Het verdriet om een mooie planeet die stuk gaat

Over verdriet en de wind

© Brecht Goris

MO*columnist Jan Mertens

Een tiental jaar geleden verhuisde ik naar het appartement waar ik nu woon. Na heel lang sparen (en door geld dat na de dood van mijn vader naar mij kwam) kon ik toen een eigen woonst kopen. De jaren daarvoor droomde ik van het huis waar ik ooit naartoe zou verhuizen. Het beeld dat ik had, was dat van een huis met dikke sterke muren, waar ik veilig zou zijn voor de storm. Het was een heel lichamelijk beeld, ik kon dat verlangen als het ware in mijn lichaam zien.

Het huis waar ik woonde voor ik verhuisde, was oud en groot. Als het stormde, was het of het hele huis bewoog. Ik was bang dat het dak zou wegvliegen. In mijn eentje kroop ik diep onder het dekbed, in dat grote huis waar er alleen maar het lawaai van de wind was, hopend dat de nacht ooit over zou gaan. Het leek allemaal nogal irrationeel, en dat was het ook. Het dak is nooit weggevlogen. Ondertussen zie ik in de volwassen man die rusteloos in dat bed lag het kleine jongetje dat zich zo vaak onveilig voelde in het oude huis waar ik als kind woonde. Ik herinner me nog het geluid en het licht. Ik herinner me nog hoe ik verhaaltjes vertelde voor mijn zus, die in de andere kamer niet kon slapen. Broer en zus, ik kan er nu naar kijken met warmte en verdriet. We zijn elkaars wereld.

Net als velen hopelijk was ik erg diep ontroerd door de schitterende documentaire die Hilde Van Mieghem maakte over verschillende vormen van geweld waar kinderen mee te maken kunnen krijgen. Je kunt heel veel leren uit dat programma. Je kunt zien wat onveiligheid en verdriet met een lichaam kunnen doen. En je kunt zien hoe immens ontroerend het verlangen om te leven is bij mensen die als kind in een akelig huis verbleven. Ze konden er niet weg. De angst die ze voelden omdat ze niet konden ontsnappen aan die grote duisternis.

De verwarring omdat er niemand was die hen kwam troosten en wiegen. De verwarring omdat ze zelf de schuld kregen voor het geweld van anderen. In dat verwarrende kluwen van gevoelens spartelden ze door het leven. Gedeukt, maar ook zo groots in hun hunker naar het leven. Bij de getuigenissen van de dappere mensen die aan het woord kwamen kon ik alleen het hoofd buigen voor de kracht waarmee ze hun veilig plekje in de storm aan het maken waren.

Het is misschien een rare omweg om bij de klimaatcrisis te komen. Of toch niet. Het heeft iets met verdriet en trauma te maken. En het is denk ik goed dat we het daar ook over hebben.

Velen voelen angst bij het besef van de omvang van de klimaatcrisis. Het lijkt zo groot. Je hebt het gevoel dat je geen enkele greep hebt op wat er gebeurt. Je kunt niet weg. Het lijkt je te verlammen, je kunt niet vechten en je kunt niet vluchten, dat gevoel. Je kunt je dierbaren niet beschermen, terwijl je daar alles voor zou geven. En bij dat alles is er ook veel verdriet.

Je moet een stapje van jezelf weg zetten om het te zien, en het lijkt niet eenvoudig om het toe te laten. Net als bij de angst ben je bang dat het verdriet je zal overspoelen, dat je niet meer zult kunnen ademen. Het is zo aanwezig, en tegelijk is het een taboe. De angst voor de angst kan ons hard maken, of bitter en cynisch. En het hoeft niet zo te zijn.

De zee is erg goed in het verbergen van tranen.

Het heeft me vele jaren gekost om een beetje te begrijpen hoe die dingen werken. De inzichten van Joanna Macy en haar idee van “actieve hoop” hebben me heel erg geholpen daarbij. Onder onze verlamming of rusteloos activisme ligt vaak ook een soort rivier van verdriet. Het verdriet om een mooie planeet die stuk gaat.

Het zijn maar beelden in mijn lichaam, maar als ik aan de rand van de zee sta, is het soms alsof ik het verdriet van de zee kan voelen. De zee is trouwens erg goed in het verbergen van tranen. Als ik de beelden zie van de vervuiling van de zee met al dat plastic, of de beelden van het leegschrapen van al het leven in de zee, of de beelden van de hebzucht waarmee sommigen zo snel mogelijk de grondstoffen onder de zeebodem willen ontginnen, dan is het alsof ik de pijn kan voelen van de zee. Daar is verder geen hocus pocus mee gemoeid.

Het is een lichamelijke ervaring van verbondenheid. (Voor mij persoonlijk raakt die aan mijn spiritualiteit, maar voor anderen hoeft dat natuurlijk helemaal niet zo te zijn.) Zodra ik mijn verdriet voel en de pijn van de zee, is het ineens of er niet zoveel verschil is tussen mij en de zee. In dat moment van verbinding, in het gewoon laten stromen van die rivier, wordt mijn lichaam zachter. Vanuit die zachtheid is het veel gemakkelijker om naar mezelf te kijken en te zien wat echt belangrijk is in mijn leven. Vanuit die zachtheid is het gemakkelijker om de energie te voelen om te strijden voor het herstel, het terug heel maken, van de zee. En de hoop die rust in dat besef.

Want de zee is niet “de andere”, ik ben een deel van dezelfde ruimte waarin de zee er is, waar ik er ben, waar de bomen er zijn, waar de kinderen zijn. Het klinkt misschien allemaal een beetje zweverig. Ik probeer gewoon weer te geven hoe een bepaalde manier van kijken, met je lichaam, zonder dingen weg te duwen, je kan veranderen. Als je met een open geest, zonder te oordelen, zonder je af te sluiten, zonder je eigen ego er tussendoor te laten fietsen, kijkt naar een andere mens die pijn heeft – zoals die mensen in de genoemde documentaire – is het niet moeilijk om die pijn ook in jouw lichaam te voelen en tegelijk de levenskracht te zien. Dat besef kan ons iets leren.

Hoe klein het ook is wat je doet, je voelt energie wanneer je weet dat je deel van het alternatief bent.

Ik kijk naar de kinderen. Ik kijk naar Julia, de niet bestaande dochter die ik graag had gehad, maar die ergens in mijn lichaam leeft. Ik zie hoe veel jonge mensen echt bang worden van wat er met het klimaat gebeurt. Ik lees hoe mensen die leven op de frontlijnen van de klimaatverandering, daar waar de storm echt raast, waar het vuur alles verteert, waar eilanden verdwijnen, getraumatiseerd worden voor het leven. Of ze nu al dan niet onze echte kinderen zijn, wij zijn samen ook een beetje hun ouders. (It takes a village…)

En welke boodschappen krijgen zij? Ik zie de zelfverklaarde ecomodernisten die telkens opnieuw verklaren dat klimaatactivisten onnozel zijn en dat we ons blind geloof moeten leggen in hypermodernisering, in technologie, in experts en dat we vooral niet moeten denken dat het zin heeft dat we ons leven veranderen (hoe we eten, hoe we ons verplaatsen, hoe we wonen). Nog los van het feit dat dat hele verhaal niet klopt, is het een verhaal van het maken van een scherpe scheiding tussen ons en de rest van de natuur en is het een verhaal waarbij we mensen die dingen uit handen nemen waarmee ze zelf in hun eigen haperende leven handelingscapaciteit zouden kunnen verwerven. Hoe klein het ook is wat je doet, je voelt energie wanneer je weet dat je deel van het alternatief bent.

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws
Ik zie de zelfverklaarde ecorealisten. Ze ontlopen op grote schaal hun eigen verantwoordelijkheid, ze gedragen zich in zekere zin als bange ouders die hun kinderen de schuld geven van hun eigen falen. Die zichzelf stoer of sterk noemende venten beginnen bijna te hyperventileren wanneer ze hun scheldtirades kunnen loslaten op die kleine klimaatmeisjes. Ze willen hen met verbaal geweld de mond snoeren, angstig om zelf in de spiegel te kijken. Normaal zouden onze ouders ons geborgenheid moeten geven, niet ons hun trauma’s doorgeven.

Ik zie de hysterische optimisten. Op een bijna panische wijze roepen ze zo hard dat je vooral optimistisch MOET zijn, omdat je optimistisch MOET zijn, want optimisme is een PLICHT. Een bepaald soort geforceerd optimisme kan soms weinig verschillen van ontkenning. Het kan een vorm van dissociatie zijn. Al die reacties zijn menselijk. Ik zet de beelden hier bewust een beetje scherp aan, maar het lijkt me goed om toch te proberen patronen te zien.

We kunnen onze kinderen laten zien hoe wij stotteren en falen, maar tegelijk proberen er het beste van te maken.

Het is denk ik eerlijker – ook al lijkt het moeilijker – om te proberen leven in waarheid. Daarin rust de hoop. Proberen voorzichtig de omvang van de ecologische crisis (onder meer voor klimaat en biodiversiteit) onder ogen te zien. Kijken naar de angst die dat teweegbrengt, maar toch blijven staan. Kijken naar het verdriet en dat door je heen laten stromen. Als de zee een stuk van jou kan zijn, dan de rivier ook. Het verdriet niet vasthouden, niet wegduwen, niet overroepen.

En dan kijken naar de mensen die naast je staan. Voelen hoe jullie met elkaar verbonden zijn, samen in de storm, samen in kwetsbaarheid. Kijken naar onze kinderen. We kunnen manieren leren om hun stem te horen, als ze zeggen dat ze bang en verdrietig zijn. Niet tegen hen roepen dat ze STERK moeten zijn, niet ontkennen wat hun reële pijn is. We kunnen hen zachtjes bij de hand nemen, we kunnen hen zachtjes wiegen als ze dat willen. Misschien kunnen we zo een plekje maken waar het veilig is. Dat is geen plek weg van de wereld, integendeel.

We kunnen onze kinderen laten zien hoe wij stotteren en falen, maar tegelijk proberen er het beste van te maken. We kunnen proberen om zelf verantwoordelijkheid te nemen om deel te zijn van de oplossing. We kunnen aan onze kinderen haalbare dingen laten zien die we samen kunnen doen. Ze zullen zien dat we ook maar aarzelende mensen zijn, maar ze zullen misschien ook zien dat we ons niet neerleggen en dat we energie vinden in wat we proberen te doen. Ze zullen zich misschien ook veilig voelen en beschermd, niet om hun ogen te sluiten, maar wel om te leren bewegen in de storm. En als we zien hoe onze kinderen tijdens een klimaatmars de wind trotseren, en zo iets positiefs doen met hun verwarrende emoties, is dat misschien ook wel een soort geschenk voor het kleine kind in onszelf.

We hebben de aarde geleend van onze kinderen. Als wij hun ouders zijn, moeten we minstens proberen er zorgzaam mee om te gaan en hun niet het beeld te geven dat je alles wat er is, mag “gebruiken” voor je eigen kwetsbare ego. Het respecteren van grenzen kan je vrijer maken. Misschien kan het toelaten van het verdriet ons een beetje dichter bij die nederigheid brengen. Het zou een mooi geschenk zijn aan onze kinderen.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2643   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Beleidsmedewerker Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling

    Jan Mertens woont in Leuven, werkt voor de Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling, en is onder meer ook actief in de denktank Oikos.