Terug naar het Donetsbekken, vijf jaar na de oorlog

‘De geschiedenis leert dat je van revoluties niet veel goeds kan verwachten’

© Jan Hunin

Coverbeeld voor het boek “Niemandsland. Een reis naar de oorlog in Oekraïne”

Vijf jaar nadat hij er verslag deed van de gruwelen van de oorlog, keert Jan Hunin voor zijn boek “Niemandsland. Een reis naar de oorlog in Oekraïne” terug naar het Donetsbekken, een gebied waar westerse journalisten allang niet meer welkom zijn. Voor MO* selecteerde hij enkele fragmenten uit het boek. Een mooi land, schrijft Hunin. Mooi maar meedogenloos.

Sinds de door Moskou gesteunde rebellen er in 2014 de onafhankelijkheid uitriepen, valt er in het Donetsbekken nog weinig goed nieuws te rapen. Terwijl in het buitenland de commotie rond het neerschieten van vlucht MH17 langzaam maar zeker wegebt, gaan ter plaatse de vijandelijkheden gewoon door. Van Oekraïne is het gebied allang niet meer, en van Rusland nog niet, wat de uitzichtloosheid alleen maar vergroot. Niet dat de bewoners het zich laten aanzien. Ze hebben in hun geschiedenis al zoveel meegemaakt dat ze dit er ook wel bij kunnen nemen. Al helpt het natuurlijk dat de wodka er rijkelijk vloeit.

‘Mens, ben jij een zwijn?’

Als buitenstaander had ik me misschien niet aangesproken moeten voelen, maar dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan wanneer je zo’n vraag krijgt voorgeschoteld in een stad die de voorbije jaren het toneel was van, ik zal het maar zeggen, misdaden tegen de menselijkheid. Dat bord mocht daar dan nog zo verloren op een veld staan. Zou het dan echt zo erg met onze soort gesteld zijn?, vroeg ik me af, nadat ik de rood uitgelopen letters ontcijferd had.

Maar nog voor ik tegenwerk had kunnen bieden, had de rebel met wie ik op pad was, uitgelegd dat het boven de betonnen omheining uitstekende geraamte ooit een winkelcentrum was geweest, d.w.z. tot op een dag een Oekraïense raket er onder de bezoekers dood en vernieling zaaide.

Epicentrum heette het, alsof het met zijn naam die ramp op zich had afgeroepen.

En toen ik even later in een park van Loegansk de tel kwijtraakte bij de voor de omgekomen kinderen geplante boompjes was ik geneigd de vraagsteller in het gelijk te stellen.

Jawel, ik ben een zwijn.

Toch?

© Jan Hunin

Een bord met de cynische tekst ‘Ben jij een zwijn?’ naast het betonnen en stalen geraamte van wat ooit een winkelcentrum was.

*

Mijn reis naar het Donetsbekken, en niet Donbekken, zoals vaak verkeerdelijk wordt of werd aangenomen, ook door mezelf  — de Don in Donbass staat nu eenmaal voor de Donets en niet de Don, die door Rusland stroomt — was precies twee weken eerder begonnen in de Oekraïense hoofdstad Kiev, met wolken die van zo’n verbluffende schoonheid waren dat ik de behoefte voelde voor het eerst in lange tijd nog eens een foto op Facebook te plaatsen: ‘They have nice clouds here.’

En een dag later nog een, toen ik in het verder naar het oosten gelegen Charkov boven het verdwenen standbeeld van Lenin een donutwolk zag verschijnen, alsof hij doorprikt was door de antenne op het dak van het Paleis van Volksvlijt, een constructivistische wolkenkrabber die bij zijn oplevering in 1928 heel even kon pronken met de titel van hoogste gebouw van Europa. Jawel, het was nogal een klein gaatje, maar dat zijn meestal de leukste.

Zodra ik het van Oekraïne afgescheurde Donetsbekken bereikte, werd het iets minder met de wolken, maar dat kon aan het weer liggen: zodra de zon weer begon te schijnen, waren ze er opnieuw, een normaal verschijnsel boven de steppe, zeker in de zomer.

Maar het waren niet alleen de wolken.

Het laatste wat je van een mijnbouwgebied mag verwachten, zijn prachtige landschappen. Maar dan valt de Donbass – Donbas in het Oekraïens — best mee. Alleen af en toe zie je er echte schachten opduiken, rechthoekige torens die met enige verbeelding San Gimigniano oproepen, het Toscaanse stadje dat met zijn hoge torens op de werelderfgoedlijst van UNESCO belandde.

En die steenbergen, ja, die deden dan weer denken aan bergen, vulkanen en met een beetje goede wil zelfs aan piramides, zodat ik naar hartelust foto’s kon posten met onderschriften als Giza en – de mij vertrouwde – Śnieżka, de hoogste top van de Sudeten (‘Nu je het zegt …’).

En toen ik dan ook nog aan de grens met Rusland de lupines zag wuiven, was ik helemaal verloren.

Eigenlijk wel een mooi land.

© Jan Hunin

Slechts af en toe zie je echte schachten opduiken, rechthoekige torens die met enige verbeelding San Gimigniano oproepen, het Toscaanse stadje dat met zijn hoge torens op de werelderfgoedlijst van UNESCO belandde.

*

Mooi maar meedogenloos.

*

Eerst en vooral voor de 298 inzittenden van Malaysia Airlines vlucht MH17 van Amsterdam naar Kualu Lumpur natuurlijk, die op 17 juli 2014 nietsvermoedend op weg naar hun bestemming waren toen in de buurt van het dorpje Grabovo vlakbij hun toestel een radargeleide luchtdoelraket van het type BUK tot ontploffing werd gebracht. (Het lot had beslist dat hun levens die dag zouden eindigen, zou ik tijdens mijn bezoek een deelnemer aan een herdenkingsplechtigheid horen opperen. En het lot, zoals we weten, kan je niet ontlopen.)

Maar eigenlijk evenzeer voor de bewoners van het door oorlog verscheurde mijnbouwgebied in het uiterste zuidoosten van Oekraïne. Het geweld dat er volgde op het uitroepen van de onafhankelijkheid, ondertussen meer dan zes jaar geleden, kostte tot nog toe – de teller loopt – meer dan dertienduizend levens, onder wie die van meer dan drieduizend burgers, die laatsten vooral in de gebieden die sinds het uitbreken van de oorlog stevig in de greep van Moskou zitten: de ‘volksrepublieken’ van Donetsk en Loegansk. Toch wel veel voor een gebied dat niet veel groter is dan Vlaanderen en amper vier miljoen inwoners telt.

*

Ze zijn er natuurlijk wel wat gewoon. Al in de tijd van de Oude Grieken werden de ten noordoosten van de Zwarte Zee gelegen gebieden de grens van de wereld genoemd, waar, om het met Homeros te zeggen, Helios nooit schijnt en een doodse nacht hangt over de mensen die er wonen.

Nogal gek voor een land waarvan de grond zo vruchtbaar is dat je, om dan weer de woorden van een Nederlandse oud-minister van Landbouw te gebruiken, ‘moet uitkijken als je je vinger in de grond steekt, want binnen een paar minuten zitten er worteltjes aan.’ Maar aan die zogenaamde zwarte aarde heb je natuurlijk weinig als er geen water is, en regen valt er niet veel in een steppe.

Op een eerste nederzetting was het dan ook wachten tot 1676, toen het gebied werd gedomineerd door de kozakken, vaak gevluchte lijfeigenen die hun toevlucht zochten in het niemandsland tussen Rusland en het door de Turken gedomineerde Chanaat van de Krim. Pas toen er steenkool ontdekt werd, kon het Donetsbekken uitgroeien tot een van de meest ontwikkelde gebieden van eerst Rusland en daarna de Sovjetunie.

Het leven van de bewoners werd er daarom niet gemakkelijker op. De voorbije eeuw maakten ze een oorlog, een burgeroorlog, vervolgingen, hongersnood, opnieuw een oorlog en nog meer vervolgingen mee. En toen dan eindelijk het communisme gevallen was, werd de regio getroffen door alweer nieuwe plagen, in de vorm van sluitende mijnen en economische achteruitgang.

De plaatselijke bevolking had dan ook weinig om mee op te scheppen, of het zou met Sjachtar Donetsk moeten zijn, de voetbalploeg van Rinat Achmetov, de plaatselijke oligarch over wie geen kwaad woord mag geschreven worden zonder een duur proces te riskeren, wat ik hier dus ook niet ga doen.

Met die opeenvolging van rampen mocht het dan ook niet verwonderen dat de bewoners op mijn vraag hoe het ging doorgaans met ‘normaal’ antwoordden. Ze waren het onrecht gewoon, voor zover je natuurlijk onrecht gewoon kan worden.

© Jan Hunin

Achtergelaten militaire spullen in de buurt van Jasinovataja (frontgebied)

*

Maar wat zij normaal vonden, was daarom nog niet normaal, zoals ik kon vaststellen toen ik vanuit Loegansk een uitstap maakte naar Pjervomajsk, een stad waar bij beschietingen door het Oekraïense leger zoveel burgers waren omgekomen dat ze waren opgehouden met tellen.

*

Misschien lag het aan het miezerige weer, maar de straten in de buitenwijken van Loegansk zagen er zo troosteloos uit dat je bijna wanhopig zou worden – ware het niet dat er snel beterschap op komst was.

‘We gaan er alles aan doen opdat de inwoners van onze Republiek van het geluk van een volwaardige staat kunnen genieten’, verzekerde de plaatselijke president Leonid Pasetsjnik op reclameborden die her en der stonden opgesteld. Voor hun veiligheid hoefden de inwoners ook al niet te vrezen, want, zo stond er op weer een ander bord: er zou gevochten worden voor elke stad, elk huis, ja, elke inwoner van de Volksrepubliek Loegansk.

Helaas voor het staatshoofd hoefde hij daarbij niet meer rekenen op de soldaat die ik onderweg oppikte. Wat hem betreft konden de oorlogsstokers hun zaken onder elkaar uitvechten, nog het liefst met blote vuisten. Het kon hem niet meer schelen wie won, zolang er maar vrede kwam.

Het was niet de eerste keer dat we een rebel kritiek hoorden leveren op de oorlog. Een week eerder, in Sedovo, de enige badplaats die de van Oekraïne afgescheurde gebieden rijk zijn, had ik al eens bij een luitenant de twijfel horen binnensluipen.

Het gebied was zo’n smeltkroes van nationaliteiten dat je zonder veel overdrijving kon zeggen dat er in de Donbass geen Russen woonden, alleen mensen die Russisch spraken.

Ja, normale mensen zouden het gemakkelijk met elkaar eens worden, moest die na een toost op de internationale verbroedering bekennen; het waren diegenen van daarboven die een akkoord in de weg zaten, en uiteindelijk eindigde het ermee dat hij, de verdediger van de Russische ziel, met een vertegenwoordiger van het gehate Europa de zee in dook voor een partijtje volleybal, waarbij dient aangestipt dat de Zee van Azov vanwege haar gebrek aan diepte zich uitstekend leent tot de combinatie van drinken en zwemmen.

Maar die laatste had een paar glazen teveel op, en dat kon niet gezegd worden van de rebel met wie ik op weg naar Pjervomajsk kennismaakte. Die beschouwde zichzelf als een mens, een hardwerkende mens, wat eigenlijk wel toepasselijk was voor iemand die woonde in de stad die genoemd was naar Stachanov, de communistische modelarbeider die in 1935 in zes uur tijd 102 ton steenkool naar boven haalde. Dat daarbij niet alles volgens de regels verliep, maakte de toenmalige propaganda niet uit.

En ja, natuurlijk was hij bang, maar hij had thuis twee kinderen te voeden, en ze moesten toch ergens van leven. Want met de tewerkstelling was het maar zwakjes gesteld in de streek. De twee belangrijkste werkgevers van de streek – de staalfabriek in Altsjevsk en de treinfabriek in zijn eigen Stachanov – waren maar pas weer opgestart, en de meeste mijnen waren dicht. Het was ieder voor zich.

© Jan Hunin

steenbergen die doen denken aan bergen, vulkanen en met een beetje goede wil zelfs aan piramides.

Dat het er in de buurt al beter aan toe was gegaan, bleek toen we in het nabijgelegen Brjanka stopten voor een kleine hap. Nadat ik de bediende van een pompstation aan het lachen had gebracht door mosterd op mijn hotdog te bestellen – zoiets had ze nog nooit gehoord – vertelde ik dat ik vijf jaar geleden in de buurt was geweest. Toen er geen stroom was. O, zei ze, zoals nu dus. En aan water bleek er ook al een tekort.

Enfin, er werd veel gevloekt, maar het leven ging door.

En waren ze dan niet trots op Stachanov? Lastige vraag. Waarschijnlijk wel, antwoordde de jonge vrouw die enkele kilometers verderop, op de plaats waar de communistische modelarbeider zijn krachttoer leverde, een winkel uitbaatte. ‘Als we die kloteoorlog maar niet hadden.’

En of het een kloteoorlog was.

*

In het naar 1 mei vernoemde Pjervomajsk hoefde ik maar de eerste de beste voorbijgangster aan te spreken, of ze vertelde hoe er in het trappenhuis van haar flat vier doden waren gevallen. Zomaar. Nu ja, bij de beschietingen door het Oekraïense leger waren niet minder dan 1500 inwoners omgekomen. En dan zeggen ze dat we onszelf beschoten hebben, voegde ze er ongevraagd bij.

Ik dacht dat ik het niet goed gehoord had, vijftienhonderd, en dat voor een stad van nog geen 40.000 inwoners? Maar het bleken er echt wel zoveel te zijn. In november 2014 waren het er al 813 en daarna waren ze gestopt met tellen, legde de verkoopster van de kruidenierszaak in het centrum uit. Zelf schatte ze het aantal slachtoffers op ongeveer 1300. Op een paar honderd meer of minder kwam het niet.

De flats aan de rand van de stad vormden natuurlijk een gemakkelijk doelwit voor de Oekraïense artillerie; dan mocht er nog overal “Mensen” op de muren geschreven staan. Overigens was het laatste slachtoffer pas enkele dagen geleden gevallen; je kon nog zien waar de raket – of was het een granaat – was ingeslagen.

‘Op je vrienden kan je maar één keer schieten.’

Eerlijk gezegd begrepen ze in Pjervomajsk zelf niet goed hoe het zover was kunnen komen. In het begin was niemand hier voor de separatisten, vertelde ene Sanja Anatolovitsj op de terugweg. Als mijnwerker verdiende hij omgerekend 200 euro per maand en dan mocht hij nog van geluk spreken dat hij werk had. Ach, als ze maar naar de gewone man hadden willen luisteren.

En hoe ging het er na vijf jaar oorlog aan toe?

Het was tegelijk beter en niet beter, besloot hij.

Hij was er niet zeker van dat ik hem begreep, maar ik begreep hem.

En als ik hem niet begrepen had, dan zou ik dat later die dag wel doen, toen ik in een dorp in de buurt van Loegansk een herdenkingsplechtigheid bijwoonde voor de slachtoffers van de beschietingen van vijf jaar eerder. Bleek dat daar de Oekraïense mortieren zomaar waren ingeslagen op een speeltuin. Ik zal nooit de vraag van mijn dochtertje vergeten, vertelde een moeder: ‘Mama, waarom schieten ze op ons?’

Toen dan ook nog een oude man met tranen in de ogen in herinnering bracht hoe zijn zoon na weer een beschieting had gezegd ‘Vader, ik moet gaan’, en daarna nooit meer was teruggekomen, kreeg ik het gevoel dat ze gelijk hadden, de gepensioneerden die ik anderhalve week eerder bij mijn aankomst in Donetsk in de Poesjkin-boulevard op een bank had zien zitten – een drankje op een van de terrasjes konden ze niet betalen: op je vrienden kan je maar één keer schieten.

Het had even geduurd voor de betekenis van hun woorden tot mij was doorgedrongen, maar na mijn bezoek aan Pjervomajsk kon er geen twijfel meer mogelijk zijn: met Oekraïne zou het nooit meer goed komen. Zelfs Hitler beschoot zijn eigen steden niet.

© Jan Hunin

Herdenkingsplechtigheid voor de slachtoffers van de inzittenden van vlucht MH17

Een verrassing hoefde die scheiding niet te zijn: tenslotte was het Donetsbekken in Oekraïne altijd een beetje een vreemde eend in de bijt geweest; zowel historisch als cultureel verschilde het van de rest van het land. Zelfs zonder de bemoeienissen van Moskou zouden zijn bewoners in de lente van 2014 wellicht voor onafhankelijkheid gekozen hebben. Van Euromajdan, de westersgezinde opstand tegen president Janoekovitsj, hadden ze nu eenmaal niet veel goeds te verwachten in een gebied dat niet zonder reden het grondgebied van de homo sovieticus wordt genoemd. Bovendien waren voor de plaatselijke industrie de banden met Moskou van levensbelang.

De geschiedenis had toch geleerd dat je van revoluties niet veel goeds kon verwachten en Euromajdan was geen uitzondering.

Maar zo Russisch waren de bewoners nu ook weer niet dat ze absoluut bij Rusland wilden horen, zoals de plaatselijke propaganda wilde laten geloven. Het gebied was zo’n smeltkroes van nationaliteiten dat je zonder veel overdrijving kon zeggen dat er in de Donbass geen Russen woonden, alleen mensen die Russisch spraken.

En toen bedacht ik dat ze de voorbije eeuw in het Donetsbekken al zoveel onrecht hadden meegemaakt: konden ze deze wreedheden er dan niet bijnemen?

Voor de soldaat en de mijnwerker die ik heen en weer naar Pjervomajsk ontmoet had, leek het land waartoe ze behoorden wel de laatste van hun zorgen te zijn. En was dat eigenlijk niet met iedereen hier zo? Wie kon het eigenlijk wat schelen wie er aan de macht was?

De imker die ik een week later zou ontmoeten in Troedovskaja, een aan het front gelegen uithoek van Donetsk die zonder overdrijving het einde van de wereld kan genoemd worden, in elk geval weinig.

*

Mijn verblijf in het Donetsbekken naderde met rasse schreden, ik maakte me al op om te vertrekken, toen ik werd opgebeld door Dima, de Oekraïner – of moet ik zeggen Rus, het ligt soms ingewikkeld in een smeltkroes – met wie ik de voorbije weken was opgetrokken. Een kennis had iemand gevonden die mij wel voor een paar dagen in huis wilde nemen, in ruil voor 500 roebel (omgerekend 8 euro) plus eten én drinken, want hij vreesde dat er ook gedronken zou moeten worden.

Het enige probleem was dat mijn gastheer in Troedovskaja woonde, een wijk die sinds het begin van de oorlog van drie kanten omsingeld was door Oekraïense troepen, en dat zouden ze daar geweten hebben. Vooral in het begin van de oorlog werd ze onophoudelijk bestookt, en dat hoewel er zich niet eens rebellen bevonden.

Tegenwoordig was het er wat minder met de beschietingen, maar de kennis van Dima had toch voor alle zekerheid gevraagd of ik ballen had, en die had ik, daar kon volgens Dima geen twijfel over bestaan, en zo maakte ik me op om drie dagen na mijn terugkeer uit Loegansk in het station van Donetsk de bus te nemen naar Troedovskaja.

Misschien niet helemaal wat je wilde, concludeerde mijn vriend, maar ik weet dat je van problemen houdt.

*

Tja, problemen had ik de voorbije weken inderdaad al genoeg gehad, meer dan me lief was. Sinds ik bij mijn aankomst in de Volksrepubliek Donetsk een rood aangelopen grenswachter ‘Hé, wat is dit, pers?’ had horen roepen, was zowat alles wat verkeerd had kunnen lopen, verkeerd gelopen.

Op eentje meer of minder zou het dan ook niet aankomen, zeker omdat het tijd werd de verlokkingen van de Poesjkin-boulevard te ontvluchten. Hoeveel terrasjes kan je bezoeken, die pelmeni en vareniki, respectievelijk Russische en Oekraïense dumplings, mogen dan nog zo heerlijk zijn?

*

© Jan Hunin

Rookpluimen stijgen op boven een brandend veld in de verte

De bus naar Troedovskaja bleek propvol te zitten en toen ik dan ook nog helemaal achteraan opstapte, vroeg ik me af hoe ik voor mijn ticket (28 roebel, 40 eurocent) zou betalen. Maar dat bleek geen enkel probleem. Het volstond de persoon naast mij een bankbriefje van 500 roebel in handen te stoppen, die het dan weer doorgaf aan de persoon naast hem, enzovoort. En nadat ik mij er al mee verzoend had dat mijn geld in een zwart gat was verdwenen, kwam het restant (472 roebel) langs dezelfde weg terug.

Er zijn landen waar je dat niet moet proberen.

*

Op het eindstation werd ik opgewacht door Gennadij, een vijftiger met Losing My Religion van R.E.M. als beltoon die er uitzag zoals je dat van een oud-mijnwerker mag verwachten: met handen als kolenschoppen. Na een paar jaar in Siberië bij de spoorwegen gewerkt te hebben, had hij zijn legerdienst op een schip in de Zwarte Zee gedaan, om daarna naar Troedovskaja terug te keren, waar hij in de diepste mijn van Europa was beland, evenveel meter onder de grond als het jaartal van de Franse Revolutie.

Tot de oorlog de mijn deed sluiten en hij gedwongen werd van zijn hobby (bijeenteelt) zijn beroep te maken.

De zuidkant van zijn huisje had veel weg van een Emmentaler, het ene gat al groter dan het andere.

Een geluk bij een ongeluk overigens, want als er iemand van de oorlog profiteerde, dan wel de apil mellifera, de honingbij dus. Door de vijandelijkheden had er niemand nog zin de omliggende velden te bewerken, laat staan te bespuiten, met als gevolg dat de honing nog nooit zo goed was geweest. Elk nadeel heb zijn voordeel.

Nadat we de slagboom naar zijn grotendeels verlaten wijk gepasseerd waren, bleken in het tuintje van Gennadij tientallen bijenkasten te staan, alle netjes in blauw en geel geverfd, en die kleuren bleken niet zomaar gekozen, want hoewel hij zoals iedereen in Troedovskaja Russisch sprak, was hij ten slotte van Oekraïense afkomst. Aangetrokken door de beloftevolle toekomst waren zijn ouders jaren geleden, zoals zovelen, van het Oekraïense platteland naar het Donetsbekken verhuisd.

Niet dat het Gennadij veel had geholpen, die Oekraïense afkomst, want zijn huisje – waarin op de televisie Jaws speelt – zag er net zo toegetakeld uit als de andere huizen in de wijk. De zuidkant had veel weg van een Emmentaler, het ene gat al groter dan het andere; gelukkig was hij niet thuis toen het gebeurde, een omstandigheid die misschien toe te schrijven was aan de indrukwekkende reeks iconen boven de televisie.

Ik ben proMO*

Met MO* zorgen wij voor écht nieuws over echte mensen in heel de wereld. Wil je ook ons unieke journalistieke project mogelijk maken? Word dan proMO*. Als proMO* word je lid van onze community, krijg je ons magazine en kan je gratis aan onze events deelnemen. Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Geweldig! Ik word proMO*

Daarmee was Gennadij sowieso beter af dan zijn jeugdvriend Viktor, die net als hij bij de marine gediend had, zij het in het verre Vladivostok. Die was op een dag in zijn moestuin aan het werken toen hij werd getroffen door een verdwaalde kogel: hij drong zijn hoofd binnen boven zijn linkeroog waarna hij er aan de achterkant van zijn schedel weer uitkwam. Dat belet Viktor evenwel niet om ons bij een bezoek onmiddellijk binnen te roepen – een minuutje maar, alleen maar even proeven.

Van Pjervomajsk of Loegansk kon je nog zeggen dat er om gevochten werd, maar van Troedovskaja? Er werd niet eens een poging gedaan om het in te nemen.

Ik had natuurlijk beter moeten weten, maar dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan wanneer je in dit deel van Europa ergens thuis wordt uitgenodigd. En voor ik er goed en wel erg in had, zat ik aan een rijkelijk gedekte samen met Gennadij, Viktor en zijn vrouw Natasja (beltoon: Nightwish) – naar goede oude Sovjet-traditie te toosten op de vriendschap tussen de volkeren, in dit geval de Belgisch-Oekraïense, de Belgisch-Russische en waarom niet, de Russisch-Oekraïense, en daarna achtereenvolgens op het geluk en de liefde, zoals het hoort in die contreien.

Tja, waarom ze beschoten worden, wisten ze zelf ook niet; ze moesten het antwoord schuldig blijven. Hun wijk werd niet eens verdedigd.

Ik stak mijn verontwaardiging niet onder stoelen of banken: was dat geen zaak voor het Internationale Strafhof? Volgens artikel 7 van het in 1998 aangenomen Statuut van Rome is het bestoken van burgerdoelen die geen enkel militair nut hebben een misdaad tegen de menselijkheid. Als dat artikel niet van toepassing was op Troedovskaja, dan wist ik het ook niet meer. Van Pjervomajsk of Loegansk kon je nog zeggen dat er om gevochten werd, maar van Troedovskaja? Er werd niet eens een poging gedaan om het in te nemen.

Maar meer dan wat schouderopgehaal bereikte ik daar niet mee. Ze bleven op nuchtere toon over de oorlog spreken, alsof de dood bij het leven hoorde en misschien was dat ook wel zo.

Tja, misschien waren wij in het Westen, waar elk leven kostbaar is, wel verwend; zoiets konden ze zich hier, in een land van mijnwerkers, niet permitteren. Het noodlot kon er op elk moment toeslaan.

Alleen die opstand in Kiev, waarmee alles begonnen was, daar konden ze toch weinig goeds over vertellen. Jawel, die Janoekovitsj was een dief, maar leningen waren goedkoop en overal werd gebouwd. De geschiedenis had toch geleerd dat je van revoluties niet veel goeds kon verwachten en Euromajdan was geen uitzondering.

Met Kiev liepen ze dan ook niet bijzonder hoog op, ik moest hen begrijpen, ze waren gewone mensen, die elkaar hielpen, want zo hoorde dat tussen mijnwerkers. Wat dat betreft verschilden ze dus van westerlingen, bij wie het ieder voor zich was. Maar dat belette dan weer niet dat ze, na enige aanmoediging van mijn kant, toch eigenlijk ook Europeanen waren, wereldburgers zelfs, waarom niet, en ik vond dan ook dat het ogenblik gekomen was om Marx te citeren: ‘Proletariërs aller landen, verenigt u!’

Helaas kom ik door het intensieve tempo aan tafel niet veel verder dan ‘Marx’, waarna Viktor mij ter hulp schoot met het al even bekende ‘Van ieder naar zijn mogelijkheden, aan ieder naar zijn behoeften.’

Van ieder, mogelijkheden, behoeften…

Toegegeven, beter had hij het eigenlijk niet kunnen zeggen.

*

Uit mijn lijden werd ik pas verlost toen de zoon van Gennadij, Maxim, met een brede glimlach de kamer kwam binnenstormen. ‘Welcome to hell’ riep hij, waarbij niet meteen duidelijk was of hij de oorlog of de alcohol bedoelde.

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws
Hoe dan ook slaagde ik er onder zijn deskundige leiding in mijn bedstede te bereiken, waar hij het niet kon nalaten een foto van mij in ontoerekeningsvatbare toestand te maken, die achteraf toch van pas bleek te komen, met name toen ik de volgende dag op Instagram de commentaar postte dat de nacht van 2 op 3 augustus me drie belangrijke lessen had opgeleverd:

1. Probeer geen Oekraïners/Russen te volgen.

2. Probeer nooit Oekraïners/Russen te volgen.

3. Probeer nooit of te nimmer Oekraïners/Russen te volgen.

Door scha en schande wordt men wijs.

Maar toen moest de grootste les nog komen, met name toen we de volgende dag na een bezoek aan zijn broer langs de uitgestorven Petrovski-straat terug naar het huisje van Gennadij liepen. Ergens in de verte moesten de Oekraïners gelegerd zijn, maar daar leek het poesje dat parmantig in het midden van de straat zat zich niets van aan te trekken. Het leven ging voort.

Eigenlijk verschillen wij niet van dieren, flapte ik er uit, nadat ik een paar foto’s gemaakt had.

Ik dacht dat ik iets verstandigs had gezegd.

Maar Gennadij stak me onmiddellijk de loef af.

Nee, dat klopt niet, antwoordde hij. ‘Mensen zijn slechter.’

Niemandsland. Een reis naar de oorlog in Oekraïne van Jan Hunin, is uitgegeven door Pelckmans, 217 blz. ISBN 978 94 6310 564 4.

Jan Hunin (1968) is een Belgische historicus en reporter, die al bijna een kwarteeuw in Polen woont. Hij werkte als correspondent voor De Standaard, Het Parool en de Volkskrant. In 2014 versloeg hij de oorlog in Oekraïne en een jaar later de vluchtelingencrisis.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2916   proMO*’s steunen ons vandaag al. We hopen 2021 te kunnen starten met 3000 proMO*‘s, word jij er één van?

Word proMO* of Doe een gift