Poëtische bekentenissen van een reactionair marxist

© Brecht Goris

 

(Parenthesis die met de rest van dit verhaal geen bal te maken heeft: Kent iemand de stripreeks Krasse knarren van Lupano en Cauuet? Wie allang zin had om mijn generatie, de generatie ‘68, eens luidkeels uit te lachen, lees die handel. Als het even kan in het Frans, “Les vieux fourneaux”).

MO* online maakt deel uit van mijn lievelingslectuur. Dat kan verbazen, want de tafel thuis ligt permanent bedolven onder bergen krantenpapier. Wat me bevalt, is dat de standpunten en onderwerpen die in MO* online aan bod komen zo onbekommerd uiteenlopen. Laat maar botsen. Voor mij zou er af en toe zelfs een helder beargumenteerd rechts verhaal bij mogen, maar daarover moet de redactie beslissen. Ieder zijn werk.

Eigenlijk doet MO* online me nog het sterkst denken aan een publicatie van totaal andere aard. Ik bedoel het beste poëtische tijdschrift in de Nederlanden en ver daarbuiten, Het liegend konijn, waarin de ontembare Jozef Deleu onuitgegeven gedichten bij elkaar brengt van alle mogelijke soorten dichters, jong, oud, hermetisch, helder, lang, kort, absurd, ernstig, berijmd, vrij vers, o wat een vreugd verlost te zijn van de dictaatjes en dogmaatjes die de dichtercenakeltjes verkondigen.

Ik wil hier iets kwijt over mijn eigen gedichten.

Keer op keer wordt me de vraag gesteld waarom ik toch telkens opnieuw over dingen schrijf. Ik doe dat al sinds 1996, telkens negen gedichten per bundel. De jongste heeft zelfs als titel 29 dingen en 1 afscheidszang (Amsterdam, Atlas-Contact, 2018). Het zijn er intussen dus meer dan zeventig.

Moeten dichters altijd schrijven over liefde en dood?

Ga er eens aanhangen. Dichters mogen schrijven over alles wat ze maar willen. Het is een van de aantrekkelijke kanten van het ambacht.

Over het maatschappelijk engagement van dichter en poëzie heb ik op deze plek al eens geschreven (30 maart 2015). Wat nu volgt, is een uitbreiding van mijn argumentatie toen. Het is haast niet te geloven wat je met dingen allemaal kunt doen. In de poëzie, welteverstaan.

Oplappen, het eeuwen lang even moeizame als noodzakelijke werk, is nu negatief beladen. Vervangonderdelen kun je al na een paar jaar niet meer krijgen.

Wij leven in een maatschappelijk bestel waar onze gebruiksvoorwerpen razendsnel verdrongen worden door iets nieuws. Moeten worden, want het blijft een dwingende eis, ondanks schuchtere pogingen om het tij te keren. Het oude wordt nauwelijks hersteld. We gooien het weg en we kopen iets nieuws. Oplappen, het eeuwen lang even moeizame als noodzakelijke werk, is nu negatief beladen. Vervangonderdelen kun je al na een paar jaar niet meer krijgen.

Dat is de reden waarom ik schrijf over dingen die tientallen jaren meegaan, soms honderden jaren, zelfs duizenden. Ze blijven overeind. Ze bewijzen voor elke generatie opnieuw hun bruikbaarheid. Daarom zijn mijn dinggedichten tegen de keer.

Oud wordt nog wel toegestaan, meer nog, gewaardeerd, maar alleen als antiek. Het moet een hoge marktwaarde hebben. Of je moet er, in hippe kring, het begeerde verzamelaarsobject met wetende blik kunnen aanwijzen als vintage. Bekijk in de weekbladen de interieurs. Al naargelang het krantje zul je peperduur antiek aantreffen of, naast nieuwe design-meubelen, ook wat ouder spul, dat onveranderlijk de naam vintage krijgt. De dingen waarover ik schrijf zijn anoniem, een enkele uitzondering daargelaten (Thonetstoel nr. 14 bijvoorbeeld, maar die was destijds een doodgewone caféstoel, er zijn miljoenen exemplaren van gemaakt). Met zulke dingen kun je niet uitpakken, vooral niet in branché bobogezelschap. Daarom zijn mijn dinggedichten tegen de keer.

Mode produceert rommel, want wat daarnet nog aanbeden werd, is nu uit de mode en moet weg. Mode is de aartsvijand van ecologie. Mode is een gevaar voor ons overleven als soort. Mijn dinggedichten zijn antimode. Tegen de keer.

Deze dingen zijn ook niet onderhevig aan mode. Mode is de dictatuur van de verandering. Mode is ook de dictatuur van de keurende blik in de kennissenkring. Je kent ze wel, de schampere opmerkingen in de trant van: dat is toch zooooo jaren negentig. De jaren negentig zijn gisteren. Op een historische tijdlijn is de afstand tussen nu en de jaren negentig of zelfs de jaren zestig zo kort dat je hem nauwelijks kunt waarnemen. Veel dingen waarover ik schrijf, bewezen al dienst toen mijn ouders en grootouders en overgrootouders kinderen waren en eerder en eerder en eerder en ze blijven dat doen tot op heden. Mode produceert rommel, want wat daarnet nog aanbeden werd, is nu uit de mode en moet weg. Mode is de aartsvijand van ecologie. Mode is een gevaar voor ons overleven als soort. Mijn dinggedichten zijn antimode. Tegen de keer.

Anoniem zijn de dingen, zei ik. Al meer dan een eeuw wordt design de hemel in geprezen, worden ontwerpen bejubeld van grote genieën, we kennen ze allemaal, de namen van begenadigde vormgevers. Vorm geven, dat doen ze dan ook. Vorm is voor hen het enige. Ze offeren gebruik op aan vorm. O ijdelheid. Zoiets zullen anonieme makers nooit doen. Hun enige zorg is bruikbaarheid en stevigheid, op het onverslijtbare af. Het gevolg is vaak, niet altijd, maar toch héél vaak, schoonheid die tijd overstijgt. Ik schrijf mijn dinggedichten om die nederige, vergeten stielmannen en stielvrouwen te eren. Tegen de keer.

Ook dichters zijn ambachtslieden. Alleen vervaardigen ze geen gebruiksvoorwerpen. Dus kunnen ze zich meer fratsen permitteren. Als je een gedicht slecht vindt, gooi je het verveeld opzij. Ik wil dat het poëtische ambacht zichtbaar wordt in deze gedichten. Vandaar het rijm. Vandaar de vaste vorm: vijf regels, witregel, drie regels. Altijd. Het is nogmaals een eerbetoon voor de anonieme ambachtslieden.

Al geruime tijd moet en zal alles altijd flexibel zijn, stilstaan is achteruitgaan, de dwang om te veranderen dringt door tot in de verste en geheimste domeinen van het leven. Ik weet het wel, de Fransen zeggen, il n’y a que les imbéciles qui ne changent pas d’avis. Maar dat slaat op mening, oordeel, idee. Het is een antidogmatische wijsheid. Met dingen heeft dat niets te maken. Het antidogmatische vandaag is: waarom zou ik de dingen om me heen veranderen? Kan iemand me zeggen waarom? Trouwens, de dwang om te veranderen dient altijd zeer grote economische belangen, belangen van machtige bedrijven. Het zijn tot nu toe ook bedrijven die onze biosfeer aan het vernielen zijn, met onze geestdriftige medewerking, dat wel. Maar hoe lang denk je dat die bedrijven overeind zouden blijven als niemand hun producten kocht? De ultieme horreur voor het kapitalisme, zeker het hedendaagse kapitalisme is: niemand wil nog iets kopen. Ruilwaarde weigeren. Gebruikswaarde, daarover gaat het. Daarom zijn mijn dinggedichten tegen de keer.

Er zat nog iets anders aan vast. Karl Marx schreef al dat de ultieme consequentie van het kapitalisme is dat gebruikswaarde volledig wordt opgeslokt door ruilwaarde. De ouwe schurk zou eens moeten weten hoezeer hij vandaag gelijk krijgt. Ik schrijf over gebruik. Nut. Gerieflijkheid. En de schoonheid die daar uit volgt. Deze gedichten zijn uitingen van een reactionair marxisme. Het is niet zozeer dat ik de noodzaak van ruilen - of noem het kopen en verkopen - ontken. Maar het gebruik moet altijd centraal staan. Niet de prijs. Niet het prestige. Daarom zijn mijn dinggedichten tegen de keer.

Het is bijvoorbeeld geen toeval dat het oersterke en al eeuwen tot ieders tevredenheid dienende henneptouw verdacht werd gemaakt, exact toen Dupont in de USA nylontouw begon te produceren.

Ik ben in die zin een reactionair dat ik vind dat sommige dingen in het verleden, niet alles, lang niet, ik ben nu ook niet gek, maar wel dat sommige dingen, echt beter waren dan hun vervangstukken vandaag. Daarbij komt dat die oude onderdelen, spullen, praktijken, enz., niet zomaar verdwenen zijn omdat een onafwendbare natuurwet of de vooruitgang die je niet kunt tegenhouden daarvoor zorgt. Nee, zij werden welbewust belachelijk gemaakt, welbewust verdacht gemaakt, welbewust vernield. Iemand had daar belang bij. Iemand verdiende daar geld mee en richtte, om dat geld in zijn zakken te kunnen steken, anderen ten gronde. Het is bijvoorbeeld geen toeval dat het oersterke en al eeuwen tot ieders tevredenheid dienende henneptouw verdacht werd gemaakt (hallucinogeen? Je kunt er kilometers van roken en nog zou je niets voelen) exact toen Dupont in de USA nylontouw begon te produceren. Daarom zijn mijn dinggedichten tegen de keer.

Deze gedichten zijn bedoeld als bescheiden subversie. Ze zijn economische kritiek, ze zijn politieke kritiek, ze zijn maatschappijkritiek. Oei, wat een dikke lading ernst voor die prutsen. Bovendien weet ik maar al te goed dat ze geen millimeter verandering teweeg brengen, zeg, denk niet dat ik een onnozele hals ben. Misschien kunnen ze een hemelbestormende jonge meid een paar seconden aan het denken zetten. Heel misschien.

Ik wil hier iets herhalen, eventjes, het kan nooit kwaad. Zeker nu onze opperste goddelijke drievuldigheid verkoop, rendement, controle heet, zijn gedichten per definitie subversief: onverkoopbaar, nutteloos en om een goed gedicht te krijgen, moet de dichter telkens weer de controle loslaten. En zich vooral niet haasten. Tijd is geen geld. De tijd van de dichter is wat economen noemen een vrij goed, onbeperkt beschikbaar en dus geen cent waard. Vandaar dat ook gedichten geen marktwaarde hebben. Juist dat is hun waarde.

Je vindt in deze dinggedichten ook rare uitsteeksels, dwaalspoortjes, kwinkslagen, droefgeestig gebazel, lichte verbijstering, losse flodders, vreemde gedachtesprongen, rijmen die uit de peilloze poelen van de Nederlandse taal opduiken en zich aan elkaar vergrijpen, kortom, een hoop rommel die op het eerste gezicht in de weg ligt. Op het eerste gezicht. Lees maar eens goed. Hier is er eentje, cadeau. Voor niks. Want er bestaat wel degelijk iets als een gratis middagmaal.

Naald

Een splinter van een beestenbot gesplitst.
Dat was het eerst, in tijden voor de tijden.
Met steen uit been gebikt en toegespitst.
Wat is veranderd? Niets. Ja, toch. Materie,
toen animaal, metaal nu. Staal. Het flitst.

Maar oog voor draad blijft oog. Niet te verbeteren.
Welk harig wezen kon zo helder zien?
Miljoenen vingers weten dank sindsdien.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3081   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Schrijver & voormalig journalist

    Geert van Istendael (°Ukkel, 1947) studeerde sociologie en wijsbegeerte. Hij werkte bij het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek, over ruimtelijke ordening.