Data als nieuwe meest kostbare hulpbron

De wereldwijde digitale kloof doet denken aan kolonialisme

© Panos Pictures / Sven Torfinn

Dhwani Goel: ‘Als je ziet welke winsten techgiganten halen uit ontwikkelingsmarkten, investeren ze heel weinig in het verbeteren van de lokale digitale infrastructuur.’

Kolonialisme in digitale tijden vergt geen legers, wapens of schepen. Zijn wél meer dan voldoende: een technologiegigant die de digitale markten van het Globale Zuiden verovert, een regering die wil aandringen op de wereldwijde liberalisering van e-commerce en een internationale organisatie die bij het opstellen van regels prioriteit geeft aan bedrijfsbelangen.

In 2017 beweerde het Britse magazine The Economist dat ‘de meest waardevolle hulpbron ter wereld niet langer olie is, maar data’. Telkens wanneer je op het internet surft om door sociale media te scrollen of producten te bestellen worden er gegevens gegenereerd, die uniek zijn voor jou als consument. Het gaat onder meer om persoonlijke gegevens (je wachtwoord, je naam, je adres, kredietkaartgegevens), je IP-adres, je surfgedrag en je uitgavenpatronen.

Als we gegevens zien als de nieuwe olie, dan zijn de ontwikkelingslanden en de minst ontwikkelde landen de nieuwe oliebronnen.

E-commerceplatformen gebruiken deze gegevens om inzicht te krijgen in het consumentengedrag. Zo willen ze een gepersonaliseerde winkelervaring aanbieden, waardoor de verkoop uiteindelijk stijgt. Op deze manier ontstaat een cyclus waarin zogenaamde big data worden gebruikt om de verkoop te stimuleren en waarbij een verhoogde verkoop weer extra gegevens genereert.

Gegevens zijn ook waardevol in sectoren zoals de politiek, waar ze worden gebruikt om het gedrag van kiezers te begrijpen en te beïnvloeden. Kijk maar naar het Cambridge Analytica-schandaal van enkele jaren geleden.

Als we gegevens zien als de nieuwe olie, dan zijn de ontwikkelingslanden en de minst ontwikkelde landen de nieuwe oliebronnen. Deze landen zien een snelle groei in de digitale sector als gevolg van de toenemende toegang tot technologie onder grote groepen van de bevolking. Zo zal het aantal toestellen met een internetverbinding in Indonesië bijvoorbeeld naar verwachting verdrievoudigen op slechts vijf jaar tijd.

Maar ondanks de grote omvang van de markt en ondanks het groeipotentieel verdwijnt de welvaart die de digitale revolutie genereert meteen ook weer uit het Globale Zuiden.

De wereldwijde digitale kloof

Er is een duidelijke kloof tussen enerzijds de landen die enorme hoeveelheden digitale gegevens produceren en anderzijds de landen die deze gegevens naar hun eigen voordeel gebruiken. In tegenstelling tot de traditionele Noord-Zuidkloof in de economische wereldorde wordt de digitale scheiding aangevoerd door techbedrijven uit de Verenigde Staten en China. Microsoft, Apple, Amazon, Google, Facebook, Tencent en Alibaba zijn samen goed voor twee derde van de totale marktwaarde van de wereldwijde digitale economie.

Google en Facebook drijven lokale reclamebureaus uit de markt in Zuid-Afrika, en Netflix bedreigt de televisiediensten in heel Afrika.

Deze techgiganten hebben hun diensten uitgebreid naar het Globale Zuiden, en profiteren van de enorme hoeveelheden gegevens die daar worden geproduceerd. De ontwikkelingslanden beschikken niet over de infrastructuur om de door hen geproduceerde gegevens volledig te benutten.

MO*talks: Wie zijn de verliezers van de digitalisering?

Na de komst van corona twijfelt niemand nog aan de doortastendheid van de digitale revolutie. Het internet is niet langer optioneel.
De winnaars van de digitale revolutie kennen we, maar wie zijn de verliezers? We praten hierover met experts uit binnen- en buitenland.

Dinsdag 17 mei, 19.30 uur,
deBuren, Leopoldstraat 6, Brussel.
Schrijf je in via info@mo.be

Lees meer

Deze superplatformen hebben hun technologische bekwaamheid gebruikt om de winsten op de ontwikkelingsmarkten te verveelvoudigen en hun marktdominantie te versterken. Als gevolg daarvan zijn de winsten van lokale bedrijven gedaald en dreigen sommige bedrijven zelfs te verdwijnen.

Google en Facebook drijven bijvoorbeeld lokale reclamebureaus uit de markt in Zuid-Afrika, en Netflix bedreigt de televisiediensten in heel Afrika. Lokale micro-, kleine en middelgrote ondernemingen (mkb’s en kmo’s) hebben het bijzonder moeilijk om te concurreren met e-commercegiganten zoals Amazon.

In tegenstelling tot de algemeen heersende overtuiging dat grote buitenlandse spelers zouden bijdragen tot economische groei en innovatie, investeren techgiganten in feite heel weinig in het verbeteren van de lokale digitale infrastructuur als je ziet welke winsten zij uit ontwikkelingsmarkten halen. De grootste consumentenmarkt van Facebook is India, maar geen enkel van de 15 datacenters van het bedrijf bevindt zich in dat land of in een ander ontwikkelingsland.

Een koloniaal déjà vu?

In het koloniale tijdperk vergaarde Europa grote hoeveelheden rijkdom ten koste van zijn koloniën door een economisch systeem van ongelijke uitwisseling op te zetten. Er werd aangevoerd dat landen zich moesten specialiseren in producten die zij op de meest efficiënte manier konden produceren. De koloniën moesten zich dus toeleggen op de landbouw, terwijl de kolonisatoren zich met de productie bezighielden.

Maar producten die leiden tot economische ontwikkeling op lange termijn zijn producten met veel ruimte voor innovatie, toenemende schaalopbrengsten, koppelingen met andere sectoren en onvolmaakte concurrentie. Industrieproducten voldoen dan wel aan al deze voorwaarden, maar landbouwproducten bieden géén ruimte voor kapitaalopbouw of innovatie.

Door de productie van goederen die niet bevorderlijk zijn voor de economische groei uit te besteden, heeft Europa de gekoloniseerde wereld in een armoedespiraal doen belanden. Hierop zagen de gekoloniseerde landen hun rijkdom en economische groei aanzienlijk dalen en de armoede toenemen, en er kwamen processen van de-industrialisatie op gang.

De snelle opkomst van de Britse textielindustrie ging bijvoorbeeld gepaard met de neergang van de textielindustrie in India, dat gedwongen werd zijn toevlucht te nemen tot katoenproductie.

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws
Tegen het midden van de 19de eeuw zag de wereld een periferie ontstaan die primaire grondstoffen en basisproducten leverde, en een kern die deze grondstoffen verwerkte tot afgewerkte producten. Die laatste werden dan in de kern geconsumeerd en naar de periferie teruggezonden.

In het digitale tijdperk is het Globale Zuiden onderworpen aan regels van organisaties zoals de WTO, gestuurd door bedrijfsbelangen.

Het ontstaan van deze tweeledige structuur kwam bekend te staan als De Grote Divergentie en bestaat nog steeds in de dichotomieën Globale Noorden-Globale Zuiden en kern-periferie.

Verschillende auteurs gaven de wereldwijde digitale kloof de stempel van ‘digitaal kolonialisme’. In het koloniale tijdperk was de periferie slechts een bron van grondstoffen en natuurlijke hulpbronnen, terwijl de productie en de winstgevende activiteiten in de kern plaatsvonden. In het digitale tijdperk is het Globale Zuiden niet meer dan een leverancier van gegevens, terwijl de voordelen van de verwerking van deze gegevens geconcentreerd zijn in Silicon Valley.

In het koloniale tijdperk industrialiseerde Europa ten koste van de de-industrialisatie in de periferie. In het digitale tijdperk oligopoliseren superplatformen de digitale wereld door binnenlandse e-commerceplatformen buiten spel te zetten. In het koloniale tijdperk was de periferie onderworpen aan extern bestuur, terwijl in het digitale tijdperk het Globale Zuiden onderworpen is aan regels van organisaties zoals de Wereldhandelsorganisatie (WTO), gestuurd door bedrijfsbelangen.

© Reuters / Samuel Rajkumar

India’s digitale sector is een van de snelst groeiende ter wereld. Maar toch is het toonaangevende Indiase e-commercebedrijf Flipkart, in handen van de Amerikaanse supermarktketen Walmart.

 

De digitale handelsagenda

Voor de WTO, het internationale orgaan dat de handelsregels bepaalt, is de grensoverschrijdende stroom van gegevens betreffende e-commercetransacties van groot belang. In 2019 hebben ongeveer 77 WTO-leden het Joint Statement Initiative voor e-commerce gelanceerd. Hierin bevestigen zij hun intentie om te onderhandelen over een juridisch bindend kader van regels voor de handelsgerelateerde aspecten van e-commerce.

Het Joint Statement Initiative is plurilateraal van aard, wat wil zeggen dat het tot stand komt na onderhandelingen door een subgroep van gelijkgezinde landen. Zo kunnen de besprekingen verdergezet worden zonder dat het besluitvormingsproces van de organisatie bij consensus hoeft te verlopen. Die aanpak zorgt ervoor dat de deelnemende regeringen hun standpunten over specifieke kwesties op elkaar afstemmen, zodat die in een later stadium multilateraal kunnen worden gemaakt.

Het Joint Statement Initiative voor e-commerce omvat verschillende kwesties met betrekking tot consumentengegevens. De meest controversiële daarvan zijn datalokalisatie en de privacy van de consument. Zodra gegevens zijn gegenereerd, verlaten zij vaak het land van oorsprong en worden zij opgeslagen in datacentra in het buitenland. Dit stimuleert techbedrijven niet om te investeren en lokale datacenters te bouwen, wat voor ontwikkelingslanden een uitstekende bron van kennisoverdracht en werkgelegenheid kan zijn.

Het oligopolie van de techgiganten wordt versterkt doordat de wereldwijde regels voor de digitale handel worden aangepast aan hun noden.

Belangrijker is wel dat dit ook veiligheidsproblemen oplevert aangezien de privacy van consumenten in het gedrang kan komen wanneer de gegevens worden misbruikt door derden of buitenlandse overheden.

Een andere omstreden kwestie is het moratorium op douanerechten op e-transmissies, dat in mei 1998 werd overeengekomen. Wanneer goederen fysiek over de grenzen worden verhandeld, verwerven regeringen inkomsten door belastingen te heffen. In de digitale wereld is er echter sprake van onlinehandel in boeken, films, videospelletjes, software en muziek, waarbij de aankoop dankzij het moratorium niet wordt belast.

Verschillende ontwikkelde landen (waaronder de VS) hebben opgeroepen om dit permanent te maken. In maart 2020 hebben India en Zuid-Afrika een gezamenlijke verklaring ingediend waarin zij wijzen op het verlies van tariefinkomsten voor ontwikkelingslanden. Ze benadrukten ook dat het moratorium hun autonomie vermindert bij het beheer van economische doelstellingen zoals de bescherming van jonge industrieën, digitale industrialisering en het handelsconcurrentievermogen.

Het gebrek aan regelgeving stimuleert techgiganten niet om in ontwikkelingsmarkten te investeren of te innoveren.

Terwijl men in de VS pleit voor een marktgestuurde aanpak met vrij verkeer van gegevens, het verderzetten van het moratorium en onbeperkte datalokalisatie, wil het Europese blok een evenwicht vinden tussen markten, bescherming van de persoonlijke levenssfeer als fundamenteel mensenrecht en veiligheidsoverwegingen.

Algemeen gesproken roept de digitale handelsagenda van de WTO op tot liberalisering van e-commerce. Dit betekent dat bedrijven vrij moeten zijn om persoonsgegevens van consumenten te verzamelen, deze over te brengen naar datacentra in het buitenland en ze te gebruiken voor hun zakelijke behoeften. Regeringen moeten belemmeringen voor de digitale handel wegnemen, zoals eisen betreffende lokalisatie van gegevens, douanerechten op digitale producten, openbaarmaking van broncodes, enz.

Het onderliggende argument is dat een onbeperkt e-commercesysteem alle landen ten goede zal komen doordat het innovatie aanmoedigt, de weg naar digitalisering versterkt en ervoor zorgt dat ook kleine en middelgrote ondernemingen kunnen deelnemen aan de wereldmarkt.

De liberalisering van e-commerce zou de dominante reuzen in de elektronische handel echter sterk bevoordelen. Onbelemmerde toegang tot gegevens creëert een cyclus waarin meer gegevens helpen om betere en meer gerichte diensten te ontwikkelen die meer gebruikers aantrekken, wat dan weer meer gegevens genereert.

Vrije grensoverschrijdende gegevensstromen helpen zo het oligopolie van superplatformen in stand te houden. Tegelijkertijd verhinderen ze de groei van kleine en middelgrote ondernemingen in ontwikkelingslanden. Bovendien stimuleert het gebrek aan regelgeving techgiganten niet om in ontwikkelingsmarkten te investeren of te innoveren.

Net zoals in het koloniale tijdperk exploiteert het digitale kolonialisme van de WTO de hulpbronnen van het Globale Zuiden met minimale wederkerige voordelen. Het ontneemt ontwikkelingslanden en de minst ontwikkelde landen de mogelijkheid om een gelijk speelveld in de digitale sector tot stand te brengen en soevereiniteit uit te oefenen over het gebruik van hun gegevens.

Het oligopolie van de techgiganten wordt versterkt doordat de wereldwijde regels voor de digitale handel worden aangepast aan de zakelijke behoeften van deze giganten. Kortom, het versterkt en voedt de ongelijkheid in de wereld.

Een inclusieve digitale regeling

Een aantal landen heeft zich tegen de WTO-onderhandelingen verzet, en weigerde om binnenlandse belemmeringen voor de digitale handel weg te nemen. Deze groep bestaat uit verschillende van de minst ontwikkelde landen en ontwikkelingslanden, en wordt geleid door India.

Hun onderliggende zorg is dat de liberalisering niet alle leden in staat zal stellen in gelijke mate voordeel te halen uit een wereldwijde regeling voor e-commerce. Zij eisen dat een overeenkomst rekening houdt met ontwikkelingsbehoeften, de institutionele capaciteit versterkt en voldoende beleidsruimte biedt voor binnenlandse doelstellingen zoals de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de opkomende industrie.

De wereldwijde digitale kloof moet met andere woorden worden gedicht alvorens men e-commerce gaat liberaliseren. India uitte ook zijn bezorgdheid over het plurilaterale karakter van het Joint Statement Initiative op het vlak van e-commerce. Volgens India moet een alomvattende overeenkomst worden ingebed in het multilaterale WTO-kader en moet er niet worden onderhandeld door een subgroep van landen.

Nu de Europese Unie (EU) een tegengewicht wil bieden tegen de strategische dominantie van de VS en China in de wereldeconomie, ontpopt India zich als een belangrijke partner.

India zou wel eens een sleutelrol kunnen spelen bij het vinden van een overeenkomst die de belangen van grote spelers als de VS in evenwicht brengt met de behoeften van de ontwikkelingslanden. India’s digitale sector is een van de snelst groeiende ter wereld.

In een rapport wordt geschat dat de belangrijkste digitale sectoren er tegen 2025 hun bbp zouden kunnen verdubbelen, dat de nieuwe digitaliseringssectoren elk 150 miljard dollar zouden kunnen genereren en dat de digitale economie 65 miljoen banen zou kunnen creëren.

Gezien de omvang van de Indiase e-commercemarkt is het eenvoudigweg onmogelijk de Indiase vraag naar een alomvattende overeenkomst die op ontwikkelingsbehoeften is gericht te negeren. Nu de Europese Unie (EU) een tegengewicht wil bieden tegen de strategische dominantie van de VS en China in de wereldeconomie, ontpopt India zich als een belangrijke partner.India nam een rigide protectionistisch standpunt in om zijn bedrijven in staat te stellen een concurrentievoordeel te verwerven in de wereldwijde digitale economie. Het eist dat buitenlandse technologiebedrijven de persoonlijke gegevens van burgers lokaal opslaan en broncode vrijgeven voor technologieoverdracht. Verder wil het land het WTO-moratorium op douanerechten op elektronische transmissies opschorten.

In mei 2021 werd aangekondigd dat de onderhandelingen over een vrijhandelsakkoord tussen de EU en India opnieuw zouden worden opgestart. Die overeenkomst zou een goed uitgangspunt kunnen zijn voor Brussel en New Delhi om hun partnerschap op het gebied van e-commerce uit te bouwen.

Nu India zich wil doen gelden als economische leider en als alternatief digitaal knooppunt tegenover China, zou de EU de vrijhandelsovereenkomst (Free Trade Agreement of FTA) strategisch kunnen aangrijpen om het standpunt van India betreffende e-commerce te verzachten. De twee partijen zouden een compromis kunnen sluiten waarin de belangen van het bedrijfsleven en de ontwikkelingsbehoeften met elkaar in evenwicht worden gebracht. Dit compromis zou later kunnen worden vertaald in een plurilaterale of multilaterale overeenkomst in de WTO.

De oproep voor een inclusief stelsel voor e-commerce is een uiting van het verzet van het Zuiden tegen de traditionele voorrang die de WTO geeft aan de belangen van de leidende economieën. Hieruit blijkt dat het Globale Zuiden zijn economische soevereiniteit wil beschermen en zelf wil bepalen hoe de gegevens worden gebruikt. De sterke tegenwerking van landen in het Zuiden is niet louter een protectionistisch standpunt ten opzichte van digitale handel, het is bovendien een vergelding voor neokolonialisme en uitbuiting door bedrijven.

vertaald door Sandra Jansen

Over dit artikel

Auteur Dhwani Goel: ‘Ik behaalde mijn diploma van het secundair onderwijs in Indonesië, volgde een bachelor aan de universiteit van Leiden (Nederland) en studeerde onlangs af aan de masteropleiding International Relations van de London School of Economics (LSE). Londen is ook waar ik momenteel werk.

© Dwani Goel

Dwani Goel

Tijdens mijn specialisatie Internationale Politieke Economie vond ik dat er heel weinig aandacht werd besteed aan de kritische benaderingen van mondiale ongelijkheden en machtsstructuren. Ondanks het feit dat die ernstige effecten hebben op het leven van mensen in ontwikkelingslanden, waaronder het mijne.

Een van mijn cursussen omvatte een zes weken durende simulatie van de onderhandelingen binnen de Wereldhandelsorganisatie (WTO) over e-commerce. Over deze ervaring schreef ik een blog en bovenstaand essay, over de neokoloniale aspecten van de digitale kloof vanuit het perspectief van ontwikkelingslanden.

Ik hoop dat dit stuk u zal aanmoedigen om een kritische houding aan te nemen tegenover de structuur en werking van de wereldeconomie. En u kan helpen nadenken over de historische factoren die de moderne internationale handel, het bedrijfsleven en de economische besluitvorming nog steeds vormgeven.’

 

Dit essay werd geschreven voor het lentenummer van MO*magazine. Voor slechts 32 euro kan je hier een jaarabonnement nemen! Je kan ook proMO* worden voor slechts 4 euro per maand. Je krijgt dan ook ons magazine toegestuurd en je steunt daarmee ons journalistiek project. Opgelet: Knack-abonnees ontvangen MO* automatisch bij hun pakket.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3181   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift