‘Banaliteit is het onopvallende landgoed waar je geluk woont’

Het belang van banaliteit

CC Needpix

We delen allen het diepmenselijke verlangen naar een banaal leven, schrijft Geert van Istendael. Niet de schitterende toekomst die gedreven door innovatie en economische logica voor je uitholt, maar de zekerheid van een warme oude dag. Voorpublicatie uit Onvoltooid Verleden Tijd, samengesteld door Ivo Janssens.

Je moest een titel opgeven voor je stuk, liefst gauw. Het is tegenwoordig altijd gauw. Je hebt lezingen die je een jaar van te voren in je agenda opschrijft. De burgerlijke anarchist in mij houdt daar niet van. Die cultiveert een soort kinderachtige onverantwoordelijkheid en noemt dat vrijheid. Maar goed dus, je pijnigt je hersens en je vindt de vereiste titel, zie hierboven. Moeilijk? Ach nee, het is iets waarop je al een jaar of tien loopt te prakkeseren. Misschien zelfs langer.

Nu ik aan mijn schrijftafel ga zitten, een zonnige dag, eind maart 2020, flakkert de brandende actualiteit van die rare titel hoger op dan ik nog maar een maand geleden had kunnen bevroeden. Het banaalste van het banale wordt ons verboden, volkomen terecht overigens. Een pint in café Onder de Toren. Een kusje van oma. ’s Ochtends op tijd naar school. Je naar het werk slepen in Brussel of elders. Weg. Weg. Weg. Hoe langer deze drastische quarantaine zal duren, hoe vuriger mensen zullen verlangen naar banaliteit. Vurig en banaliteit binnen één zin, plots kan dat.

Uit de banaliteit gerukt

Je aanvaardt de opdracht om dit hier te schrijven, je begint op allerlei rondslingerende papiertjes en witte marges van kranten halve zinnen neer te krabbelen, woorden, soms onderstreept, soms met drie uitroeptekens. Brokstukken van onaffe, ja, onaffe wat? Invallen, flitsen, bedenksels. Woorden als gedachte of idee zijn te duur.

Je herinnert je dat je in Die Zeit Magazin (n° 5, 23 januari 2020) een foto hebt gezien van twaalf kinderen. Nee, dertien, eentje wordt bijna helemaal verstopt door het achtste van links. De kinderen, meisjes en jongens, staan achter prikkeldraad. Ze dragen voddige gestreepte jasjes. Het zijn overlevenden van Auschwitz. Het is niet de eerste keer dat je de foto ziet, ze is de wereld rond gegaan, ze is iconisch.

De kinderen op de foto zijn al bevrijd door het Rode Leger. Ze hebben het weer warm, voor het eerst sinds maanden hebben ze fatsoenlijk kunnen eten. Ze zijn vijftien jaar, twaalf jaar, tien jaar. Dat moeten we terdege tot ons laten doordringen. Je bent een jaar tien, elf. Voetbal, poppen, schoolbank, dat is je wereld. Banaliteit van elke dag. Dan komen blaffende uniformen en rukken je weg uit je banaliteit, ze ranselen je naar het inferno.

Dit jaar hebben we herdacht dat Auschwitz vijfenzeventig jaar geleden werd bevrijd. Op 27 januari 1945. Door het Rode Leger. De redactie van Die Zeit Magazin heeft vijf kinderen van de foto opgespoord en gevonden. Ze zijn tussen 84 en 90 jaar oud. Ze wonen in Toronto, in een dorp bij Zürich, in Jeruzalem, Detroit, Los Angeles. De mevrouw uit Jeruzalem heeft na de Bevrijding enkele decennia in Australië gewoond.

Dergelijke levensverhalen zuigen bijna onweerstaanbaar je aandacht naar het barbaarse gat in de tijd. Een van de overlevenden moest als klein jodinnetje doen alsof ze katholiek was. Ze ging braaf ter kerke. Ze werd verklikt. Ze was tien. De enige man bij de overlevenden, de oudste, komt uit een joods gezin dat niet zo aan godsdienst deed. Zijn ouders hadden een elektrawinkel in een Hongaarse provinciestad. De Duitsers dreven hem de veewagen in toen hij veertien was.

De gruwelijke geschiedenis is ontelbare malen herhaald en wij en ook zij die na ons komen hebben de plicht die geschiedenis nog ontelbare malen te herhalen. Zonder geheugen blijven wij geen mensen.

Maar wat mij het sterkst verraste, dat waren de verhalen over hun leven na hun bevrijding. Niet zozeer hun eerste omzwervingen, veeleer de verhalen over hun leven daarna, nadat ze aangekomen waren in een ander land, zich vestigden, trouwden, kinderen kregen, een huis kochten, elke dag gingen werken. Het gewone leven. Banaliteit.

CC Needpix

Een goed leven samen

Gewone mensen waren zij niet.

Ik weiger te geloven dat er zoiets bestaat als een gewoon mens. Ieder mens is eigenaardig, bijzonder, geschift, heeft verborgen kanten, duistere, lichtende. Wantrouw de redenaar die plechtig verklaart dat hij zich schaart aan de kant van de gewone mensen.

Maar deze vijf waren wel uiterst ongewoon.

En toch ademden zij opgelucht in de dampkring van de banaliteit.

Het propere dorp zoals alleen een Zwitsers dorp proper kan zijn. Het appartement in een voorstad van Toronto. Of van Los Angeles. Het onopvallende huisje in een voorstad van Detroit. Het zonnige huis in Jeruzalem.

Ik weiger te geloven dat er zoiets bestaat als een gewoon mens.

Zij zeggen dingen als:

Mijn man en ik hadden een goed leven samen.

Ik heb een wondermooi leven gehad.

Een gezin stichten, dat heeft me geweldig geholpen.

Zij omhelsden de banaliteit. Zij prezen de banaliteit. Voor hen is de banaliteit een eiland der gelukzaligen.

Dompelen zij de herinnering aan het onnoemelijke lijden in het lauwe bad van de banaliteit om te vergeten, te vergeten, te vergeten?

Integendeel. Zij ontmoetten voortdurend andere overlevenden. Een paar van hen zijn getrouwd met een overlevende. Zij hebben grote inspanningen geleverd om de herinnering door te geven, hoe zwaar het hun ook valt mee te delen wat hen overkomen is. Hoe vertel je de hel aan kinderen die opgroeien in het paradijs?

Maar voor deze vijf was de banaliteit een zegen.

Geniaal, en smachtend naar banaal

Ik wil een ander voorbeeld geven, andere tijd, ander werelddeel. Ik haal het uit een roman van Claudio Magris, Non luogo a procedere (vertaald als: Het museum van oorlog, 2015), maar het personage waarover ik het hier heb, een vrouw, is allesbehalve fictief. Zij heette Luisa de Navarrete en leefde eind zestiende eeuw in de Cariben. Zij was een slavin uit Afrika, verscheept naar de Spaanse kolonies van Midden-Amerika. Een deel van haar levensverhaal berust bij het Archivo General de Indias in Sevilla.

Luisa de Navarrete trouwde met een blanke Spaanse planter, Luis Hernández, in de Cariben dus. De koloniale verordeningen stonden zulke huwelijken toe. Met hem had ze kinderen. Op een dag werd ze geschaakt door Caribische indianen. Ze bleef vijf jaar hun gevangene en moest dulden dat het opperhoofd haar besliep. Door toeval en list kon ze ontsnappen. Ze slaagde erin terug te keren naar het gebied gecontroleerd door de Spaanse koloniale macht. Haar lijdensweg was niet voorbij.

De Inquisitie beschuldigde haar van hekserij. Normaal gesproken betekende dat foltering. Niet voor Luisa de Navarrete. Zij slaagde erin keer op keer haar door de wol geverfde ondervragers te overbluffen. De indruk die zij maakte was zo verpletterend dat de inquisiteurs iets neerschreven wat ze eigenlijk niet konden of wilden neerschrijven. Deze mujer negra (zwarte vrouw) was een mujer de razón, een verstandige vrouw. Ze werd vrijgesproken.

We weten wat de enige wens was die Luisa de Navarrete koesterde na haar overwinning tegen de gevreesde Inquisitie. Ze wilde samen met haar kinderen en haar man een rustig, huiselijk leven leiden. De enige wens van deze geniale vrouw was banaliteit.

CC Needpix

Alledaags geluk

Banaliteit is van levensbelang. Laat ik het zo stellen. Banaliteit is het onopvallende landgoed waar je geluk woont. Het is zo onopvallend, dat je vergeet hoe essentieel het is, zodra je het betreedt. Mensen die gesidderd hebben op de bodem van de onderwereld, – het uitroeiingskamp, het ruim van een slavenschip – zij snakken naar het allergewoonste, naar het alledaagse, naar het banale. Pas als je het ergste aan den lijve hebt ondervonden, weet je het doodgewone te waarderen.

Mij is ter ore gekomen wat genoemd wordt de Chinese vervloeking. Chinezen zouden hun ergste vijanden toewensen: moge je in interessante tijden leven. Vermoedelijk is de vermaledijding apocrief, maar daarom is ze niet minder juist. De Fransen zeggen, peuple heureux n’a pas d’histoire, gelukkige mensen hebben geen geschiedenis. Of zoals Hegel het schreef, de gelukkige bladzijden in de wereldgeschiedenis zijn leeg.

Juist nu ik dit schrijf, eind maart 2020, waart wereldgeschiedenis door onze straten, door onze woningen. Aangenaam is anders. Beweren dat dit het ergste is, zou kleinzerig zijn. Zo belangrijk zijn we nu ook weer niet. Ik haat zelfmedelijden. Maar wereldgeschiedenis is het wel. We leven in interessante tijden. Onmiskenbaar. Hoe langer ze duren, hoe interessanter ze worden, hoe meer mensen weemoedig terug zullen denken aan het onnozelste. Een schouderklopje, vloeken op het werk, een echte les wiskunde, terrasje, speeltuin. Banaliteit.

Ook in normale tijden vind ik dat je het je medeburgers niet kwalijk mag nemen dat ze een banaal leven willen leiden. Dat ze het niet zo graag zien als hun banale rust wordt verstoord. De kinderen die levend uit Auschwitz zijn gekomen, zouden maar al te graag hebben gewild dat de Duitsers hun rust níét hadden verstoord. Luisa de Navarrete zou het maar al te zeer op prijs hebben gesteld als het Caribische opperhoofd netjes thuis was gebleven en zij in de keuken kon blijven zitten naast haar man, een kleine op schoot.

Misschien is het de belangrijkste taak van onze verkozenen om de banaliteit voor zoveel mogelijk burgers te garanderen. Ik denk dat zij daar niet langer in slagen. Het verbaast me niet.

De boze heks TINA

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws
Al een jaar of veertig zijn onze verkozenen ermee bezig, nee, dit moet ik krachtiger zeggen, zijn onze verkozenen ervan doordrongen dat zij mee moeten marcheren vooraan in de gelederen die niets onverlet laten om de banaliteit aan flarden te schieten. Tot voor heel kort waren zij er heilig van overtuigd dat het niet anders kon. Dat er geen alternatief is. Tussen haakjes, dit is de meest antidemocratische zin die ik ken. Er is geen alternatief. Democratie bestaat bij gratie van botsende alternatieven. In dictaturen zijn alternatieven verboden. De dictator heeft altijd gelijk.

Het is geen toeval dat de loze kreet there’s no alternative voor het eerst opklonk uit de mond van de geharnaste politica op de eilanden, die het als haar levensideaal zag de gezapige banaliteit van de aan haar toevertrouwde landgenoten te verpulveren. Zij was in goede en kwade dagen de dienares van kolossale financiële en economische belangengroepen voor wie de banale levenswijze van die landgenoten niet meer was dan afval. En afval hoort thuis op de vuilnisbelt.

Maar de geharnaste trok niet alleen ten strijde. Scharen verkozenen in alle ’s Heren gewesten holden haar achterna en bleven door hollen als Spaanse stieren tijdens een corrida, ook toen de geharnaste al lang en breed terug was getreden in de schaduw. Die verkozenen waren er heilig van overtuigd, en velen zijn het nog steeds, dat het hun dure plicht is, hun roeping, hun levenslicht, de hopeloos banalen onbarmhartig op te jagen, vooruit, de stralende toekomst tegemoet, die globaal is en kosmopolitisch en grenzeloos en ultramobiel en planetair geprivatiseerd. Het ruïneren van de banaliteit van miljoenen is daarbij verwaarloosbaar. Nevenschade.

Een stem hebben en uitbrengen

De banalen hebben niet veel in de melk te brokkelen. Hebben ze nooit gehad, tenzij op een paar scharnierpunten in de geschiedenis. Bijvoorbeeld toen zij het algemeen stemrecht afdwongen. De achturendag. De sociale zekerheid.

Even terzijde, neem nu de sociale zekerheid, dat kroonjuweel van de westerse beschaving. De sociale zekerheid staat borg voor een hoge mate van banaliteit. Zij verzekert tegen drie vormen van allesbehalve banale armoe die, toen zij nog niet bestond, het onontkoombare begeleidingsverschijnsel waren van ziekte, werkloosheid, oude dag.

Nee, op een paar historische uitzonderingen na geldt, de banalen hebben niet veel in de melk te brokkelen.

Maar stel je voor, nu hebben de banalen een middel ontdekt om tóch aan hun trekken te komen. Dat middel hebben ze gevonden in de slordige, wanstaltige, goeie, ouwe democratie.

In het stemhokje zijn de multimiljonair en de banaalste burger gelijk. De kleinburger heeft één stem. De multimiljonair heeft één stem. Zo hoort het, nietwaar?

Banalen stemmen voor de politici die beloven hun banaliteit te vrijwaren. Neem het hun eens kwalijk. Multimiljonairs sturen hun lobbyisten op pad om hun eigenbelang te verdedigen.

Populist!

De politici die beloven de banaliteit te vrijwaren krijgen een groot etiket opgeplakt. Populist staat daarop geschreven. Je hoeft niet eens te schrijven, verfoeilijke populist, want dat spreekt vanzelf. Populisten staan met hun rug naar de toekomst. Zij hebben de eenentwintigste eeuw niet begrepen. Zij verlakken het volk dat voor hen stemt. Tot zover het bekende geluid.

Ik zeg: populisten verdedigen de banaliteit. De bedreigde banaliteit. Zij hebben begrepen dat de burgers die hen kiezen, smachten naar onbedreigde banaliteit. Anders dan hun tegenstanders erkennen zij het belang van banaliteit, al was het maar voor hun eigen carrière. Het valt niet uit te sluiten dat zij heimelijk de banaliteit verachten van de burgers die zij beweren te verdedigen. Je ziet zoiets vaker. Ik weet het niet en eigenlijk geloof ik het ook niet, maar een mens kan zich vergissen. Populisten willen, ten minste, dat verkondigen zij, een banaliteit in stand houden met zo weinig mogelijk sores. Zij beseffen, bij te veel ellende komen de banalen in opstand.

De tegenstanders van de populisten zeggen dat hun voorstellen onrealistisch zijn. Onbetaalbaar. Volksbedrog dus.

Ik vind die kritiek volslagen ongeloofwaardig. Afgelopen veertig jaar zijn de woorden realisme en realiteit en ook rationaliteit kromgetrokken door leugens. Om te beginnen, realisme werd steevast beperkt tot een knieval voor wat heette economische realiteit, die op de koop toe de enig rationele zou zijn. De profeten die deze uitgehongerde versie van realiteit predikten, waren stekeblind. Zo vervreemd waren zij van de werkelijkheid dat zij twaalf jaar geleden niet eens de mondiale financiële crisis konden zien – of wilden zien – toen die op ons afstormde.

Wel hebben zij met ijskoude ijver miljoenen mensen uit hun banaliteit gerukt en stootten zij hen een dystopisch bestaan in. Denk aan de Grieken die uit de vuilnisbakken aten. Zij waren het ook die het dogma van de reddende besparing in ons aller schedel probeerden te heien. Nu, onder het schrikbewind van Keizerin Corona, weten we dat dit dogma het tegendeel van realistisch is. Het is destructief. Volksbedrog dus. Gezondheidswerkers hebben daar al jaren voor gewaarschuwd. Hun bezwaren vonden geen gehoor. Wie wil luisteren naar zulke banaliteiten?

CC Needpix

De ranzige randen

Ik ben geen koorknaap.

Bij uitstek populisten hebben het onophoudelijk over gewone mensen. Dat volstaat bij mij om onoverwinnelijk wantrouwen te wekken.

En dit. Het verhaal van populisten heeft ranzige randen. Het vertelt van uitsluiting. Van vijanden die er geen zijn. Van wij tegen hen.

Ook de omgang van populisten met ophanden zijnd drama deugt niet. Of zij ontkennen tegen beter weten in, of zij dreigen met de Apocalyps. Zij zijn machtig, maar zij doen alsof zij almachtig zijn en door de eeuwen heen is dat altijd een ketterij gebleken. Alleen God is oneindig machtig, althans volgens de Mechelse catechismus, antwoord op vraag 27, maar dat geloof heb ik afgeschud.

Echter, de breeddenkende, tolerante, goed geïnformeerde critici die hen verketteren, moeten eerst in eigen boezem kijken. Al te luid hebben zij hun bodemloze minachtig voor de banalen uitgebazuind. Al te velen van hen zijn als kippen zonder kop mee gehold met de zelfverklaarde economische realisten. Al te zichtbaar was hun besef van eigen superioriteit.

Voor de reële, massale problemen die zich opdrongen, hadden zij geen schijn van oplossing.

Vluchtelingen verzopen bij duizenden in de Middellandse Zee. Vluchtelingen koekten bij duizenden samen in de stelpeloze droesem van kamp Moria op Lesbos.

Alle verwerpelijke populisten in Centraal-Europa doen de grenzen van hun land op slot. De globale kosmopolieten in West-Europa loopt het dun door de broek als ze eraan denken hoe honderdduizenden Syriërs en Afghanen en Nigerianen en wat al niet hun veilige land binnendringen en hun West-Europese banaliteit komen vertrappelen. Dus kijken zij zedig en dankbaar de andere kant uit als Griekse grenssoldaten de opdringende duizenden buiten burcht Europa houden met knuppels en traangas.

De romantische leugen

Banaliteit is allesbehalve banaal. Maar ze is onmisbaar voor een enigszins menselijk bestaan. Pas als we zeker zijn over het banale kunnen we openstaan voor het andere, niet zo erg banale, voor de ander, de uitzondering, de vreemde eend.

Banaliteit is een mozaïek van noodwendigheden én van enkele overbodige splinters. Altijd de twee.

Banaliteit is een mozaïek van noodwendigheden én van enkele overbodige splinters. Altijd de twee. Zonder het overbodige blijft het mozaïek niet wat het moet zijn, een vaste vloer en tegelijk een vloer met talloze kleuren. Het wordt egaal en vaal, het tegendeel van mozaïek. En de vloer wordt wak, je zakt erdoor. Banaliteit die geen vleug onrust duldt, drukt neer. We kennen allemaal de romantische verhalen van begaafde zielen die wisten te ontsnappen aan de verpletterende banaliteit van hun omgeving.

Maar misschien zijn wij te zeer gefascineerd geraakt door de schittering van de zeldzame splinters. Top dit en top dat, eigenzinnig, fluïde, origineel, vernieuwend, buiten de doos (ik weiger de taal van Trump te aanbidden). Nogmaals, wat al romantiek. Het eenzame genie dat de wereld zal verbazen, nu nog even in een zolderkamertje wegkwijnend, straks blakend op alle podia ter wereld.

Bekijk de levensloop van onbetwistbaar grote genieën uit wetenschap en kunst en je verwijst dat soort onzin naar het rijk der fabelen. Johann Sebastian Bach was een hardwerkende stielman die op de centen lette, hij had een kroostrijk gezin. Marie Skłodowska-Curie kreeg twee Nobelprijzen en was een geestige, realistische, getrouwde vrouw. Als weduwe had ze een minnaar. Kortom, hun dagelijkse leven was banaal en daar hadden ze geen moeite mee.

Verlangen naar het banale

Ik verdedig hier het belang van banaliteit. Wij kunnen het ons niet veroorloven neer te kijken op banaliteit. Wij allen, kinderen, ouderen, allen ertussen, wij hebben banaliteit nodig om te blijven leven. Wie dat ontkent, lijdt aan werkelijkheidsverlies.

Ik raakte het al aan in het begin. Quarantaine biedt het voordeel dat we op den duur allerlei ons ontzegde banaliteiten onweerstaanbaar aantrekkelijk gaan vinden. We leren banaliteit te begeren. Zij zal ons niet teleurstellen.

In banaliteit schuilen onvermoede schatten. Het zou heilzaam zijn als we die samen zoeken. Gewone mensen zijn we niet. Maar wel banaal. Allemaal.

Onvoltooid Verleden Tijd

‘Ten aanzien van het denken moet men zowel kritiek hebben als vertrouwen. Ontbreekt het vertrouwen, dan ontbreekt de moed om het eigen denken te uiten. Ontbreekt de kritiek dan ontbreekt de moed om zich met zijn eigen vooroordelen te confronteren.’ Met dat citaat van de twintigste-eeuwse Nederlandse filosoof Bernard Delfgauw opent de bundel Onvoltooid Verleden Tijd.

Het is een programmatisch citaat, waarmee samensteller Ivo Janssens lijkt te signaleren dat zijn boek afstand wil houden van twee afgronden van het denken: het cynisme of de opperste verwarring over waarheid, kennis en inzicht die te vinden zijn in zowel de populistische complottheorieën als in de rafelranden van het postmodernistische discours; maar ook het comfortabele, maar valse gelijk dat socialemediabubbels, safe spaces of andere hedendaagse echokamers ons bieden. Hier wordt gedacht, in het vertrouwen dat dat inzicht oplevert; en dat vertrouwen laat auteurs én lezers toe om zichzelf, elkaar en iedereen te confronteren met ongemakkelijke, maar noodzakelijke waarheden.

Onvoltooid Verleden Tijd vertrekt bij de gruwel van het nazi-concentratiekamp Buchenwald, met onder andere negen portretten van wereldberoemde slachtoffers. Daarnaast, of daartegenover, staat een reeks bijdragen ‘van actuele denkers, academisch of pragmatisch actief, die reflecteren over de druk die er ook vandaag ligt op veelzijdigheid en democratie’. De verbinding tussen die twee delen binnen één uitgave is nodig, schrijft Ivo Janssens in het Voorwoord, want ‘zowel de traumatische gevolgen van het nationaalsocialisme als de universele rechten en het internationaal recht dreigen vandaag ondergesneeuwd te raken.’

‘De samenstelling van deze stukken is qua constructie opgevat als een polyfonie. Het gaat niet om één welbepaalde mening of visie. Het is integendeel een manier om de onderscheiden stemmen in één geheel gelijkwaardig te combineren’, voegt Janssens toe. Het boek gaat op zoek naar een beter begrijpen van het verleden om een moreel ijkpunt te vinden in de verwarrende tijden die we vandaag meemaken.

Onvoltooid Verleden Tijd, antidotum tegen historisch geheugenverlies werd samengesteld door Ivo Janssens en is uitgegeven door uitgeverij Sterck & De Vreese. 272 blzn. ISBN 978 90 5615 656 5

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2925   proMO*’s steunen ons vandaag al. We hopen 2021 te kunnen starten met 3000 proMO*‘s, word jij er één van?

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Schrijver & voormalig journalist

    Geert van Istendael (°Ukkel, 1947) studeerde sociologie en wijsbegeerte. Hij werkte bij het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek, over ruimtelijke ordening.