Over het belang van poëzie. Nu.

Nu de priesterkaste der technocraten het refrein van het bokkenlied There Is No Alternative tot vervelens toe psalmodieert, nu de noordelijke machthebbers die prachtige, oeroude Griekse uitvinding, de democratie, afserveren als een vervelend, doch niet ter zake doend detail, nu is het dissonante contrapunt van de dichter nodig als brood, schrijft Geert Van Istendael in zijn nieuwe column.

  • © Brecht Goris © Brecht Goris

Bij het verschijnen van mijn nieuwe dichtbundel Het was wat was.

Ik wil het hier slechts hebben over één facet van de poëzie. Misschien is het niet eens het belangrijkste, maar het komt me voor dat het al geruime tijd onderbelicht blijft. Ook zij erop gewezen dat wat volgt raakt aan andere kanten van de poëzie en dat zijn er vele. Talloos zijn de bacteriën die de poëzie in leven houden.

De betreurde Harry ter Balkt, voor wie ik bij dezen een diep buiging maak, heeft ooit tegen Marc Reugenbrink gezegd dat poëzie ‘is wat moet en niet kan, wat zou moeten kunnen maar niet mag, wat kan en niet moet, wat welvoeglijk is maar niet passend, wat correct is maar onfatsoenlijk.’ Wat nu komt, is daar nauw aan verwant, althans, dat stel ik me voor.

Al te gretig hebben koningen, keizers en andere dictatoren zich bemoeid met de dichtkunst.

Poëzie vandaag is onkruid in de achtertuin. Poëzie is een porseleinen pop, vergeten op zolder. Poëzie is een zwakke weggebruiker. In ons financiële kapitalisme is poëzie een randverschijnsel. In het beste geval kan ze rekenen op gedoogbeleid, misschien is ook dat te hoog gegrepen. Hedendaagse machthebbers, in Brussel, Frankfurt, de Londense City, Wall Street en elders, hebben wel wat anders aan hun hoofd dan versjes.

Het verleden ophemelen wil ik zeker niet. Al te gretig hebben koningen, keizers en andere dictatoren zich bemoeid met de dichtkunst. Zodra de heerser des dichters gangen begint na te gaan, zodra poëzie dus een Belangrijke Maatschappelijke Factor wordt, kun je je beter uit de voeten maken, dichter zijnde.  Ovidius verbannen naar de Zwarte Zee, Dante de stad uitgejaagd, Baudelaire voor de rechter gesleept, Mandelstam in een kamp, Mühsam vermoord. Verzenbakker of genie, het heeft geen belang, ren voor je leven.

Maar vandaag is de dichter dus een randfiguur.

Fatsoenlijke mensen verdienen hun brood door te werken. Ik ken niet één dichter die kan leven van zijn ambacht. Mocht onverhoeds zo iemand worden gevonden, vergeleken bij de eerste de beste ceo blijft hij in ieder geval een armoedzaaier. Zelfs iemand als Pablo Neruda, die tienduizenden bundels verkocht, was naast de eerste de beste Belgische bankenbaas een financiële dwerg en bedenk dat Neruda schreef in een wereldtaal, vandaag de moedertaal van meer dan 400 miljoen medemensen.

Vreemd genoeg stelt de dichter geen looneisen. Eigenlijk houdt de dichter zich vooral koest. Hij zit wat in zichzelf te mummelen, hij loopt wat te lummelen. Hij doet eigenlijk niets, want poëzie wordt gemaakt by doing nothing, zoals Gilbert Keith Chesterton priester-speurder Father Brown laat zeggen in een van zijn magistrale verhalen. De dichter doet niet mee, zoals de sjimpansee in Paul van Ostaijens Berceuse presque nègre. Dat is vandaag zijn beslissende en volgens mij onmisbare bijdrage tot deze hyperactieve, hyperparticipatieve samenleving.

Dát je dichter bent, is op zich al radicale maatschappijkritiek. Ik schreef iets dergelijks meer dan vijftien jaar geleden. Sindsdien, vooral sinds 2008, is de maatschappij zo onheilspellend aan het veranderen, dat die stelling alleen maar aan kracht wint.

Dát je dichter bent, is op zich al radicale maatschappijkritiek.

Hoeveel zou vandaag een schilderij van Gustave van de Woestijne kosten? Denk aan getallen met vijf nullen. Een paar jaar geleden werd er bij Christie’s eentje afgehamerd op iets minder dan een half miljoen euro. En hoeveel kost het verzameld dichtwerk van zijn broer Karel? € 49,95, ik heb het nagekeken bij bol.com. De gedichten van Richard Minne kocht ik destijds voor achtenveertig franken. Voor degenen onder u die niet meer zo vertrouwd zijn met dukaten, dubloenen en ander antieke zilverstukken, dat is één euro twintig cent. Één euro twintig voor honderdtwintig van de prachtigste verzen. Absolute topklasse in de Nederlandse literatuur. Een kind kan uitrekenen hoeveel dat is per gedicht: één cent. Net niet nul. Even terzijde, wie durft daar nog te zeggen dat poëzie elitair is?

Meer dan een halve eeuw geleden schreef Hans Magnus Enzensberger:  ‘Das Gedicht ist die Antiware schlechthin’, het gedicht is zonder meer de anti-koopwaar. Hans Magnus Enzensberger krijgt iedere dag meer gelijk. De reden ligt voor de hand.

Dit is een tijd waarin de ruilwaarde steeds meer de gebruikswaarde overrompelt, wegduwt, vervangt, vernietigt. Een stoel is alleen waard wat hij kost. Dat je er ook op kunt zitten, heeft geen enkel belang. Een fabriek is alleen waard wat de beurs ervoor veil heeft. Wat je in die fabriek maakt, heeft daar niets mee te maken en is verwaarloosbaar.

Daarbij komt dat de noties verkoopbaarheid en rendement alle domeinen des levens binnendringen, onstuitbaar. Alleen wie winst maakt, handelt nog rationeel. Sterker, alleen wie het eigen profijt najaagt, handelt rationeel. Steeds meer is dat soort rationaliteit - voor de economen is een andere vorm van rationaliteit onduldbaar, zo niet ondenkbaar – is de economische, lees egoïstische rationaliteit de enig geldige maatstaf om menselijk handelen te beoordelen. Aangezien er geen waarde mag bestaan buiten de ruilwaarde en aangezien poëzie geen enkele ruilwaarde heeft, is poëzie dus waardeloos. Het profijt is God en aangezien poëzie nul profijt oplevert, is poëzie godslastering. Het woord van de dichter is een vloek in de heilige kerk van de hedendaagse economie.

Enkele jaren geleden zei ik in een radio-uitzending dat poëzie me geen rooie duit opleverde. De radioman die met me praatte, vroeg me: Waarom doe je het dan? Blijkbaar kón hij zich niet voorstellen dat je iets zou doen waarmee je geen winst maakt.

Michel Houellebecq schrijft in een gedicht met de ondubbelzinnige titel Dernier rempart contre le libéralisme: ‘… nous devons lutter pour la mise en tutelle de l’économie et pour sa soumission à certains critères que j’oserai appeler éthiques’, wij moeten vechten om de economie onder voogdij te brengen en om haar te onderwerpen aan bepaalde maatstaven die ik ethisch zou durven te noemen. Wie nu opwerpt, maar dat is toch geen gedicht, die moet ik tegenspreken. Het is zelfs meer dan een in de Franse literatuur vaak voorkomend genre, het is meer dan een poème en prose, want zoals zo vaak zit Houellebecq de hele tijd te rijmen, in deze strofe op de klank –ique.

Hoe meer onze samenleving geobsedeerd raakt door winstbejag, des te subversiever wordt poëzie

Hoe meer onze samenleving geobsedeerd raakt door winstbejag, des te subversiever wordt poëzie, automatisch, alleen maar door te zijn wat ze al was:  

Poëzie is altijd onverkoopbaar geweest. Meer dan zes eeuwen geleden bracht zij de dichter van Beatrijs “cleyne bate”.

Nutteloos. Op het eerste gezicht toch. Dat kenmerk deelt de poëzie vandaag met de deeltjesfysica. Iemand als François Englert zegt niet zomaar dat het fundamenteel wetenschappelijke onderzoek bedreigd wordt, omdat het geen zichtbaar of meetbaar nut heeft binnen afzienbare tijd. Lees: omdat het geen winst oplevert. Wetenschappelijk onderzoek moet heden ten dage strategisch zijn, dit wil zeggen, een onmiddellijke toepassing in het vooruitzicht stellen die geld opbrengt, zo niet heeft het geen recht van bestaan.

Traag. Gedichten schrijven heeft iets van geologische processen. Aanslibben. Eroderen. Laten beregenen. Deze tijd is snel, sneller, snelst.

Plaatselijk, want schatplichtig aan één taal. Alles moet nu geglobaliseerd zijn.

Eenvoudige productiemiddelen. Dat heeft poëzie minder gemeen met de fysica. Wij hebben geen deeltjesversnellers van 27 kilometer nodig. Voor een kwatrijn volstaan 27 cm² papier en een stompje potlood.

Ambachtelijk en hopeloos ouderwets. Sonnetten werden meer dan zeven eeuwen geleden geschreven aan het Siciliaanse hof van koning Frederik, vandaag schrijven Ilja Leonard Pfeijffer en Jean-Pierre Rawie ze van Genua tot Groningen.    

Ten slotte is poëzie ook duurzaam. Maar dan echt duurzaam. Iets maken dat tweeduizend jaar standhoudt. ‘Aere perennius’, duurzamer dan brons (Horatius). Of tweehonderd jaar. ‘Was bleibet aber, / stiften die Dichter’, wat blijft, stichten de dichters (Hölderlin).

Want onze machthebbers, zo Europese als nationale, mogen dan wel onophoudelijk klétsen over duurzaamheid, in de praktijk jagen zij koortsachtig het tegendeel na, het efemere, de korte termijn, de waan van de dag.  Kijk naar hun daden. En sidder.

De dichter die gewetensvol het ambacht beoefent, is door die arbeid alleen al hoogst politiek bezig, nu meer dan ooit.

Wil dat dan zeggen dat de dichters politieke poëzie moeten schrijven? Dichters moeten niks, behalve goede gedichten schrijven. De Duitse dichter Peter Huchel, die ermee te maken had in de DDR, heeft het politieke gedicht ooit ‘eine gußeiserne Lerche, die nicht fliegen kann’, genoemd, een gietijzeren leeuwerik die niet kan vliegen. De dichter die gewetensvol het ambacht beoefent, is door die arbeid alleen al hoogst politiek bezig, nu meer dan ooit. De ivoren toren staat nooit ver van de barricade. Maar op de barricade zelf komt de dichter misschien beter niet. Op de barricade loopt de dichter alleen maar in de weg.   

Nog een paar opmerkingen over de nieuwe bundel.

Hij begint, zoals mijn vorige vier, met negen dinggedichten, allemaal volgens hetzelfde stramien, vijf regels, witregel, drie regels, en een min of meer geijkt rijmschema.

Wat voor dingen dringen zich aan mij op?

Meestal dingen die ons dagelijkse leven al sinds onheuglijke tijden begeleiden. Die niet veranderen. Die stilstaan, soms eeuwen. Zij groeien niet, zij zijn. In deze tijd alweer een zware zonde, een steeds zwaardere zonde. Ketterij. U kent wel het dogma uit het bedrijfsleven: stilstaan is achteruitgaan. De dingen die ik wil oproepen, dreigen dan ook verdrongen te raken, vergeten, verloren.

Ik bezig daarbij woorden, niet alleen voor de dinggedichten trouwens, die in onbruik dreigen te raken: paander, guts, krammetsbezie. Ik begeef me zodoende in het goede gezelschap van Hubert van Herreweghen, die, vijfennegentig jaar oud, ons onlangs een nieuwe bundel schonk. Bulleman, altemets, hameien, schrijft de stokoude tovenaar. Jaren geleden heeft hij me een keer aangemoedigd om net zulke woorden tot leven te wekken in rauwe, zeer hedendaagse gedichten. Van Herreweghen zegt over zijn manier van werken in Brussel Deze Week: ‘Eigenlijk heb ik nooit geschreven: ik strompel en nu en dan komt een woord dat kleeft aan gewaarwordingen.’

Ik wil al jaren, ook nu weer, het zwakke, het miskende, het verachte, het weggegooide om me heen een stem geven. Vandaar dat ik voor deze bundel een motto heb gekozen van de door mij diep bewonderde Zwitsers-Franse dichter Philippe Jaccottet:        

‘… appeler / tout ce qui risque de se perdre s’il s’endort …’

uit het gedicht Le travail du poète (oproepen / al wat verloren dreigt te gaan als het inslaapt).

Eerder op de regel staat: ‘veiller comme un berger’, en dat lijkt me een zeer juiste omschrijving van de taak van de dichter: als een herder de kudde van de taal hoeden. In de laatste regel van het gedicht heeft Jaccottet het over een man die op zijn knieën zit en zich inspant om zijn schamele vuur te beschermen tegen de wind. Alle componenten van dat beeld zijn zeer aan mij besteed. Het knielen, omdat het iets heeft van gebed, de moeite, omdat poëzie inspanning eist, en het beschermen tegen windvlagen.

Niets krijgt de poëzie kapot. Ze kan onderduiken, de grens over vluchten, schijnbaar verdampen en vervliegen. Vroeg of laat staat ze daar weer.

De wind van deze tijd is ruig. De eeuw die achter ons ligt, heeft onnoemelijk veel menselijke beschaving weggeblazen. De nieuwe eeuw trekt nu al, een gouden horde gelijk, haar verwoestende spoor over de aarde, vooral daar waar de stad, het schrift, de beschaving geboren werden. De stem van de dichters is nauwelijks hoorbaar, maar poëzie is verbazend taai. De Duitse dichteres Kerstin Hensel gebruikt als metafoor de 1 millimeter grote beerdiertjes, de tardigrada, miniatuurwezentjes die letterlijk alles overleven, droog, nat, hooggebergte, diepzee, zout, zoet, niets krijgt hen kapot.

Niets krijgt de poëzie kapot. Ze kan onderduiken, de grens over vluchten, schijnbaar verdampen en vervliegen. Vroeg of laat staat ze daar weer. Vijfhonderd jaar geleden verbrandde de beul op de Grote Markt van Brussel de eerste ketters. De ketters lopen nog altijd rond. De beulen ook, laten we dat vooral niet vergeten.

Maar vandaag, hier, in Europa, nu de cultus van de Onzichtbare Hand, dat verbijsterende bijgeloof van de economen, iedere andere belijdenis, ritus of altaargeheimenis probeert te verbrijzelen, nu de priesterkaste der technocraten het refrein van het bokkenlied There Is No Alternative tot vervelens toe psalmodieert, nu de noordelijke machthebbers die prachtige, oeroude Griekse uitvinding, de democratie, afserveren als een vervelend, doch niet ter zake doend detail, nu is het dissonante contrapunt van de dichter nodig als brood.

Wij, dichters, zijn klein grut. Wij, dichters, produceren een haast onhoorbaar gebazel. Wij zijn een frivole tegenstem. Maar zolang wij behekst worden door onze stiel, zolang wij tegen beter weten in dingen blijven schrijven als ‘je est un autre’ (Rimbaud) of dat boven de blauwe hemel een zwarte regenboog zal staan (García Lorca) of over ‘een schemer van scepters, van diademen / Van Mechelse kant en rinkelend zilver’ (Rodenko), zolang wij woorden blijven zeven als goud, zolang de onrust ons voortjaagt tot het gedicht de volmaakte staat van genade heeft bereikt, zolang wij met de hazen dansen onder de manestralen (Leopardi), zolang zal onze stem, hoe licht ook, voor het polyfone koor der ketters onmisbaar zijn en dat koor zélf is onmisbaar. Want wanneer zij die op de troon van de macht zitten, verkondigen dat hun afgod de enige ware is, staat of valt de beschaving met tegenspraak, met een alternatief, dit wil vandaag zeggen, met ketterij.

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Schrijver & voormalig journalist

    Geert van Istendael (°Ukkel, 1947) studeerde sociologie en wijsbegeerte. Hij werkte bij het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek, over ruimtelijke ordening.