Van offers, goden en de poppenkast in mijn hoofd

Column

Van offers, goden en de poppenkast in mijn hoofd

13 mei 2016
Van offers, goden en de poppenkast in mijn hoofd
Van offers, goden en de poppenkast in mijn hoofd

Er zijn veel waarheden, argumenteert Catherine Vuylsteke, en soms komen ze niet eens bij elkaar in de buurt.

Er zijn van die dingen die niet weg willen gaan, noem het een mentale poppenkast die ongevraagd voorstellingen geeft. Soms begint het met een verhaal in de krant, zoals dat van de 27-jarige Malinese Mamadou. Hij wilde zo graag naar Frankrijk dat hij bleef lopen en zijn tenen verloor. Die hebben de Alpen hem ontnomen. Mamadou wist niet dat sneeuw zoveel pijn kon doen.

En toch, als de jongeman opduikt in de carrousel van hardnekkige gedachten, dan is het niet louter om dat beeld van hem in een Frans ziekenhuisbed, met twee omzwachtelde, opgetakelde ledematen. Het ligt ‘m in wat werd opgeschreven, en vooral in wat er niet staat.

Eerst komt het gebruikelijke plaatje, met een politieke gebeurtenis waar de Conventie van Genève aan vast te haken valt. De situatie in Mali in 2010, het geweld en de ontwrichting door de opmars van moslimextremisten.

Dan kantelt het verhaal zonder dat de verslaggever het in de gaten heeft. Een politieke vluchteling wordt een economische. Mamadou zegt dat hij blij is dat hij zijn ‘droom kon waarmaken’. Hij vindt ‘de mensen in Briançon erg aardig, wil werken en vooral ook leren lezen en schrijven’.

Kon de jongeman een groter offer brengen, nog overtuigender zijn enthousiasme bewijzen voor het land van égalité, liberté, fraternité?

Daar eindigt het stuk in de krant. Met een gapende spagaat. De waarheid van Mamadou versus die van de Franse staat. Kon de jongeman een groter offer brengen, nog overtuigender zijn enthousiasme bewijzen voor het land van égalité, liberté, fraternité? Nauwelijks. Maar doet dat er voor de overheid toe? Nee. Gruwelijk genoeg niet.

Als het heel erg meezit, krijgt deze invalide een verblijfsvergunning om medische redenen. Maar ook in Mali zijn er rolstoelgebruikers, het is dus een dubbeltje op zijn kant.

Ik zie die andere Mamadou de revue passeren. De Guinese jongen uit ‘Vroeger is een ander land’ en ‘The art of becoming’. Hij arriveerde als 14-jarige niet-begeleide minderjarige op Grand Canaria. Op een boot als een kerkhof. Het duurde een maand vooraleer hij uit het ziekenhuis werd ontslagen.

In België leerde hij lezen, schrijven en Frans spreken. Mamadou haalde een scheidsrechtersdiploma en leerde betegelen, om dan toch daags voor Kerstmis 2012 zonder pardon op een vliegtuig naar Conakry te worden gezet.

Hij probeerde nog een keer te komen, strandde in Marokko en werd toen door de Internationale Organisatie voor Migratie thuis besteld. Nu is Mamadou in Gambia, met een baan in een belwinkel en trouwplannen. Of tenminste, dat vertelde hij onlangs aan de telefoon. Het was jaren geleden dat we zo’n opgewekt gesprek hadden.

Deradicalisering

De waarheden van de Mamadous en die van onze overheden. Ze komen niet eens bij elkaar in de buurt. Het gebeurt wel vaker. Ik moest er een paar weken geleden ook aan denken, als moderator van een debat over deradicalisering, in het Europees Parlement.

In de voorafgaande film ‘Mijn Jihad’ toonde Rudi Vranckx hoe de Antwerpse bekeerling Sulayman van Ael een gematigde, eigentijdse visie van de islam propageert. In het panel zetelden Vranckx, de in 1994 wegens een fatwa uit Bangladesh weggevluchte schrijfster Tasleema Nasreen en de Britse Tory-Europarlementariër Syed Kamall. Een journalist, een niet perfect Engelstalige vrouw die getekend is door een leven op de dool en een welbespraakte, hoogopgeleide tweede generatie migrant.

‘Geloof maar niet in de praatjes die in de film worden verkocht’, begon Nasreen. ‘Dat is de officiële retoriek, bedoeld om iedereen te sussen. De islam predikt haat, zonder meer. Als overlevende van verschillende aanslagen op mijn leven kan ik het weten’.

Kamall frunnikte aan zijn dure pak. Hij wees op de nood aan een hertaling van de Koran naar de 21ste eeuw, achtte uiterlijke geloofskenmerken als de hoofddoek volstrekt onnodig en probeerde te wijzen op de waardevolle morele boodschappen van de islam.

Hier sprak een moslim light, misschien lustte hij zelfs een biertje?

Het publiek had wel oren naar zijn discours. Hier sprak een moslim light, misschien lustte hij zelfs een biertje? Nasreen schudde evenwel het hoofd. Ze argumenteerde dat dogma’s nu eenmaal niet voor interpretatie vatbaar waren en vroeg Kamall waarom we überhaupt een god nodig zouden hebben om medemenselijkheid uit te dragen? Als het aan de schrijfster lag, werd de Koran als relikwie van weleer naar de bibliotheek van de menselijke geschiedenis verwezen.

De Europarlementariër werd ongeduldig. En de zaal met hem. Er kwamen geen weloverwogen vragen maar boze en gefrustreerde commentaren. Nasreen boog het hoofd en zat met opeengeklemde kaken op het podium. Eenzaam en verongelijkt.

Twee dagen later zag ik haar gezicht weer voor me, toen de BBC-radio meldde dat de Bangladeshi literatuurprofessor Rezaul Karim Siddique werd omgebracht toen hij om halfacht ‘s ochtends op weg was naar de universiteit in Rajshahi. Siddique redigeerde een literatuurtijdschrift en organiseerde muzikale evenementen. De moord werd diezelfde dag nog opgeëist door moslimextremisten.

Minder dan 48 uur later kwam een vergelijkbare tijding. Xulhaz Mannan, de oprichter van het enige holebi-blad in Bangladesh, werd vermoord in zijn huis in Dhaka, samen met zijn vriend. Ook die misdaad werd prompt opgeëist. Mannans naam was de twaalfde op het lijstje van seculiere intellectuelen in Bangladesh die sinds 2013 met hakmessen werden bewerkt.

De twee Mamadous, Siddique, Mannan, Kamal en Nasreen. In de poppenkast in mijn hoofd discussiëren ze met elkaar. Over de vloek der onwetendheid, de nood aan beter onderwijs, aan ontwikkeling, banen, gezondheidszorg, bestuurlijke aansprakelijkheid en cultuur. Ze zijn het over meer dan negentig procent van de dingen roerend eens. En over de rest verschillen ze probleemloos van mening.