Over de kracht van en de nood aan stilte

Stilte in tijden van verlies

© Brecht Goris

De voorbije weken was er soms te veel lawaai waar stilte beter was geweest. En omgekeerd. Misschien kunnen we leren om af en toe in stilte te kijken. Naar het water. Want het water kan ons iets leren, schrijft columnist Jan Mertens.

Ik moet toegeven dat ik het niet altijd eenvoudig vond de voorbije weken. Die eindeloze stroom aan meningen, reacties en geroep. Zwijg nu toch eens even! Dat stond ik vaak te roepen tegen de televisie. Wat meteen mijn eigen vloeibaarheid aangeeft waarschijnlijk. Gelukkig leef ik alleen, dus er werden geen levende wezens gekwetst in mijn omgeving door dat geroep.

We zoeken wegen in een situatie van niet weten. Mensen willen enige mate van controle over de werkelijkheid. Het is even reëel menselijk als ‘veilig’ delegerend om dat gevoel te vertalen in de vraag naar ‘perspectief’. Het sluit aan bij een heel menselijke behoefte en bij een oprecht beleefde verontwaardiging over ongelijkheid. En tegelijk kun je, door het zo te benoemen en het zo bij een ander te leggen , voor jezelf uit beeld houden dat je met een virus eigenlijk niet kunt onderhandelen.

Op een of andere manier lijkt het me nodig om telkens opnieuw te proberen die wat drassige of wankele plek in het midden te zoeken. Wat ik hier omschrijf, klinkt waarschijnlijk heel vaag. Het heeft iets te maken met een vorm van stilte zoeken in tijden van verlies. Ik heb er nog geen eenduidige woorden voor, maar dat is misschien niet zo erg.

Het leek soms wel een soort stoomketel.

Lawaai. Er was een goede kant aan en een minder goede. Ik heb mijn best gedaan om elke dag de nieuwe meningen te volgen, de kranten te lezen, naar het journaal te kijken. En dat was vaak slopend vermoeiend. Al hoeft dat geen argument te zijn. Het positieve ervan – hoewel veel van de betrokkenen dat zelf anders hebben ervaren – was dat je een gigantisch maatschappelijk debat kon zien. Met een complexe en soms chaotische maar ook boeiende wisselwerking tussen burgers, middenveld, media, experts, politici.

Er zijn daarover ook nog veel diepgaande analyses te maken. Het leek soms wel een soort stoomketel. In al dat botsen en schuren, met soms heel veel getoeter, zag je ook wel dingen bewegen. Soms had ik er geen zin in en vaak had ik erg veel moeite met de grote stelligheid van sommige mensen, maar het ging ook wel ergens over. Je zag dat dingen in beeld kwamen die anders uit beeld zouden zijn gebleven. Het lawaai versterkte soms de fluittoon in mijn oren, maar het was in veel opzichten zinvol dat er lawaai was.

Tegelijk had ik vaak ook nood aan stilte, in de zin van enige terughoudendheid of enige vorm van kritische zelfreflectie over het eigen egolawaai. Er had best wat minder lawaai mogen gemaakt worden over de tweede verblijven en iets meer lawaai over de schrijnende armoede die waarschijnlijk nog zal toenemen. Het doet pijn aan de oren als sommige politici net iets te gretig het blijkbaar zo urgente luxeprobleem van die tweedeverblijvers willen opgelost zien. Dat die groep van de samenleving ook advocaten kan inschakelen die met heel lawaai dwangsommen aankondigen, met daarbij allerlei verwijzingen naar woorden als ‘eigendom’ en ‘vrijheid’ zal ook wel in hun voordeel spelen.

Die kleine Dylan sprak zachtjes en rustig. En in de woorden van die andere kinderen die in beeld kwamen hoorde je niet het lawaai van de verongelijktheid en het ‘waarom mag ik nog niet dit als die al wel dat mag?’. Mensen die al jaren aan het roepen waren uit oprechte verontwaardiging probeerden nogmaals de aandacht te vragen voor het structureel onrecht dat armoede is. Het kwam in beeld, maar of het op onze radar zal blijven als we keuzes moeten maken, zal nog moeten blijken. Vrijheid kan niet bestaan zonder het recht op een waardig leven en vrijheid in ongelijkheid is de povere vrijheid van het privilege van sommigen.

Ik weet nog steeds niet zo goed hoe ik het juist moet omschrijven, maar dat ‘zwijg nu eens even’ lijkt me toch belangrijk. Proberen voor jezelf telkens opnieuw een kleine lege stille plek te maken om los van je eigen reptielenbrein te kijken naar de dingen en je af te vragen of het wel een goed idee is om te roepen. Die stilte is een vorm van kwetsbaarheid. Daar kun je je eigen angst onder ogen zien, je eigen verdriet en onvermogen. Daar kun je ook het verlies zien.

Door je open te stellen voor het verlies kun je de ander echt begrijpen en zien.

Denken in termen van verlies helpt soms om jezelf en anderen beter te begrijpen en om dingen in perspectief te zien. En in die betekenis is perspectief meer een vloeiend en open begrip. De ene persoon is kwaad en teleurgesteld door het verlies van het uitzicht op die citytrips die voorzien waren voor de zomer. De andere persoon is droevig omdat er door de afwezigheid van een laptop in het huis dat men moet delen met veel andere (lawaaierige) mensen geen aansluiting is met die ene plek waar er in een geborgen omgeving genoeg stilte in het hoofd kan gemaakt worden om nieuwe werelden te leren kennen.

Door je open te stellen voor het verlies kun je de ander echt begrijpen en zien. Door in dat kijken de stilte toe te laten kun je zien dat er een verschil is tussen luxe en overleven. Het is moeilijk om de juiste woorden te vinden, maar ik denk dat het ons als samenleving – zeker in deze tijden – goed zou doen om af en toe te oefenen in dat soort stilte.

Misschien heeft de verwarring die ik vaak voelde de voorbije weken te maken met een verlangen naar die stilte. Het is belangrijk dat politici verantwoordelijkheid dragen en nemen voor beslissingen. Het is goed dat zij daarop aangesproken worden. Het is goed dat daardoor ook structurele problemen in beeld komen. Een beetje meer stilte wil dus zeker niet zeggen dat men moet zwijgen. En toch kreeg ik het soms benauwd om het zoveelste steekspel te zien tussen de alwetende journalist die in het journaal een politicus of een wetenschapper tot het uiterste dreef om haar of hem toch maar dingen te doen zeggen die wel ‘duidelijk’ waren.

Een beetje meer stilte wil dus zeker niet zeggen dat men moet zwijgen.

Kijken naar iets dat heel erg onzeker is, zou ook kunnen betekenen dat je ruimte laat voor een klein beetje stilte. De obsessionele gulzigheid waarmee er over ‘de cijfers’ werd gesproken en de interstellaire debatten daarover op alle mediakanalen hadden soms iets obsceens. In het lawaai duw je ook op een heel veilige manier de stilte van het onvermogen en de kwetsbaarheid van je weg.

We zien de doden elke dag in onze krant, we zien de cijfers in liefst zo eenduidig mogelijke grafieken, maar ondanks alles zijn de doden op een bepaalde manier ook zo hevig afwezig (om even een zin te lenen bij Rutger Kopland). Soms hoopte ik dat men in het journaal eens tien minuten gewoon verhalen zou laten zien van mensen die er niet meer zijn. Geen statistieken, maar gewoon verhalen van kinderen of vrienden die praten over het leven van iemand die ondertussen uit het leven vertrokken was terwijl familie en zorgverleners met een telkens opnieuw brekend hart probeerden nabijheid te maken waar er alleen afstand mocht zijn.

Op een bepaalde manier kan lawaai ertoe leiden dat je jezelf opsplitst. Het is een mechanisme om met onzekerheid om te gaan. Stilte kan een manier zijn om voor jezelf een lege plek te ademen. En in die lege plek kun je zien hoe verbonden je bent met andere mensen, waardoor ze net iets minder een ‘andere’ worden. Het is misschien beter om te proberen de onzekere werkelijkheid, en de manier waarop we daarmee verbonden zijn, wel in de ogen te kijken. De stilte kan je raken. De stilte kan pijn doen. Maar die stilte maakt ook je lichaam zacht en geeft je de kans om te zien dat de grens tussen jou en de andere misschien wel erg vloeibaar is.

Het water kan ons iets leren. Het lijkt zo logisch, als je jezelf losmaakt van het grotere geheel. Ik mag niet op vakantie deze zomer, dus blijf ik thuis, dus wil ik een huis voor mij alleen, met een tuin, met een zwembad voor mij en mijn kinderen, dus draai ik nu de kraan open. Water is iets abstracts, dat uit een kraan komt, en waar ‘de overheid’ maar voor moet zorgen. Tot er ineens geen water meer uit de kraan komt.

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws
In het journaal interviewt men mensen daarover. Ze vinden nog steeds niet dat het iets met henzelf te maken heeft. ‘Men’ moet er maar voor zorgen dat er gewoon weer water uit de kraan komt. Natuurlijk wisten en weten we dat de klimaatverandering volop bezig is, ook al willen we liever niet dat we daardoor in vraag zouden moeten stellen of we wel elke dag ‘recht’ zouden hebben op zo’n lekkere douche.

Als we het een beetje stil maken, kunnen we beseffen dat we zelf voor een groot deel uit water bestaan.

Al jaren maken wetenschappers en bezorgde burgers en politici lawaai om ons erop te wijzen dat er een structureel waterprobleem is. Maar om dat goed te laten doordringen heb je wel een beetje stilte nodig. Alles wat we willen of waar we denken recht op te hebben doet zich voor in een begrensde wereld. We kunnen in wezen onze vrijheid enkel begrijpen binnen die grenzen.

Als sommigen het water privatiseren voor hun eigen zwembad – hoe logisch dat ook lijkt – dan houdt dat ook in dat er minder water overblijft voor anderen en dat ook zo de ongelijkheid weer zal vergroten. De ene en de andere, ze dreigen allebei iets te verliezen, maar het verlies van de ene is toch ook anders dan het verlies van de andere.

De klimaatcrisis is een door de mens georganiseerde structurele onzekerheid. Als we die ongemakkelijke waarheid door veel lawaai uit ons hoofd proberen te houden, zullen we water blijven zien als iets dat gewoon uit de kraan komt. Als we het een beetje stil maken, kunnen we beseffen dat we zelf voor een groot deel uit water bestaan. En als we dat in de ogen kijken, is het misschien gemakkelijker om om te gaan met het verdriet dat we voelen om wat we mogelijk zullen verliezen.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2771   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Beleidsmedewerker Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling

    Jan Mertens woont in Leuven, werkt voor de Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling, en is onder meer ook actief in de denktank Oikos.