Paus en papenvreter: één front!

Column

Paus en papenvreter: één front!

08 december 2014
Paus en papenvreter: één front!
Paus en papenvreter: één front!

Geert Van Istendael werd uitgenodigd naar Tsjechië om de vertaling van een boekje voor te stellen. Hoe praat je in het Tsjechisch over kapitalisme en vakbonden, voor een publiek van theologen? Geen makkelijke uitdaging, maar voor alles is een oplossing. Zelfs voor Sinterklaas!

Dinsdag 2 december, ’s avonds.

Ik stap in het vliegtuig, richting Praag, Letiště Václava Havla, of, zoals u wilt, Václav Havel International Airport. Je vraagt je af wie zijn of haar naam zou moeten lenen aan het vliegveld van Zaventem. Niet ieder land heeft een Havel. In Kraków heet het vliegveld Jan Pawel II, naar de Poolse paus. Havel, Pawel, het rijmt warempel.

De Tsjechen hebben een boek(je) van me vertaald, het derde al. Ik ben de Tsjechen en hun heldere, bedachtzame, haast wiskundig klinkende taal dankbaar tot het eind van mijn dagen, dankbaar omdat ze me telkens uitnodigen om naar hun prachtige land met zijn betoverende steden te komen, Praag, vanzelfsprekend, maar ik mocht ook al Olomouc en Brno bezoeken.

Deze keer lokken ze me naar České Budějovice. Vrees niet, het is makkelijker uit te spreken dan je denkt. Zeg langzaam Tsjes-kè Boed-jè-jo-vie-tsè, een keer of tien, tot de naam smelt op je tong. Wil het toch niet lukken, gebruik dan de voormalige Duitse naam Budweis, want veel van die Boheemse stadjes zijn ooit sterk Duitstalig geweest.

Uit České Budějovice komen de beste potloden ter wereld, merk Koh-i-Noor, ik zal er, zoals bij elke reis naar Tsjechië, tien kopen, en natuurlijk ook het excellente Budweiser of Budvar bier, hoewel de Amerikanen de naam Budweiser listig geüsurpeerd hebben. Over welke brouwerij welke naam precies mag gebruiken werden eindeloze processen gevoerd. Ik wens er niet over uit te weiden. Alleen nog dit zij gezegd. Het enige bier dat de vergelijking met het Belgische kan doorstaan is het Tsjechische. En omgekeerd, spreekt vanzelf. Misschien is dat wel de hoofdreden waarom ik me altijd zo thuis voel in dit land, al kan ik, ondanks de vele bezoeken, de taal nog steeds nauwelijks spreken. Schandelijke luiheid.

Maar eerst Praag.

Een vriendelijke meneer staat me op te wachten in de aankomsthal. Hij is gespecialiseerd in de filosofie van Plato en hij maakt deel uit van een kleine, maar actieve groep katholieke denkers die de Tsjechische bisschoppen adviseert inzake sociale ethiek. Ik ben namelijk naar Praag gereisd op uitnodiging van de Tsjechische Bisschoppenconferentie, een verbazend grote eer voor de onverbeterlijke agnost die ik ben. Over mijn antiklerikalisme zal ik mij maar liever hullen in zedig zwijgen

Blijkbaar heeft de Tsjechische katholieke hiërarchie de Huizinga-lezing ontdekt, die ik in 2012 in Leiden mocht houden. Daarin zeg ik, kort gesteld, dat het officiële Europa de crisis misbruikt om de systemen van sociale zekerheid te ondermijnen, dat de sociale zekerheid een kroonjuweel is van de Europese beschaving en dat dus de EU druk in de weer is om de Europese beschaving te vernietigen. Hoe, in Godsnaam (het woord is hier op zijn plaats), hoe zijn de Tsjechische bisschoppen aan mijn lezing gekomen? De Belgische echtgenoot van een Tsjechische theologe moet hen daarop attent hebben gemaakt en die theologe is aan het vertalen geslagen. Hoe een boek van de ene taal in de andere terecht komt, je kunt die kronkelige paden soms nauwelijks volgen en als je de ware toedracht vertelt, gelooft men je vaak niet. Maar het boekje is er, ik krijg het in mijn handen gedrukt. Mijn tekst wordt omkranst door hooggeleerde commentaren, geschreven door leden van de kleine groep katholieke denkers. Het ontroert me diep.

Woensdag, 3 december, ’s ochtends, nogal vroeg.

Op weg naar het centraal station van Praag. Ik moet de trein halen naar České Budějovice, toch een goeie honderdvijftig kilometer naar het zuiden. In de Senovážnástraat heeft een rouwende jongere op de zijkant van een parkeerautomaat het woord MIA gespoten. De roem van onze betreurde Vlaamse volkszanger is dus al doorgedrongen tot in Praag. Meer uitingen van de diepe verslagenheid die Centraal-Europa na zijn schielijk overlijden getroffen heeft, krijg ik helaas niet onder ogen.

Zelfde dag, ’s middags.

Verbazend niet, wel de eerste keer in mijn leven: ik spreek studenten toe van een theologische faculteit. Wij zouden zeggen: faculteit godsdienstwetenschappen in de brede zin van het woord, want in České Budějovice worden ook filosofie, sociaal werk en enkele pedagogische vakken gedoceerd. De mevrouw die me vertaald heeft, is hier professor theologische antropologie. De faculteit telt zo maar eventjes duizend studenten, een veertigtal zit naar mij te luisteren en vooral te kijken naar de Tsjechische vertaling die op een groot scherm wordt geprojecteerd. Ik spreek Engels, zeer tegen mijn zin, ik vind dat die taal in Centraal-Europa niet thuishoort, terdege beseffend dat dit een achterhaald standpunt is. Wat er ook van zij, optimistische globalisten of globalistische optimisten dienen even terdege te beseffen dat lang niet iedereen Engels spreekt of zelfs maar begrijpt. Met de meneer die me in Praag opwachtte onderhoud ik me in het Duits, evenals met de pater Salesiaan, docent theologische ethiek, die me inleidt en uitleidt.

Voorzichtigheid is geboden. Het communisme ligt hier nog vers in het geheugen. Het woord vakbond kan bijvoorbeeld op wantrouwen stuiten, omdat in het oude regime de vakbond niet veel meer was dan een hulpstuk van de partij. Het woord kapitalisme werd zo lang verketterd , dat je er haast geen kwaad woord over mag zeggen. Tsjechische toehoorders vinden mijn verhaal heel wat radicaler dan Belgen of Nederlanders. Bovendien ontbreekt in mijn argumentatie wat men in dit gezelschap de verticale dimensie noemt. Ik verwijs nergens naar het goddelijke omdat ik er niet in geloof en dat ligt bij dit publiek heel gevoelig. De pater salesiaan wijst mij daar dan ook op. De Belgische echtgenoot van de vertaalster vertaalt voor mij, hij spreekt voortreffelijk Tsjechisch, wat ik een schier Olympische prestatie vind. De salesiaan is niet intolerant, dat zeker niet, hij stelt zijn mening naast de mijne, of misschien moet ik zeggen, hij stelt zijn geloof naast mijn ongeloof. De nieuwe paus, Papež František, je moet even wennen aan die benaming,wordt uitvoerig geciteerd. Het komt me voor dat Franciscus’ standpunten over armoede, rijkdom, uitbuiting, ongelijkheid, sociale rechtvaardigheid en dergelijke met grote opluchting worden beluisterd en aandachtig worden geanalyseerd. De goeroes van het kapitalisme kunnen maar beter oppassen. Destijds werden de woorden van Johannes Paulus II in de landen achter het IJzeren Gordijn ook met grote opluchting beluisterd. Je ziet wat ervan gekomen is. Maar misschien zijn dat allemaal slechts wensdromen van mij.

Zelfde dag, nog iets later.

De Tsjechische theologe en haar Belgische man leiden me rond in de stad. České Budějovice is een welgedane plaats, bijna had ik het woord buikig gebruikt. Ik ben zeer gesteld op de overdekte gaanderijen langs de straten. In het Tsjechisch heten ze p__odloubí, in het Duits Lauben, wij hebben er geen echt woord voor, omdat ze in onze steden vrijwel geheel ontbreken. Dat vind ik jammer, want je kunt de hele tijd onder prachtige, gepleisterde gewelven lopen, beschut tegen regen en schroeiende zon, en je ziet de straat op een andere manier, omlijst door zuilen en bogen. Zo ontdek ik op een gevel aan de overkant, als het ware ingelijst door de boog waar ik toevallig in sta, een heerlijke spreuk:

Frigida carmina
quae ab aquae
potoribus
scribuntur.

Of: het zijn koude gedichten die worden geschreven door de waterdrinkers.

Wat had je anders verwacht in deze eminente bierstad?

Donderdag, 4 december.

Terug in Praag. Vanavond moet ik hetzelfde verhaal als gisteren vertellen voor de studentenparochie. de hele dag is voor mij én een van de mooiste steden die je in Europa kunt bezoeken. Weinigen zullen dat betwisten, in ieder geval niet de legers toeristen waar ik door moet worstelen. Aan Praag heeft zich voltrokken wat zich aan alle schitterende steden van ons continent voltrekt, groot of klein, Venetië, Brugge, Parijs, noem ze maar op. Het zijn historische pretparken. De handel in souvenirs overwoekert alles, maar dan ook alles. Op de Staroměstské náměstí, dat is het plein van de oude stad, in de smalle straten eromheen, als je op ooghoogte kijkt, lijkt het als twee druppels water op, kom, ik zal dicht bij huis blijven, de Brusselse Stoofstraat (al staat hier geen Manneke Pis, maar wat niet is kan komen), de Brusselse Grote Markt, de Brusselse Beenhouwersstraat. Met, niet te vergeten in deze tijd van het jaar, de obligate kerstmarkt. In de wat betere straten werden bewoners en gewone winkels, kruidenier, bakker, simpele kroeg, weggedrukt. Wat je bijvoorbeeld in en om de Pařížská (de Parijsstraat) ziet is, toch wat anders dan de voddige souvenirs iets verderop, Bvlgari, Hermès, Louis Vuitton en aanverwante prijsklasse. In de magnifieke appartementen zitten bedrijven, over de huurprijzen wil ik niet eens nadenken.

Ik heb Praag nog gezien in rode tijden, schemerig, geheimzinnig, melancholisch.  Dichters bedachten onsterfelijke verzen over de regen die hun droefenis schreef op de ruiten van het magnifieke café Slavia. Vandaag staat te lezen op de ruiten van café Slavia: Air Conditioning.

Echter, kijk uit. Voor ons, West-Europeanen, is iedere vorm van nostalgie naar het communistische bewind vals sentiment. Bovendien, hadden de communisten zonder enige twijfel de belangrijkste monumenten netjes opgeknapt, het kapitalisme heeft de stad een pastelkleurige gloed gegeven zonder weerga. Ik heb er sinds 1989 misschien al wel tien keer rondgelopen en telkens opnieuw pakt me de blijde verrassing. Nog meer grootse huizen opgeknapt, nog meer straten in oude glorie hersteld, steeds nieuwe geschenken geeft me de stad uit haar onuitputtelijke stenen voorraad.

Bohemen en Moravië waren tot 1938 de rijkste gebieden van heel Europa. Hier kwam 50 procent van de totale industriële productie in de hele Dubbelmonarchie vandaan en die strekte zich uit van Trieste tot diep in het huidige Oekraïne. De burgerij pronkte in Praag. Je moet met je hoofd in je nek lopen. Het mooie bevindt zich boven de winkelruiten. De Tsjechen waren meesters in het harmoniseren van de meest uiteenlopende bouwstijlen. Er was de barok, de stijl van de Oostenrijkse onderdrukker en zijn heilssoldaten de jezuïeten, maar de Tsjechen muntten er in uit. Dan de neogotiek, met Tsjechisch-nationale motieven. Dan de secese, dat is hun art nouveau. En dan, vanaf ongeveer 1910, het mirakel van de Tsjechische kubistische architectuur, een stijl die je nergens anders aantreft, radicaal modern als de muziek van Janáček en toch de traditionele bouwvolumes van de aanpalende panden respecterend. Volgens mij is het Tsjechische kubisme de grote gemiste kans van de twintigste-eeuwse architectuur.

Dezelfde dag, wat later.

Verdorie, ook hier vieren ze Sinterklaas. De goedheiligman heet in het Tsjechisch Mikuláš en je ziet hem overal op affiches staan. Mijter, mantel, baard, net zoals bij ons. Maar op het nieuwbakken probleem van Zwarte Piet hebben de slimme Tsjechen al tientallen jaren geleden het volgende gevonden. Heeft onze Sinterklaas één knecht, Mikuláš heeft er … twee. Een engeltje en een duiveltje, uiteraard voor stoute en brave kinderen. Toegegeven, het engeltje is lelieblank en het duiveltje pikzwart, maar dat ze niet echt bestaan, daar kan geen mens aan twijfelen. In Nederland zou je beginnen te denken dat de voltallige bevolking teruggezakt is naar een infantiel stadium. Blijkbaar geloven volwassen Nederlanders opnieuw dat Sinterklaas en Zwarte Piet echt bestaan. Iemand zou hun dat toch eens moeten uitleggen.

Wij zouden bij de Tsjechen in de leer kunnen gaan voor het te laat is. Of in buurland Oostenrijk. Ook daar treedt Sinterklaas op met zeer duivels uitgedoste knechten. Hier ligt een glansrijke toekomst voor België! Wij hebben toch al lang en breed de gekte van de Rode Duivels ontketend! Gewoon doortrekken naar Sinterklaas. Geef toe, wat commerciële exploitatie betreft, zijn voetbal en Sinterklaas aan elkaar gewaagd. En als onze Sinterklaas een rood duiveltje als knecht heeft, zijn we meteen verlost van dat gezanik over zwart. We exporteren ons business model subiet naar Nederland. Kassa! Kassa! Doen!