Ondertussen raast het échte leven met échte mensen maar door

Nelly, de Marrakech-experten en een vraag voor de saaie minister

© Brecht Goris

 

Een staatssecretaris die een jaar lang werkt aan een internationaal verdrag, vervolgens zijn kar en zijn partij keert, een regering doet vallen en openlijk een extreemrechtse betoging aanbeveelt tegen het verdrag waaraan hij zelf heeft meegewerkt. Het is de Belgische politiek van de voorbije maand in een notendop en één van de meest trieste politieke dieptepunten van het laatste decennium. ‘Belgium’s Prime Minister facing populist revolt over migration, offers resignation’, klinkt dat dan in The New York Times.

Sommigen zagen, in wat volgde na de demarche van de burgemeester van Lubbeek, een hoogmis van de democratie. Dat was het niet. Een onverkwikkelijk, triest debacle de naam circus niet waard, dat was het wel. Elke verwijzing naar een kunstvorm die mij na aan het hart ligt, is een blamage. Nee, wie had gehoopt nieuwe, hedendaagse, uitdagende vormen van leiderschap en bestuur te mogen aanschouwen aan het einde van het achttiende jaar van het derde millennium, is eraan voor de moeite.

Wel goed nieuws voor kijkcijfers van actualiteitsprogramma’s, zo’n crisis. Ook voor columnisten, opiniemakers en grondwetsspecialisten, aan onderwerpen geen gebrek deze dagen. De saga rond Marrakech, de reutelende en eindeloze doodstrijd van de regering, het debat in de kamer en de revanche van N-VA… Zoveel voer voor vermaak. En wat hebben we geleerd? Veel. Onder andere dat rancune een te wantrouwen raadgever is, en de combinatie met macht een gevaarlijke cocktail oplevert. Want wat te zeggen over het optreden van Bart De Wever — formally known as de grote verzoener — in de studio van De Afspraak?

Vanop het Schoon Verdiep zou De Wever over het lot van de eerste minister beslissen. Nou. Daar kreeg ik het licht benauwd van

Voor wie het miste: na de regeringsval ging de burgemeester van Antwerpen zo in het rood dat hij het nodig vond zich met Nero — duim omhoog, duim omlaag — te vergelijken om duidelijk te maken wie de echte baas van het land is. Vanop het Schoon Verdiep zou hij van nu af over het lot van de eerste minister beslissen. Nou. Daar kreeg ik het licht benauwd van.

Gelukkig woont er, ook al ben ik een jaar of vijf te laat geboren, een punker diep in mij. Die gebruiken een andere vinger om hun ongenoegen te uiten. Je tegenstanders te snel af zijn is één ding. Ze openlijk vernederen een ander. Zeker als je ze ooit later nog wel eens nodig zou kunnen hebben.

Ik heb wel genoten van de bijdrage van de experten. Weet u nog? Om licht te brengen in het duister werd een hoop juristen opgetrommeld. Op de een of andere manier, in deze naar populisme overhellende tijden, worden zij nu en dan als enige, zo niet belangrijke bron van waarheid aangezien. Laatste reddingsboei op een woelige en stormachtige zee. Ik heb écht genoten van hun entr’acte. Al was het maar omdat hun tekstexegese tot net zoveel verwarring, semantische mist en tegenspraak leidde als een colloquium postmodernen zou produceren wanneer je ze op een gedicht van Dirk Van Bastelaere loslaat.

U mag mij gerust van een slecht karakter verdenken, maar ik vind dat eerder geruststellend. Wetteksten als postmoderne poëzie. Wetteksten verhouden zich zoals elke vorm van taal – zoals ik ooit leerde in een cursus linguïstiek – niet rechtstreeks tot de werkelijkheid. Ze proberen ze in te richten en te organiseren, en kunnen derhalve niet anders dan falen, of samenvallen met wat ze trachten bij te sturen: menselijk onvermogen.

Maar daar wil ik het eigenlijk niet over hebben. Het is kerst en er is het echte leven. De waan van de dag is dan wel leuk om te volgen op televisie, je kan er niet in leven. En ondertussen raast het échte leven met échte mensen maar door. Daarom wil ik u graag over twee ontmoetingen vertellen. En ik heb er twee vragen bij. Een vraag per ontmoeting. Experten zijn welkom, maar ook als u zich geen ethicus of jurist kunt noemen, mag u zich aangesproken voelen. Hier gaan we.

Nelly

De eerste ontmoeting is die met een vrouw die ik voor het gemak Nelly zal noemen. Al ben ik niet gans zeker dat ze echt zo heet. Ik heb haar naam maar één keer horen vallen, en nooit van haar bevestiging gekregen dat die naam ook echt klopt. Nelly zat zo’n goeie drie weken op een bank op het achterplein van KVS. De eerste bank die je tegenkomt als je achter de oude schouwburg langs de Arduinkaai richting Varkensmarkt loopt.

Ik had haar niet eens opgemerkt, hoewel ze er al geruime tijd zat. Dag en nacht. Een paar jassen over elkaar, altijd een kap op, en een zak met wat levensspullen aan haar voeten. Het was Frie Leysen, buurvrouw en voormalig directrice van het Kunstenfestivaldesarts die me attent op haar maakte. Op een avond eind november was dat, vlak voor het begin van de voorstelling De wereld redden, troonde ze me mee tot bij Nelly.

Of wij niets voor haar konden doen? Nelly, zo wist Frie, zat daar al minstens tien dagen, verdoken onder de te ruime kap van haar parka voor zich uit te kijken, zichzelf voortdurend met verontrustende schouderschokjes over en weer wiegend. We hadden een kort gesprek. Ze liet verstaan dat ze niet naar Foyer wilde. Daar was het vies. ‘Mensen spuwen er op de grond’, vertelde ze met klagerige stem. Liever de straat dan naar Foyer.

‘Kan wel zijn, maar je kan hier niet blijven zitten. Het is koud’, probeerden we tevergeefs.
 — ‘Je m’en fous.’

Er was geen beginnen aan.

‘Kunnen jullie haar niet even opvangen?’, wilde Frie Leysen weten. Ik beloofde Frie dat ik er wat aan zou doen. Iets wat ik te vaak, te snel doe, ook wanneer ik beter zou zeggen dat ik er weinig aan kan doen. Een vreemde karaktertrek. Een probleem bezweren, helpt het niet per definitie de wereld uit, leerde een collega die me erg na aan het hart ligt mij onlangs. Maar het is toch een begin, lijk ik altijd maar weer te denken.

Ik belde Samusocial. Ook die konden weinig doen, lieten ze me weten.

‘We weten wie je bedoelt. We komen een paar keer per dag langs en vragen haar om mee te gaan, maar we kunnen haar daar niet toe dwingen.’
 — ‘Ik denk dat ze er slecht aan toe is. Denken jullie dat ook?’
‘Ja.’
 — ‘Wat kunnen we dan doen? Wat als ze sterft onder onze ogen?’
‘Jij zou de politie kunnen bellen. Wij mogen dat niet… jij zou het kunnen.’

‘Ik ga niet mee. Hou erover op. Ik mag hier zitten. Dat is mijn recht. Ook al sterf ik hier. En als jullie blijven zeuren, steek ik mezelf in brand’

Een dag later zat ze er nog… net als de dag daarna. En alle dagen die daarop volgden tot midden december. Dag en nacht. Ze zat er als ik ‘s avonds na een voorstelling vertrok, ze zat er de volgende ochtend nog… Een keer liep ik langs toen twee zorgverleners van Samusocial bij haar stonden. Zelfde tafereel. Kop nog meer in kas. Steeds onzichtbaarder. ‘Nelly’, zei de jonge vrouw – het was de enige keer dat ik haar naam hoorde — ’Waarom kom je niet mee. Het is gevaarlijk hier.’

‘We weten dat je niet naar Foyer wilt. We kunnen je naar het hospitaal brengen. Daar is het proper. Het is een kliniek.’
 — ‘C’est sur Mille Bruxelles?’
‘Oui, c’est tout près. C’est Saint-Pierre.’

‘Saint-Pierre’, zegt Nelly. ‘Dat klinkt katholiek.’
‘Het is niet echt katholiek,’ zeggen wij in koor. ‘Het is maar een naam. Sainte-Catherine, Saint-Michel… Saint-Who-fucking-cares?’
‘Nee.’

Bij lang aandringen verheft ze boos haar stem.
‘Ik ga niet mee. Hou erover op. Ik mag hier zitten. Dat is mijn recht. Ook al sterf ik hier. En als jullie blijven zeuren, steek ik mezelf in brand.’

Ik vraag haar waar ze vandaan komt. Ze zwijgt.

Ze zit en wil niet naar binnen gaan. De werkmannen, die iets verderop aan het gebouw aan het werk zijn en haar kennen net als ik, kijken af en toe onze kant op.

‘Wil je soep, wil je koffie of thee?’
 — ‘J’ai pas faim.’

Ze wordt opnieuw boos… ‘Geef me wat geld. Dan kan ik sigaretten kopen… of kip.’

Nelly zit waar ze hoort te zitten. Te kijken naar het plein. Ze gomt zichzelf steeds meer uit. Ze is nog nauwelijks zichtbaar

Op zeven december zit ze er nog. Er zijn intussen duizenden mensen langsgelopen. In de schouwburg kwamen en gingen artiesten en toeschouwers. Alles beweegt. Enkel Nelly niet. Zij zit waar ze zit. Het is koud en de regen valt met bakken uit de hemel. Nelly zit waar ze hoort te zitten. Te kijken naar het plein. Ze gomt zichzelf steeds meer uit. Ze is nog nauwelijks zichtbaar. Wie weet dat ze er ligt, ziet nog nauwelijks om. Wie het niet weet, ziet haar niet. In een slaapzak gehuld, op een zak, en op de grond een lege zak die dienstdoet als vuilnisbak. Een enkele keer staat ze op. Ik zie hoe ze gaat plassen bij een boom. Hoe ze zich er schoonveegt. Mille Bruxelles.

Het verhaal van Nelly is geen nieuws. Zo zegt ook mijn collega als ik kort over haar vertel. Vorige maand is er iemand gestorven op straat om de hoek. Je kan niets doen als ze niet geholpen wil worden. ‘Hier om de hoek’, herhaalt hij. ‘Brussel loopt vol met zulke mensen.’ Dat is waar. Dat dacht ik ook toen ik de geprezen foto van Tim Dirven zag een week terug. Drie kindjes in de kou onder een deken bij het asielloket.

‘En de politie bellen?’, gaat mijn collega verder. ‘Dan is ze nog slechter af… Wat gaan die doen denk je?’ Ik denk even niets en vervolgens dat hij gelijk heeft.

Midden december is ze verdwenen. Geen idee waar naartoe. Ze komt niet in de krant, en dat is goed nieuws. Wat kan en moet je doen om zo iemand te helpen? En hier is de vraag voor de ethicus: is er een verschil tussen een vrouw in nood onder je vensterraam, en een vrouw in nood onder een vensterraam om de hoek? Zien, of niet zien.

Een gesprek over het leven binnen en buiten

De tweede ontmoeting was er één met een groep gedetineerden van de gevangenis in Sint-Gillis. Een groepje mannen daar had Rosie en Moussa gelezen, een boek waarin ik vertel over een vader die in de gevangenis zit en zijn dochter mist en een brief schrijft om haar dat te vertellen.

Ook al is het niet de eerste keer dat ik in een gevangenis kom, — ik speelde ooit een voorstelling in de bezoekersruimte van verschillende Belgische gevangenissen — het blijft een spannende gebeurtenis. In een oude kapel in Sint-Gillis is een bibliotheek ingericht. Daar gaat de meeting door. Er is cake en koffie, en dus een gesprek met een boek als aanleiding. We praten over van alles. Over het leven binnen en buiten, over hun kinderen, hun angsten en hun verlangens. Over de tijd die stilstaat en het moeilijke contact met de wereld buiten, met geliefden en kinderen.

‘Het is moeilijk. Alsof twee energieën elkaar ontmoeten’, zegt iemand. ‘Jij wil vanalles zeggen. En zij overstelpen je met informatie of vragen, maar je kan niets doen. Je zit vast.’
‘Buiten… Onze kinderen kunnen we meestal wel overtuigen. Maar de ex en de schoonfamilie, die blijven je met de nek aankijken. En ik schaam me…’

‘Wat moeten we met de schaamte?’, vraagt iemand me.
 — ‘Hoe bedoel je?’

Daar heb ik even niet van terug, laat staan dat ik een expert ben in schaamte. ‘Misschien zit die schaamte meer in jullie hoofd dan in het hoofd van anderen? En wat er ook van zij, als je je oprecht hebt verontschuldigd tegen wie dat hoort, dan moet je op een dag de bladzijde voor jezelf toch trachten om te draaien. Desnoods doe je dat zelf, als anderen dat niet willen of kunnen? Ik bedoel maar… als je je straf hebt uitgezeten dan moet je verder?’

‘Oké, ik ben gestraft. En het is hier geen hotel. Maar als jullie denken dat jullie mij helpen, dan moet ik jullie teleurstellen. Jullie zijn iedereen hierbinnen serieus aan het opfokken’

‘Ik zit hier nog maar een paar maanden,’ zegt iemand, voor we afscheid nemen. ‘En het gaat niet goed met mij. Oké, ik ben gestraft. En het is hier geen hotel. Maar als jullie denken dat jullie mij helpen, dan moet ik jullie teleurstellen. Jullie zijn iedereen hierbinnen serieus aan het opfokken.’

‘We bellen wel eens’, zegt hij nog. ‘Maar het is inderdaad moeilijk. Laatst had ik mijn dochter gevraagd om zich om acht uur klaar te zetten voor een gesprek, maar ze kwamen me al uit de cel halen om zeven uur. Ik zei hen dat dat te vroeg was, maar het was dan of niet. Voor zeven uur bellen is pokkeduur. Je ziet de euro’s bliksemsnel verdwijnen. Er is onwaarschijnlijk veel lawaai. Alsof je op een snelweg staat. Mijn dochter was nog niet thuis en we hebben niet kunnen praten.’

Des mots dans le vent

Ach. Wat zijn columns? Wat betekenen ze, wat stellen ze voor en wat veranderen ze? Des mots dans le vent. Je kan hooguit iemands idee versterken, of wie weet, een ander aan het twijfelen brengen. Of je kan je nu en dan eens tot iemand richten, in de hoop dat hij of zij het dan ook te lezen krijgt.

Zo dacht ik me in deze te richten tot Koen Geens, minister van justitie. Ik schat de heer Geens nogal hoog in, moet ik bekennen. En dat is niet alleen omdat ik hem er soms op betrap een voorstelling bij KVS bij te wonen. Al helpt het en siert het wel, toegegeven. Nee, ik vind hem uit het juiste, ietwat saaie, ministerhout gesneden. Bezondigt zich zo min mogelijk aan prietpraat, waardoor ik geneigd ben naar hem te luisteren wanneer hij wel spreekt.

Beste meneer Geens, soms zijn de grote ruzies voor de galerij, ze veranderen niets aan de levens van mensen. Sommige eenvoudige beslissingen doen dat wel. En ik besef dat u de overbevolking en onderbemanning in de Belgische gevangenissen niet in een handomdraai kunt oplossen, maar regelen dat gedetineerden simpel en eenvoudig naar huis kunnen bellen, zonder dat het stukken van mensen kost, gratis liefst, of zonder dat ze op het midden van een snelweg lijken te staan? Zo moeilijk kan dat allemaal toch niet zijn?

Wie weet kunt u daar gauw nog wat aan doen? Zo tussen kerst en nieuw? Voor we ons helemaal verliezen in stilstand en communautair gekissebis waar geen dooie hond beter van wordt. Of komt mijn vraag te laat? En kan de minister niets meer doen, tot mei en misschien lang daarna?

Geen idee eigenlijk. Al is er vast en zeker een jurist te vinden die me daar een passend antwoord op kan geven.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift