Wat nu? Wat als?

Wat als we in Hongkong gebleven waren?

© Brecht Goris

Ching Lin Pang

Het is een halve eeuw geleden dat we naar België gemigreerd zijn. Vader kwam eerst in 1967 en de rest van de familie volgde twee jaar later eind september 1969. De rest van de familie omvat: moeder, grootmoeder, de zes kinderen waaronder mezelf, drie nichten en twee neven.

De transcontinentale vlucht leek eindeloos. Gelukkig waren er twee tussenstops in New Delhi en Bahrein. Zelfs tot op de dag van vandaag kan ik me de wulpse Indische vrouwen gehuld in kleurrijke sari’s voor de geest roepen. In Bahrein dronk ik limonade omringd door besnorde mannen met tulbanden. De aankomst in Zaventem was een soort van anticlimax: het weer was donker, winderig en regenachtig.

De eerste schooldag was een dag van verwondering en verwarring. Gelukkig zaten ik en mijn tweede zus in dezelfde klas. Aan aandacht geen gebrek, maar we verstonden niets van wat er gezegd werd. Ik herinner me ook het eerste schooltoneel. We konden nog steeds geen Nederlands maar we mochten toch meespelen: ik en mijn zus met onze lange haren in een paardenstaart huppelden hand-in-hand het podium op.

Laatst heeft ze zich de vraag gesteld wat er van ons geworden zou zijn indien we in Hongkong gebleven waren. Wat als we geen migranten waren? Hm, daar heb ik nog niet over nagedacht. Wel, dan had ik wellicht geen Sinologie gestudeerd. Die richting werd me aangepraat door mijn leerkrachten die me aanmoedigden om de eigen cultuur beter te leren kennen. Alhoewel ik zelf een voorkeur had voor klassieke filologie heb ik hun raad opgevolgd.

Na vier jaar vond ik — ondanks de hoge punten — mijn kennis onvoldoende en voelde ik me niet klaar voor het “echte” leven, wat dat ook moge betekenen. Met een flinke dosis hoop en hybris trok ik de wijde wereld in, richting Beijing, Hongkong en Berkeley om er te studeren, maar vooral om een eigen identiteit te vinden. Want sinds kindsbeen af hoorde ik tegenstrijdige meningen hierover. Thuis waren we Chinees. We aten rijst uit kommetjes. Aan tafel mocht niet gepraat of gedronken worden. We moesten de ouders gehoorzamen en zo ook de oudere broers en zussen.

Op school was ik ook Chinees. Maar in Beijing ontdekte ik dat het Chinees-zijn vele vormen kon aannemen. Ik kwam er terecht in een school voor overzeese Chinezen. We waren allen Chinezen maar tegelijk erg verschillend van elkaar: Chinezen uit Japan, Zuidoost-Azië, Brazilië, enz. Ik was “de Chinees uit Europa”. België was niet zo bekend. Ook in Hongkong werd mijn afkomst deels gelinkt aan het Europees continent. In Berkeley werd ik — merkwaardig genoeg — aanzien als een plaatselijke Asian-American.

Het werd me heel duidelijk dat het beeld van de andere over jou erg fluïde is en vaak anders dan het eigen zelfbeeld. Daarom vond ik het een godsgeschenk toen ik — geheel bij toeval — een kans kreeg om een doctoraat te maken over identiteit en migratie. Dat was in het jaar 1990 toen identiteit en migratie lang niet zo hete hangijzers waren in het publieke debat als nu.

Ook na mijn studies vond ik werk in de academische wereld — met een intermezzo van vijf jaar in het voormalige Centrum voor Gelijkheid van Kansen — waar deze onderwerpen centraal staan. Ik werd zo meegezogen in deze thematiek dat ik gedurende enkele jaren zelfs mijn avonden vulde met vergaderingen van middenveldorganisaties die instaan voor etnische minderheden.

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws

Inmiddels — sinds tien jaar — heb ik mijn aandacht uitsluitend gericht op China. Het is verschrikkelijk intrigerend hoe snel China verandert en hoe Chinezen ermee kunnen omgaan. Op één of andere wijze vinden ze een weg in deze supercomplexe maatschappij waar traditie, moderniteit en postmoderniteit naast elkaar bestaan.

Wat is mijn antwoord op wat als? Indien ik in Hongkong was gebleven, dan had de hele identiteitskwestie waarschijnlijk niet zo centraal gestaan in mijn leven. Wellicht was ik dan ook geen China-expert geworden. Maar ik houd niet van ‘wat als’ vragen. Ik heb geen nood aan nieuwe realiteiten. Een realiteit maak je zelf. Vandaar dat ik meer voeling heb met de vraag: wat nu? Welnu in plaats van mezelf te zien als de speelbal van het noodlot speel ik liever met de kaarten die ik gekregen heb van het leven. Daarmee bouw ik aan nieuwe realiteiten zoals het oprichten van een nieuwe opleiding, die Chinezen en Europeanen dichter bij elkaar brengen. Maar daarover meer in een volgende column.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Antropologe

    Ching Lin Pang is antropologe verbonden met Universiteit Antwerpen en KU Leuven. Met een open blik bestudeert ze de hedendaagse ontwikkelingen in Azië met een focus op China.