage van hun vakgenoten onbekwaam of erger.

Maar goddank, er is beterschap. Ik lees in de krant dat vastgoedmakelaars de fermettes aan de straatstenen niet meer kwijt kunnen. Steeds meer landgenoten willen een strak, modern huis, zonder schilderachtige frutsels.

Wie zoiets zegt, draagt ooglappen. Ik zie in de dorpen van alles, kubussen, ronde daken, zadeldaken, rode muren met rode voegen, zwarte muren, klampsteen, spleetramen (om de oprukkende buitenlanders te bespieden?), ramen met plastic roetjes, enzovoort, kortom, vrolijke chaos, zoals die al zo lang heerst in onze gewesten. Ik zie ook honderden pastoriewoningen. Dat is een soort fermette, maar dan met een verdieping erop. Strak? Laat me niet lachen. Geen architectuur, roepen architecten. De proporties kloppen niet! Dat zal wel, maar alweer geldt, elk plan van elke pastoriewoning is getekend door een architect, anders stonden ze er niet.

Als mensen daar nou graag in wonen en hun buren voor de rest niet hinderen, wat is er dan mis met hun bouwstijl?

Begrijp me niet verkeerd. Fermettes en pastoriewoningen zijn niet mijn smaak. Maar waarom zou mijn smaak beter zijn dan die van mijn medeburgers? Zulke pretentie weiger ik. Gaandeweg heb ik brede verdraagzaamheid ontwikkeld als het gaat over mij onwelgevallige gebouwen. Als mensen daar nou graag in wonen en hun buren voor de rest niet hinderen, wat is er dan mis met hun bouwstijl?

Ik vind trouwens dat fermettes, mits ze wat overlommerd worden door struweel en geboomte, heel goed in ons vlakke of op zijn hoogst zacht glooiende landschap passen. Wacht nog een jaar of dertig en een niets vermoedende voorbijganger denkt dat ze er al een paar honderd jaar staan. Bob van Reeth, de eerste Vlaamse bouwmeester, heeft ooit gezegd dat gebouwen er moeten uitzien alsof ze er al altijd hebben gestaan. Ik weet alleen niet of hij daar ook fermettes mee bedoelde.

Nog iets. Zou de smaak van architecten beter zijn dan die van hun medeburgers? Ik bedoel, de smaak van architecten waarvan je de gebouwen in de gezaghebbende overzichten ziet. Ramen zo groot als verticale voetbalvelden, trappen zonder leuningen (ik heb hoogtevrees), verraderlijk verspringende vloeren waar je je benen op breekt, eeuwig lekkende daken, scheve hoeken waar je geen kast in gedouwd krijgt.

Sinds Le Corbusier en Bauhaus verkondigt de ene generatie architecten na de andere dat de vorm bepaald moet worden door de functie. Door het gebruik dus. Zij liegen, nu al een hele eeuw. Zij offeren consequent bruikbaarheid op aan vorm. Vandaar dat een wereldberoemd gebouw als de Villa Savoye van Le Corbusier onbewoonbaar is. Geen wonder dat mijn medeburgers kozen voor de fermette. Een fermette is uitermate bewoonbaar.

Maar zó fanatiek aanbidden spraakmakende architecten het vormdogma, dat zij verkondigen: een fermette kan niet comfortabel zijn, want zij heeft niet de juiste vorm.

Maar zó fanatiek aanbidden spraakmakende architecten het vormdogma, dat zij verkondigen: een fermette kan niet comfortabel zijn, want zij heeft niet de juiste vorm. Niet aangepast aan de moderne wooneisen, zeggen ze dan. De fermettes die ik bezocht, waren allemaal heel comfortabel en heel ruim. Dat ik de stijl niet graag zie, is dat een probleem?

Zijn er dan geen problemen?

Toch wel.

Het ligt niet voor de hand fermettes te isoleren volgens hedendaagse eisen. De huizen met hun ramen zo groot als verticale voetbalvelden dan wel soms? Zij zijn niet makkelijk in te delen voor meer dan één gezin. Maar zijn de doodskisten die je in de vaktijdschriften ziet dat dan wel? Zij staan overal. Precies zoals de bejubelde objecten uit de vaktijdschriften. Ons landje is nu eenmaal kapot gebouwd en daar is niets aan te doen. Tenzij je, zoals een voormalig Vlaams bouwmeester zei, negentig procent sloopt. Ik denk niet dat je daar een meerderheid voor kunt vinden.

Wat je wel kunt doen is:

  • de boerentrams opnieuw laten rijden.
  • kleine treinlijnen opnieuw openen.
  • de bedrijfswagens afschaffen (moeilijk!).
  • werk decentraliseren naar stevig uitgebouwde dorpskernen.

 

In een dorp wonen is leuker dan menige stedeling denkt. Ik doe het nu sinds een half jaartje, voor het eerst in mijn leven. Valt reuze mee.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Schrijver & voormalig journalist

    Geert van Istendael (°Ukkel, 1947) studeerde sociologie en wijsbegeerte. Hij werkte bij het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek, over ruimtelijke ordening.