Vlaanderen heeft zijn open ruimte democratisch opgepeuzeld

Column

Vlaanderen heeft zijn open ruimte democratisch opgepeuzeld

Vlaanderen heeft zijn open ruimte democratisch opgepeuzeld
Vlaanderen heeft zijn open ruimte democratisch opgepeuzeld

Een tikkeltje onverwacht trakteert MO* columnist Geert Van Istendael de Vlaamse regering op applaus. Omdat die van plan is de Vlaming een bouwstop op te leggen.

Dit is mijn drieënvijftigste bijdrage tot dit forum en ik vrees dat ik in herhaling zal vervallen. Het is niet zozeer omdat een mens die vandaag in Europa een beetje nadenkt nog maar eens over populisme moet schrijven. Dit stuk komt tot stand vóór de Italiaanse volksraadpleging en de Oostenrijkse presidentsverkiezingen (ook een herhaling, die laatste, maar kom). Over wat vooraf ging is ongeveer alles gezegd. De uitslag is, nu ik dit intik, nog onbestaande en als recente dramatische wendingen bij verkiezingen en referenda ons íéts geleerd zouden moeten hebben, dan wel dit: hoed je voor voorspellingen.

Ik wil het echter hebben over een zéér oud zeer in ons eigen België, vooral dan in Vlaanderen: onze ruimtelijke knoeiboel.

Vooraf dit.

Ik breng hier hulde aan de Vlaamse regering omdat zij van plan is de Vlaming een bouwstop op te leggen. Dat getuigt van, wel ja, leeuwenmoed. Het gaat snoeihard in tegen decennia van ongebreidelde ruimtelijke boulimie. Het beteugelt het diepste instinct van de Vlaming. De baksteen in de maag. Dat ik dat nog mag beleven! Ja, ja, stel je dat toch voor, deze jongen bejubelt uitgerekend déze Vlaamse regering. Er zijn geen zekerheden meer. Vooruit, om de zaken weer wat in evenwicht te brengen: de enige die ooit vergelijkbare dapperheid toonde, was Steve Stevaert. Die liet zonder pardon Vlaamse villa’s slopen, je kon op het televisiejournaal de bakstenen zien neerstorten.

In 1978 begon ik te werken bij de openbare omroep. Ik woonde toen nog in Leuven en haalde een gedeukte tweedehands Volvo van stal om naar Brussel te karren. Het omroepgebouw lag en ligt nog steeds vlak bij de autosnelweg en is moeilijk bereikbaar voor openbaar vervoer. Uitzondering is treinlijn 26, al jaren een lichtend en nogal eenzaam voorbeeld van een voorstadspoor, dat Mechelen via Brussel verbindt met Halle.

Dus: ik de auto in.

De wagens schoven tegen de bedaarde snelheid van zowat tachtig kilometer per uur over de E40. Twee en een half jaar lang ben ik meegeschoven richting hoofdstad.

Tot kort ervoor had ik me bezig gehouden met ruimtelijke ordening. Ik had dus een en ander gelezen over de verkeersellende in en rond andere Europese steden. Ik dacht, nu loopt het nog lekker, maar het duurt niet lang meer of dit loopt mis. Grondig mis. Vandaar dat ik in 1980 naar Brussel verhuisde, naar mijn geboortegrond. Het roest van de Volvo werd verkocht voor een appel en een ei. Voortaan ging ik te voet werken. Precies één kwartier stappen was dat, van mijn voordeur tot de voordeur van de redactie.

Dat wat de autowegen betreft. De files hebben intussen monsterachtige afmetingen aangenomen. België wordt getipt als wereldrecordhouder files en een tijd geleden circuleerde een petitie om de Unesco te vragen de Belgische files als werelderfgoed te erkennen.

Maar dat is slechts een deel van het verhaal.

Kerkstraat

Trek naar een willekeurig Vlaams dorp. Vat post in de hoofdstraat. En zie de processies auto’s traagzaam voorbijtrekken, onophoudelijk. Toen ik mij metterwoon in Brussel vestigde, hoorde ik schampere opmerkingen over al dat lawaai en al dat beton in de stad.  Maar op het Vlaamse platteland hoor je allang niet meer het zorgeloze gekwinkeleer van de vogeltjes. Je hoort er het geraas van ontploffingsmotoren.

Hoe komt dat?

De obsessie met de auto delen we met andere Europeanen, ik beperk me tot ons continentje. Zijn er in onze buurlanden bijvoorbeeld dan geen files? Ook die landen kennen het probleem, neem de Nederlandse Randstad, het Ruhrgebied, Parijs. Maar het is niet zo wanstaltig als bij ons.

Je kunt zeggen, Frankrijk is veel minder bevolkt. Klopt helemaal. Maar westelijk Nederland of de Ballungsgebiete in Duitsland of de région parisienne zijn ten minste even dicht bevolkt als Noord-België, zo niet dichter.

Wel hebben wij veel meer wegen. Het aantal kilometer weg per vierkante kilometer in België wordt slechts overtroffen door een stadsstaat als Singapore. Of door Hongkong.

Je kunt zeggen, wij subsidiëren eigenlijk de bedrijfswagens. Ik ken de systemen in andere landen niet. In ieder geval, een stommer en duurder systeem dan het onze kan een mens zich niet voorstellen.

Je kunt zeggen, wij subsidiëren eigenlijk de bedrijfswagens. Ik ken de systemen in andere landen niet. In ieder geval, een stommer en duurder systeem dan het onze kan een mens zich niet voorstellen. Ik verneem dat we jaarlijks vier miljard in die bedrijfswagens stoppen. Laten we even aannemen dat dat cijfer klopt. Dan wil dat zeggen dat we de file-ellende met vier miljard per jaar subsidiëren. Bij die graad van absurditeit verbleken de kampioenen van het absurde theater, Ionesco, Genet, Adamov. Met zelfs maar een deel van dat bedrag zou je de hele overheidsbijdrage tot de spoorwegen kunnen verdubbelen.

Samengevat: Hoge bevolkingsdichtheid, hoge densiteit van het wegennet, krankzinnige subsidies voor auto’s.

En toch is dat niet alles.

Want waarom hebben wij zoveel kilometers weg nodig? Hier kom ik terug bij de wijze voornemens van de Vlaamse regering. Wij zijn al jaren bezig veel te bouwen (maar ook op dat punt verschillen we niet grondig van de buurlanden) en we willen overal kunnen bouwen.

Dat laatste wil de Vlaamse regering nu eindelijk aanpakken.

Nu eindelijk. Inderdaad.

De eerste Belgische wet op de ruimtelijke ordening werd goedgekeurd op 29 maart 1962. In Zweden, véél dunner bevolkt dan ons land, zijn ze ermee begonnen in 1874, in Nederland in 1902, in Groot-Brittannië in 1909. In 1962 zat ons parlement nog vol burgemeesters. Die zijn na de druk op de knop naar hun haardsteden teruggekeerd, alwaar ze gezwind begonnen de kersverse wet te saboteren.

Omstreeks 1970 gaf de studiedienst van de CVP een boekje uit over de stand van zaken. De ontwerpen van gewestplannen raakten toen net bekend. Dit wil zeggen dat er voor het eerst sprake was van de begrenzing van woonzones – in België een revolutionaire vernieuwing. Wat bleek? 90 procent van de op dat moment reeds vergunde verkavelingen bevonden zich buiten die woonzones en die vergunningen waren toen nog onbeperkt in de tijd.

De Vlaming wilde zijn eigen huis bouwen op de plaats die de Vlaming koos. In die zin kun je zeggen dat onze ruimtelijke wanorde berust op onberispelijk democratische grondslagen.

Ik herinner me een colloquium waaraan ik deelnam toen. Een van de sprekers was een Franstalige meneer Teirlinck, als mijn geheugen me niet in de steek laat een directeur-generaal op Openbare Werken, maar hiërarchie is niet mijn sterkste zijde. Meneer Teirlinck had een kaasachtig voorkomen en hij liep op krukken. Zijn betoog was ongemeen indrukwekkend. En alarmerend. Als we niet ingrijpen liep het onherstelbaar mis, zei hij. Ik heb de woorden van deze grand commis de l’état nooit vergeten. Want we hebben niet ingegrepen, integendeel.

Eveneens omstreeks die tijd hadden de gemeentebesturen inzake ruimtelijke ordening slechts één wens: bouwen langs alle verharde wegen. Intussen waren die gemeentebesturen alle wegen aan het verharden, want het geld kon niet op in die jaren. Die gemeentebesturen vertolkten zonder de geringste twijfel de algemene volkswil. De Vlaming wilde zijn eigen huis bouwen op de plaats die de Vlaming koos. In die zin kun je zeggen dat onze ruimtelijke wanorde berust op onberispelijk democratische grondslagen.

Technocratische logica

Ik trok toen de boer op. Mijn toehoorders waren Hagelandse agrariërs of ze werkten bij Stella en hielden zich ’s avonds bezig met hun aardbeien. Zij zeiden me keer op keer: Gij peinst toch niet dat mijn dochter niet zal bouwen op de grond die ik voor haar heb gekocht? Dat bestaat niet, meneer.

Denk nu vooral niet dat ik het voorgaande ironisch bedoel. Of neerbuigend. Die mensen waren het tegendeel van dom. De beslissing van elk van hen afzonderlijk was hoogst rationeel. Weloverwogen. Op hun logica viel niets af te dingen. Kijk zelf.

Goedkope bouwgrond. In het vertrouwde dorp. Dicht bij de lagere school. Dicht bij ouders en familie, dus als een kind ziek was, vormde dat geen probleem. Dicht bij de verenigingen. Wat kun je daar in godsnaam tegen inbrengen?

Bovendien, de verkozenen des volks, vooral die van de grootste partij, dat waren destijds de christendemocraten, wilden tot elke prijs dat de mensen bleven wonen in hun dorp – lees: niet in de verderfelijke stad met haar zondige verlokkingen. Dat je moest pendelen, namen ze maar voor lief.

Vlaanderen heeft zijn open ruimte opgepeuzeld. Dorpen zijn gemuteerd tot voorstedelijke zwermen. Tussen verkavelingen, bedrijventerreinen, sporthallen en supermarkten her en der zoeken horden auto’s moeizaam hun weg.

Jazeker, de weg naar het werk was soms toch wat lang. Maar vergeet niet dat in die tijd nog tientallen kleine stationnetjes niet waren afgeschaft. Dat er hier en daar nog boerentrams tussen provinciesteden reden op eigen bedding. Dat het bedrijfsleven nog veel minder gecentraliseerd was dan vandaag. Dat er nog winkels waren in de dorpen.

Dat alles is verwoest. Een andere logica, een technocratische logica werd hun opgedrongen. Als ik de resultaten bekijk, vraag ik me af of je ze zoveel rationeler kunt noemen dan die van de dorpelingen. De technocratische logica diende andere belangen die niets te maken hadden met het algemeen belang en zo mogelijk nog minder met het belang van de kleine huiseigenaars.

Intussen raakte de bevolking even verslingerd op de eigen auto als op het eigen huis. Niet één auto per drie gezinnen, niet één auto per gezin, maar twee, desnoods drie. en steeds minder trams en treinen. De bussen reden vast in ochtend- en avondspits. Intussen verdunden de gezinnen zienderogen. Woonde vroeger een gezin met acht kinderen in één huis, dit wil zeggen, tien mensen, dan was dat later een gezin met twee of drie kinderen. Ergo, je vermenigvuldigt je aantal huizen met twee. Honderd procent er bij. En noch huizen noch percelen werden kleiner.

Zo komen we bij de oeverloze ellende vandaag. Vlaanderen heeft zijn open ruimte opgepeuzeld. Dorpen zijn gemuteerd tot voorstedelijke zwermen. Tussen verkavelingen, bedrijventerreinen, sporthallen en supermarkten her en der zoeken horden auto’s moeizaam hun weg.

Of we daarom met ons allen naar de stad moeten trekken, betwijfel ik sterk. Maar daarover een andere keer. De ruimtelijke rotzooi laat me niet los.