Nie wieder -ismus!

In een interview met De Standaard zegt de Nederlandse journaliste Hassnae Bouazza dat racisme niet meer benoemd mag worden. ‘Zelfs Geert Wilders mag je geen racist meer noemen’, voegt ze eraan toe. Tobias Leenaert doet in zijn column een oproep tot meer terughoudendheid in het gebruik van “-ismen” tijdens discussies op sociale media. Die worden al te vaak te kwader trouw gebruikt.

  • © Brecht Goris © Brecht Goris

Het verbaast me steeds hoe verschillende mensen vaak zo’n totaal verschillende percepties van iets kunnen hebben. Zelf deel ik de indruk niet dat je mensen niet meer van racisme mag beschuldigen. Wel integendeel. Ik ga even voorbij aan het feit dat Bouazza op het einde van het interview niet gewoon Wilders zelf maar heel zijn partij racistisch noemt, of dat een Google search “geert wilders racistisch” tienduizenden hits oplevert.

Mijn perceptie is veeleer dat een beschuldiging als “racistisch” vaak wordt overgebruikt, samen met vele andere -ismen. Ook de woorden “seksistisch” en “fascistisch” zie ik bijvoorbeeld te pas en te onpas opduiken. En daar houdt het niet op: in opmars - voorlopig vooral in de VS, maar dat komt wel overwaaien - zijn begrippen als “ageist” (discriminatie op basis van leeftijd), “classist” (op basis van “klasse”) en “ableist” (discriminatie tegen mensen met een beperking). Zelfs de term “lookist” bestaat: discriminatie op basis van hoe aantrekkelijk iemand eruit ziet.

Vandaag lijkt er geen betere manier om tegenstanders monddood te maken of hun argumenten te verpulveren dan ze van een van de -ismes te beschuldigen

Wat me vooral stoort, is dat al deze begrippen vaak in de mond worden genomen als een soort ad hominem argument. Vandaag lijkt er - en ik spreek uiteraard vooral over links-progressieve kringen - geen betere manier om tegenstanders monddood te maken of hun argumenten te verpulveren dan ze van een van deze -ismes te beschuldigen. Als je kan aantonen dat iemand bijvoorbeeld een zogezegd fascistische (of vul je eigen -isme in) uitspraak heeft gedaan, dan hoeven jij noch anderen - zo is de redenering - niet meer naar hem of haar te luisteren.

In het Engels spreken we over “call out culture”: de tendens om wat gezien wordt als onderdrukkende taal of gedrag publiekelijk (meestal gaat het om social media of webfora) aan te klagen (to call out). Soms lijkt het een soort van sport te worden, en zie je bij wijze van spreken mensen over elkaar heen buitelen om als eerste te kunnen roepen dat iets “seksistisch” of “fascistisch” is.

Een paar voorbeelden die ik aan de lijve heb ondervonden (in een Angelsaksische context). Toen ik ergens in een Facebookgroep schreef dat sommige activisten zich bij momenten “crazy” gedragen (in de zin dat ze fundamentalistisch overkomen), probeerden verschillende mensen me onderuit te halen. Omdat ze met me van mening verschilden, wezen ze erop hoe die woordkeuze “ableist” is en denigrerend of kwetsend naar mensen met een mentale beperking. Mijn “tegenstanders” schaarden zich aan de zijde van iemand met autisme, die uitlegde hoe pijnlijk mijn taalgebruik was. Hetzelfde gebeurde toen ik de term “blinde vlekken” gebruikte. Ook dat zou pijnlijk zijn voor mensen met een visuele beperking.

Hoe eenvoudig is het niet om tegenstanders van zo’n -isme te beschuldigen om de aandacht af te wentelen van de inhoud van wat ze zeggen

Dit soort call out culture is problematisch op vele gebieden. Ik trek niet graag iemands intenties in twijfel, maar op zijn minst kunnen we zeggen dat het erg makkelijk is om dergelijke argumenten te kwader trouw te gebruiken.

Hoe eenvoudig is het niet om tegenstanders van zo’n -isme te beschuldigen om de aandacht af te wentelen van de inhoud van wat ze zeggen, en hen tijd en energie te laten verliezen in het zich verdedigen tegen allerlei aantijgingen.

En energie vraagt het. Want als je een beetje van een goed en rechtschapen mens probeert te zijn, dan zal je dergelijke beschuldigingen ter harte nemen (zeker als je ook nog eens niet te snel conclusies wil trekken over eender wat). Het gaat om zware aantijgingen en ze mogen niet lichtzinnig worden geuit, maar ook niet lichtzinnig worden verworpen.

Het zijn ook argumenten die vaak veel kracht bezitten. Denk zelf eens hoe snel je geneigd bent om iemand te negeren waarover je uit derde hand hebt vernomen dat “hij een -ist is”. De vrees om zelf van -istische neigingen beschuldigd te worden, zal je vaak bewust of onbewust beletten je verder in diens argumenten te verdiepen. En die persoon publiek verdedigen - ook al sta je er achter hem - zal je al zeker niet doen.

Misschien ziet de opmerkzame lezer dat ik geen voorbeeld heb gegeven van wat ik als een onterechte beschuldiging van racisme beschouw. Wel, ik durf niet goed, en dat is dus deel van het probleem. Als ik hier iets noem dat ik geen racisme vind, en u vindt dat wel, dan beschouwt u me misschien als een racist, of als een vergoeilijker van racisme. En dan riskeer ik - wanneer ik niet akkoord ga met de mening van een underdog - al snel als een gevoelloze zak over te komen.

Sociale media worden gebruikt om mensen publiekelijk te blameren en in verlegenheid te brengen. De gevolgen zijn soms dramatisch.

Dat het om publieke uitlatingen gaat, maakt het allemaal dubbel zo problematisch. Auteur Jon Ronson spreekt in zijn boek So you have been publicly shamed over de terugkeer van de schandpaal: sociale media worden gebruikt om mensen publiekelijk te blameren en in verlegenheid te brengen. De gevolgen zijn soms dramatisch. Bekijk even Ronsons boeiende TED talk when online shaming spirals out of control, met het relaas van een racistisch klinkende grap die leidt tot wereldwijde scandalisering en vervolgens een ontslag.

Ook als de bedoelingen van de aanklagers goed en integer zijn (ze willen minderheden, waartoe ze al dan niet zelf toe behoren, beschermen) leidt een en ander vaak tot erg weinig empathische praktijken. Ronson zegt dat ‘ons verlangen om gezien te worden als compassievol ons zeer oncompassievolle dingen doet doen’.

“Call-out culture” heeft zichzelf ook al ten dele geïmmuniseerd tegen kritiek. Wie zich vragen stelt bij de aantijgingen of bij het hele fenomeen, wordt vaak gevraagd om naar binnen te kijken en stil te staan bij zijn eigen privileges (“check your privilige”). Die van bijvoorbeeld blanke man. Ik ga akkoord dat we ons vaak niet bewust zijn van onze bevoorrechte positie, en vaak nog minder weten over wat bepaalde minderheden soms moeten doorstaan. Maar weiger te geloven dat het behoren tot een bepaalde geprivilegieerde groep je altijd en overal zand in de ogen strooit en belet dat je nog objectief of rationeel kan denken en oordelen.

Een stijgende gevoeligheid voor taal, en een stijgende bekommernis over hoe we met onze woorden mensen kunnen uitsluiten, veralgemenen en veroordelen, is natuurlijk een goede zaak. Maar hoe onrechtvaardig en verkeerd racistische, seksistische en andere uitspraken en handelingen ook kunnen zijn, en hoe reëel de discriminatie van bepaalde groepen, al deze -ismen zijn heel makkelijk te misbruiken. Laat ons waakzaam en kritisch blijven, en laat ons vooral helder blijven denken.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur