De internationale organisatie die weet waar België sterk in is

‘Hadden politici de voorbije jaren wat meer naar de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) in plaats van andere internationale instellingen geluisterd, stonden we er vandaag economisch beter voor’, zegt MO*columnist Ferdi De Ville. ‘De ILO komt nu opnieuw met een aantal interessante vaststellingen. Zullen we deze keer beter opletten?’

  • © Brecht Goris © Brecht Goris

De voorbije jaren hebben verschillende internationale organisaties een mea culpa geslaan wat betreft hun economische aanbevelingen aan landen. Het Internationaal Muntfonds (IMF), de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) en de Wereldbank hebben op verschillende momenten erkend dat besparen in een crisis nefast is, dat ongelijkheid een rem op de wereldeconomie is geworden en dat er dringend nood is aan meer publieke investeringen, zeker door landen met financiële marge.

Waarom die aanbevelingen maar heel traag, of vaak zelfs niet, doorsijpelen naar het beleid is een goede vraag.

Eén internationale organisatie heeft geen bocht moeten maken.

Eén internationale organisatie heeft geen bocht moeten maken. De ILO benadrukt al sinds jaar en dag het belang van sociale bescherming, sociaal overleg en vraaggestuurde groei, ook toen ze met die boodschap alleen stond in internationale middens. Mocht er meer naar haar standpunten zijn geluisterd, dan was de crisis wellicht niet zo hard en langdurig geweest als nu.

Maar het is met internationale organisaties zoals met directoraten-generaal binnen de Europese Commissie (of ministeries op nationaal niveau): de “zachte” hebben het in de huidige wereld minder voor het zeggen dan de “harde”. Het waarom daarvan is opnieuw interessant. Net als voor de vorige vraag heb ik daar een aantal ideeën over, maar geen door doorwrochten onderzoek ondersteunde antwoorden.

In een recent rapport Long-term trends in the world of work: What effects on inequalities and middle-income categories? vestigt de ILO de aandacht op de relatie tussen ongelijkheid en de erosie van de middenklasse. Deze twee zijn zeer sterk met elkaar gecorreleerd, zo blijkt, en die samenhang is nog versterkt in de crisis. Bovendien verdwijnt de middenklasse het snelst waar ze al zwak was.

Verschillende dynamieken zijn verantwoordelijk voor deze correlaties. Vele middenklassejobs bevinden zich in de publieke sector. Een sterke publieke sector zal meer tegen aanvallen beschermd worden door haar werknemers en de bevolking in het algemeen, waardoor de middenklasse minder snel afbrokkelt. Een sterke middenklasse houdt de binnenlandse vraag recht, waardoor de economie ook in moeilijke tijden beter draait en er opnieuw minder mensen uit de middenklasse worden geduwd.

België krijgt samen met een aantal andere landen (Frankrijk, Nederland en Zweden) een pluim van ded ILO. Naast een sterke publieke sector hebben sterke systemen van sociaal overleg deze landen behoed voor stijgende ongelijkheid en de destabilisatie van de middenklasse.

België krijgt samen met een aantal andere landen (Frankrijk, Nederland en Zweden) een pluim van de ILO.

De ILO roemt expliciet het Belgische indexeringsmechanisme. In Italië, waar de automatische indexering werd opgedoekt in de vroege jaren 1990, steeg de ongelijkheid onmiddellijk en kreeg de middenklasse het moeilijk. Opnieuw een heel ander geluid dan de adviezen die België meestal krijgt vanuit internationale organisaties, die pleiten voor het loslaten van de automatische indexering, het flexibiliseren van de arbeidsmarkt en het decentraliseren van het sociaal overleg.

In het binnenland werpt dit een ander licht op de claims van sommigen dat de nieuwe regering misschien niet beter presteert dan de vorige op vlak van groei of begrotingsdiscipline, maar dat ze wel jobs in de private in plaats van de publieke sector schept. Het was al een raadsel waarom het scheppen van een baan in, bijvoorbeeld, een privé-rusthuis per definitie beter zou zijn dan één in een publiek rusthuis, deze studie van de ILO toont dat het omgekeerde zelfs waar is.

Het inruilen van stabiele middenklassejobs in de publieke sector voor precaire jobs in de privé kan een negatieve spiraal van ongelijkheid en afbrokkeling van de middenklasse in gang zetten. Het discours dat de “hardwerkende middenklasse” afzet tegen de publieke sector is dus een verdraaide voorstelling.

Uiteraard is niet alles rozengeur en maneschijn in België of de andere landen die geprezen worden door de ILO.

Uiteraard is niet alles rozengeur en maneschijn in België of de andere landen die geprezen worden door de ILO.

Minder ongelijkheid en afbrokkeling van de middenklasse betekent niet dat deze fenomenen helemaal afwezig zijn, en zeker binnen sommige groepen is er een groot probleem van sociale inclusie.

Er is omwille van internationale concurrentie met landen met andere systemen ook een zekere afruil tussen het behoud van de middenklasse en het indijken van werkloosheid bij sommige groepen. En om diezelfde reden staat de middenklasse ook permanent onder druk (of heerst op zijn minst die perceptie) in deze landen.

Dat laaste verklaart ook waarom in die landen die beter hebben gepresteerd op vlak van het indijken van ongelijkheid en van de erosie van de middenklasse populisme toch niet minder voet aan de grond krijgt dan elders.

Toch lijkt het raadzaam dat eindelijk wat meer aandacht en gevolg wordt gegeven aan de aanbevelingen van de ILO.

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Docent Europese Studies UGent

    Ferdi De Ville is docent Europese Studies aan de Universiteit Gent. Hij is gespecialiseerd in vraagstukken omtrent Europees handelsbeleid, Sociaal Europa en de euro.