Zal ons diep gewortelde, diep provinciale Vlaamse taalseparatisme zegevieren?

Mijn vaderland is de Nederlandse taal

© BRecht Goris

Geert Van Istendael

De gedachten van Geert Van Istendael zijn wat verward als ze zijn identiteit(en) proberen te vatten. Maar zijn vaderland, 'mijn enige, ware vaderland’, is de Nederlandse taal. En die verdedigt hij met hand en tand tegen alle belagers. Vooral tegen belagers van binnen de grenzen.

In Brussel, vlakbij het Flageyplein, staat, in het gezelschap van een paar bomen, een donkere bronzen kop op een marmeren voetstuk. Als je goed kijkt, zie je deze woorden, in het voetstuk gegraveerd: 'MINHA PATRIA E A LINGUA PORTUGUESA'. Voor wie dat niet kan ontcijferen, hebben ze aan de zijkanten tweemaal een vertaling aangebracht. 'Mijn vaderland is de Portugese taal. Ma patrie est la langue portugaise.'

De bronzen kop stelt Fernando Pessoa voor, fabelachtig dichter en prozaschrijver. De zin komt uit zijn bevreemdende Boek der rusteloosheid, vertaald door de onvolprezen Harrie Lemmens, verschenen bij De Arbeiderspers in de reeks Privé-Domein.

Pessoa splitste zijn dichterlijke persoonlijkheid in drie en zelfs meer identiteiten. Niet zomaar schuilnamen. Het waren volwaardige, geheel van elkaar verschillende dichters, ieder met eigen levensloop, eigen onverwisselbare schrijfstijl, eigen onderwerpen ook. In één van zijn gedichten zegt hij het zo:

Vivem em nós inúmeros
('in ons leven tallozen', vertaling door August Willemsen)

Is het niet opmerkelijk dat Pessoa, die zonder rust of duur zwierf van de ene identiteit naar de andere, zich uitdrukkelijk bekende tot één vaderland?

Het klinkt heden ten dage rijkelijk ouderwets, dat woord vaderland. Vergeten we even niet dat Pessoa overleed in 1935.

Veertig jaar geleden las ik voor het eerst een gedicht van Pessoa, in de tweetalige uitgave bezorgd en verzorgd door August Willemsen, zie hierboven. Daarna duurde het nog jaren eer ik het Boek der rusteloosheid leerde kennen. Maar veel vroeger al wist ik rotsvast: mijn vaderland is de Nederlandse taal.

Misschien zijn mijn gedachten wat verward als ze mijn identiteit proberen te vatten. Fout, identiteiten. Brussels, Belgisch, Vlaams, een streepje Hollands, ooit rooms, ooit zesenzestig (mei) en achtenzestig (februari), lezer, schrijver, ik vergeet er nog een half dozijn, op zijn minst.

Echter, wat mijn vaderland is, dat weet ik verdomd goed. Mijn vaderland is de Nederlandse taal. Mijn enige, ware vaderland. Dat verdedig ik, met hand en tand. Tegen alle belagers. Vooral tegen belagers van binnen de grenzen.

Wenselijk verschil

In de krant las ik onlangs (De Morgen, 3 januari 2022) volgende kop:

‘Ik ben er zeker van dat “Hoe noemt dat” over 50 jaar standaardtaal is’

De journalist heeft die woorden opgetekend uit de mond van een meneer die beroepshalve met Nederlands bezig is bij de openbare omroep, wie precies, dat heeft eigenlijk geen belang.

Zou het niet denkbaar zijn dat mensen het op prijs stellen als je je tot hen richt in verzorgde taal? Het is niet zomaar een losse gedachte.

De meneer zegt ook nog dat taal voortdurend evolueert. Dat klopt. En hij zegt dat er een kloof dreigt te ontstaan tussen welke taal mensen spreken en de taal die mensen op televisie horen.

Let op het woordgebruik. Dreigt. Kloof.

Ik zeg:

Er dreigt helemaal niets. Wat de kloof betreft, je hoort altijd een verschil tussen de taal die mensen spreken in het dagelijkse leven en de taal van journalisten en nieuwslezers bij de openbare omroep. Dat verschil moet je ook horen. Dat verschil is wenselijk.

Hoe zou je het anders aanpakken? Wilden we soms dat Martine Tanghe destijds West-Vlaams praatte tegen de kijkers? Hebben we liever dat Rudi Vranckx ons vanuit Kaboel toespreekt in het Leuvens? Kathleen Cools vanuit de studio in het Antwerps? Ovveddegij misschien liever dawwallemaal wa meer spreke (klappe? kalle? koet’n?) gelekkazdatte mense dawijle kenne spreke? Aschet verstaat istal goe chenoeg?

Zou het niet denkbaar zijn dat mensen het op prijs stellen als je je tot hen richt in verzorgde taal? Het is niet zomaar een losse gedachte.

Enkele jaren geleden hoorde ik in een film die vertoond werd tijdens het Kunstenfestivalsdesarts een Oostenrijkse man van nederige afkomst tegen een dokter zeggen: 'Ik vind het schandalig dat u in uw positie tegen mij plat Weens dialect spreekt.' De man sprak zelf dat dialect, maar hij voelde zich vernederd door die dokter. Blijkbaar was hij het als patiënt niet waard dat de dokter zich tot hem richtte in algemeen beschaafd Duits.

Bij ons, lang geleden, waren oude flaminganten doordrongen van dat besef. Zij begrepen pijnlijk helder hoe zowel de materiële als de culturele ellende de kleine Vlamingen neerdrukte. Vernederde. Mensen als Hendrik Fayat of Gaston Eyskens hadden mogen studeren en zij wisten maar al te goed hoe bevoorrecht zij waren.

Hun conclusie was eenduidig en nobel. Wij hebben de verdomde plicht zo goed mogelijk Nederlands te spreken, want goed Nederlands is een onvervangbaar deel van de Vlaamse strijd voor emancipatie. Nu wij Vlamingen lang en breed al onze rechten hebben verworven, is dat plichtsbesef blijkbaar verdampt.

Linguïstisch ultraliberalisme

Terug naar ‘Hoe noemt die?’.

De taalkundige stelt vast dat dat almaar meer gebruikt wordt. 'Ik ben er vrij zeker van dat dat over vijftig jaar standaardtaal is', voegt hij eraan toe.

O ja?

In het Nederlands? Of zijn we in 2072 zo ver gevorderd dat we eindelijk het ondraaglijke Nederlandse juk hebben afgeschud en pronken met een aparte Vlaamse taal? Heeft ons diep gewortelde, diep provinciale Vlaamse taalseparatisme gezegevierd?

Ik heb me altijd hartstochtelijk verzet tegen onze luie neiging om in de schaduw van de kerktoren te blijven zitten. Tegen onze blijkbaar onuitroeibare esprit de clocher, als ik het eens in de taal van mijn buren en medeburgers mag zeggen, ook een taal die me zeer dierbaar is.

Maar niet zo dierbaar als het Nederlands. Mijn vaderland is en blijft de Nederlandse taal zoals die gesproken, geschreven, gezongen, gebruld, gesnikt, gerapt, geslamd wordt van Kokejane tot Noordpolderzijl en westelijk tot Paramaribo, waar de mensen schitterend Nederlands spreken. Voor minder doe ik het niet. Dat vaderland is goed democratisch.

Binnen zijn grenzen hokt een bont allegaartje bij elkaar. Geen sterveling kan tellen in hoeveel toonhoogten en registers het Nederlands wordt gekwekt en geëmmerd en gerateld en gesnaterd, van Wad tot Zoniënwoud, van De Panne tot Denekamp en tot Saramacca. Dat echoënde Babylonië, die schreeuwerige jaarmarkt, die joelende volière is mijn vaderland. Dat vaderland verdedig ik tegen alle lage belagers en zij zijn talrijk. Bijvoorbeeld taalkundigen. Vooral zij.

Wat is dat toch met die taalkundigen?

Ik schreef het hier al een keer tien jaar geleden.

Al te veel taalkundigen gedragen zich als politieagenten die weigeren te doen waarvoor ze betaald worden.

Het komt me voor dat zij ervan overtuigd zijn dat je de evolutie van een taal haar gang moet laten gaan om de doodeenvoudige reden dat het onmogelijk, ja, zelfs schadelijk is als je die evolutie wilt tegenhouden of sturen.

Ik vind dat larie en apenkool.

Dergelijke taalkundigen passen blindelings de neoliberale economische dogma’s toe op taal. De vrije markt zet zich door! Altijd! Onvermijdelijk! Probeer dat vooral niet tegen te houden! Handen af! Je kunt de vrije markt niet tegenhouden!

Zij hebben niet in de gaten dat de neoliberale economische stellingen een ideologie vormen die nauwelijks raakpunten heeft met de werkelijkheid. Zeker de jongste twee jaar is het, met dank aan Keizerin Corona, beginnen te dagen dat de neoliberale axioma’s de verpletterende meerderheid van de mensen zware schade hebben toegebracht. Politici van allerlei fatsoenen laten de neoliberale axioma’s vallen alsof het gloeiende kolen zijn. Verstandige sturing, luidt het devies, dat hebben wij nodig. Ik hoop maar dat de taalkundigen hun linguïstisch ultraliberalisme bij het groot vuil zetten.

Ieder democratisch vaderland heeft regels nodig, zo niet gaat dat vaderland ten onder in krakeel en kijvage. Zo ook de Nederlandse taal.

Al te veel taalkundigen gedragen zich als politieagenten die weigeren te doen waarvoor ze betaald worden. Zij verwarren regel met realiteit, norm met feitelijk gedrag. Het is alsof ze postvatten naast verkeerslichten en het vervolgens vertikken wetten en reglementen toe te passen. Ze stellen vast dat iedereen door rood rijdt en in plaats van op hun fluitje te blazen, besluiten ze, oké, dat is nu eenmaal het gebruik, dat kun je niet tegenhouden, dus schaffen we maar beter die verkeerslichten af. Was deregulering niet hét dogma van de neoliberale economen?

Wie ‘Hoe noemt die’ tot norm verheft, berooft het Nederlands van een betekenis.

Wie beweert dat je taalontwikkeling niet kunt ombuigen, draait ons een rad voor de ogen. Al een paar eeuwen, misschien langer, is in allerlei landen, ook in het onze, taal veel meer een zaak van politieke wil dan van vrije markt. Hadden bijvoorbeeld wij, Vlamingen, geweigerd voor onze taal op te komen en de hele taalzaak aan de vrije markt overgelaten, dan spraken we vandaag allemaal Frans. Et alors? Dan had ik een ander vaderland bewoond.

Maar in de Nederlandse taal, op deze plek naast de taalgrens, kan ik naar hartenlust gaan kijken in het naburige vaderland. Als het mij hier niet meer aanstaat, zal ik misschien emigreren, wie weet wat mijn luttele jaren nog brengen. De omgekeerde oversteek, van Frans naar Nederlands, is, althans in mijn leven, altijd veel moeilijker geweest.

Twee woorden, twee betekenissen

En nu terug naar die vreselijke mishandeling van mijn taal.

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws
Jazeker, vreselijke mishandeling. Voor ‘Hoe noemt die?’ kan er geen plaats zijn in mijn vaderland. De reden is zonneklaar. Wie ‘Hoe noemt die’ tot norm verheft, berooft het Nederlands van een betekenis. Besteelt mijn vaderland. Weg met de dief. Want nu hebben we twee woorden voor twee betekenissen, heten en noemen.

Noemen is een naam geven.

Heten is een naam hebben.

Maar in jouw fraaie Frans is het wel zo?! Mis poes. In het Frans zegt men je m’appelle, vertaal dat letterlijk en je krijgt: ik noem mij – bijgevolg ik heet.

En ten slotte, in het Brussels vragen ze: oo ut ta menneke? Vertaald: hoe heet dat jongetje? Voor dat Brussels, die schavuit, anarchist, zot, zal altijd plaats zijn in mijn vaderland.

Oo ut aa toêl?

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3181   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Schrijver & voormalig journalist

    Geert van Istendael (°Ukkel, 1947) studeerde sociologie en wijsbegeerte. Hij werkte bij het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek, over ruimtelijke ordening.