Sri Lanka wordt niet het enige land dat in geldnood komt

‘Leidt “onrechtvaardige” geldwereld opnieuw tot schuldencrisis van lage inkomenslanden?’

Nazly Ahmed / Flickr (CC BY-NC-ND 2.0)

Een manifestant maakt een spandoek voor een protestmars tegen president Gota (april 2022). De betogers leggen de schuld voor de lamentabele financiële toestand van het land bij hem.

Sri Lanka zal wellicht niet het enige land zijn dat in een financiële nood geraakt. MO*journalist John Vandaele vraagt zich af of we opnieuw op weg zijn naar een schuldencrisis van het Globale Zuiden. Een gevoel van déjà vu dringt zich onwillekeurig op.

In de jaren 80 ontstond de grote schuldencrisis van de lage-inkomenslanden (die toen nog de Derde Wereld heetten), nadat de VS hun monetaire beleid drastisch hadden gewijzigd om de inflatie te keren. Van het erg losse beleid in de jaren 70 (met een rente die lager lag dan de inflatie) ging het naar een rente van 20 procent begin jaren 80. Dat was de Volckerschok, genoemd naar Paul Volcker, de toen­malige baas van de centrale bank van de Verenigde Staten.

Volckers optreden bracht een ketting­reactie op gang. De leningen die lage-inkomenslanden waren aan­gegaan, werden plots veel duurder. De rente op die leningen was immers variabel en volgde de rente in ‘s werelds geldcentra Londen en New York. De verhoging was van die aard dat de lage­-inkomenslanden niet meer konden betalen.

Temeer omdat de Amerikaanse renteverhoging leidde tot een wereldwijde recessie en een bijbehorende daling van grondstoffenprijzen, op dat moment nog de voornaamste inkomstenbron voor het Zuiden. Het is alsof de afbetaling van je huis verdrievoudigt op het moment dat je inkomen drastisch daalt …

Mattheus­effect

Nu dreigt hetzelfde. De Amerikaanse centrale bank trekt de rente op om de inflatie in de VS te lijf te gaan, maar de hele wereld zal dat voelen. Landen die geld willen lenen, zullen meer moeten betalen. De schulden van de lage-inkomenslanden zullen veel duurder worden, terwijl ze, volgens het Internationaal Muntfonds, in verhouding bijna vier keer zoveel schulden hebben als in 1980 (meer dan twee keer hun nationale inkomen tegen de helft ervan destijds).

Dat is de inherente asymmetrie van de geldwereld waar zakenman George­ Soros al vaker op wees. Kleine economieën zijn extreem afhankelijk van het interne beleid van de grote landen, in de eerste plaats de VS, die over de reservemunt van de wereld beschikken. Wat voor hen binnenlands geldbeleid is, is meteen ook geld­beleid voor de rest van de wereld.

Je kunt dat onrechtvaardigheid noemen, want die asymmetrie versterkt andere kenmerken van het financiële stelsel: arme landen betalen sowieso een hogere rente dan rijke landen. Het financiële systeem is haast synoniem voor het mattheu­s­effect, dat daar gewoon risicobeheer heet. Aan wie heeft, zal worden gegeven, omdat er meer kans is dat zo’n rijk land terugbetaalt. Arme landen daarentegen moeten een hogere rente­ –lees: risicopremie – betalen.

België heeft meer stemmen dan Indonesië met zijn 200 miljoen inwoners, ook al is zijn economie kleiner.

Alleen de publieke ontwikkelingsbanken zoals de Wereldbank, het Inter­nationaal Muntfonds (IMF) met zijn speciale noodhulpfondsen of de ontwikkelingssamenwerking gaan tegen­ die rentelogica in.

Lage-inkomenslanden hebben nog altijd weinig stemmen in het IMF, waar het mondiale geld­beleid besproken wordt. Het aantal stemmen in het Muntfonds hangt af van je kapitaalinbreng, en die wordt berekend op basis van het economische gewicht van landen.

Door die “speciale rekenkunde” heeft Italië (bevolking 60 miljoen en een kleinere economie dan India) in het IMF drie procent van de stemmen en India (1,4 miljard inwoners) 2,6 procent. België heeft meer stemmen dan Indonesië met zijn 200 miljoen inwoners, ook al is zijn economie kleiner. En de VS tellen haast drie keer zoveel stemmen (16 procent) als China (6 procent), ook al zijn hun economieën haast even groot. Het Westen heeft in het IMF met een achtste van de wereld­bevolking nog altijd de helft van de stemmen.

Oorlog en klimaatcrisis

Die stemmenverdeling bepaalt niet alleen de verdeling van macht, maar soms ook van geld. Het IMF kan immers geld creëren: de zogenaamde speciale trekkingsrechten of STR’s. In de coronacrisis heeft het Muntfonds er voor een recordbedrag geschapen: 450 miljard STR’s die 600 miljard dollar waard zijn.

Ook dat geld werd verdeeld op basis van de kapitaal­inbreng. Daardoor kregen de minst ontwikkelde landen, voor wie de STR’s in de eerste plaats geschapen werden, er maar een klein deel van. Er was sprake van dat de rijke landen hun STR’s – die ze niet echt nodig hadden – goedkoop zouden doorspelen aan de lage-inkomenslanden, maar daar is niet veel van in huis gekomen.

Dit keer komt de monetaire asymmetrie/onrechtvaardigheid boven op een oorlog die voedsel duurder maakt en een aantal lage-inkomenslanden met hongersnood bedreigt en een klimaatcrisis die inherent onrechtvaardig is – zij die er minder toe bijdroegen, lijden er doorgaans het meest onder, ook al omdat arme landen haast per definitie minder middelen hebben om zich te verdedigen tegen de opwarming.

Het is goed om daags na de Vlaamse feestdag bij dat alles even stil te staan: het plaatst de Vlaamse zorgen enigszins in perspectief.

Deze bijdrage verscheen op 12 juli in De Standaard.

Maak MO* mee mogelijk.

Word proMO* net als 3229   andere lezers en maak MO* mee mogelijk. Zo blijven al onze verhalen gratis online beschikbaar voor iédereen.

Ik word proMO*    Ik doe liever een gift

Over de auteur