Dossier: 
Minder werk, meer welzijn

Hoe werken en leven we na corona?

© Jimmy Kets / ID Photo Agency

Door de pandemie her-apprecieerden veel mensen alles, van de nabije natuur en schone lucht over fietsen tot het belang van ons sociale weefsel, zorg en de beroepen die er echt toe doen.

Hoe waardevol zorg of wandelen in een bos zijn, werd het afgelopen jaar wel duidelijk, schrijft Nick Meynen. ‘We weten ondertussen dat het iedereen-voltijds-werken-concept moreel failliet is. Er is dan ook geen “terug naar normaal”.’

Economische groei gaat gepaard met steeds meer graven in de aarde. Zo ontstonden frontlijnen in wat de Wereldbank de “ondervervuilde” landen noemde, en die namen snel toe, vooral in het globale Zuiden. De mensen die hun leven riskeren op zulke frontlijnen zijn de onbekende soldaten van de 21ste eeuw. Kanonnenvoer.

Er was de Grote Versnelling en de massale ontkenning van de ware aard daarvan, en daarna viel de mensheid, als een Icarus die te dicht bij de zon was gekomen. De pandemie werd de grote golf die gebruikmaakte van elke zwakte in ons systeem.

Onze mentale gezondheid is zoals onze longen en ons leefmilieu: een offerlam op het altaar van de God Groei.

Het is tijd voor de “Grote Herstelling”: een kleinere economie, met minder werk en meer welzijn. We graven te veel en we werken te veel.

Emeritus professor Sociologie Mark Elchardus stipte in De Morgen aan dat een gemiddeld gezin in het midden van de twintigste eeuw vijftig uur loonarbeid per week had. Dat steeg naar zeventig à tachtig uur nu. Meer vrouwen combineerden huisvrouw én moeder zijn met loonarbeid, en meer mannen verschenen in keukens en als vaders. Die trend juicht iedereen toe. Maar de totale mentale bagage voor beide gezinsleden steeg daarmee snel. De rekker van elke ouder wordt almaar harder aangespannen. Bij steeds meer mensen knapt hij ook.

Maatschappelijke discussies over langdurig zieken focussen nog vaak op hoe we die groep weer “activeren”. We weten ondertussen dat het iedereen-voltijds-werken-concept moreel failliet is. De stijgende werkgerelateerde stress veroorzaakte al een epidemie jaren voor de coronapandemie, één van burn-outs. Of is het soms normaal dat in dit land de grote meerderheid van werknemers in de burn-outalarmfase of erger zit?

We gaan in België naar een half miljoen langdurig zieken, waarvan een derde mentale problemen heeft. Onze mentale gezondheid is zoals onze longen en ons leefmilieu: een offerlam op het altaar van de God Groei. Psycholoog Dirk De Wachter omschreef zijn job als het per rubberboot uit het water vissen van alle mensen die uit de speedboot zijn gevallen. Hij vraagt zich terecht af wie de gekken zijn: ‘De mensen die het tempo niet aankunnen, of degenen die aan het stuur van de speedboot staan?’

Net daarom is er geen “terug naar normaal”. De pandemie en de daaruit volgende economische crisis zijn zowel tragedie als kans. Als beleidsmedewerker economische transitie in het grootste netwerk van milieuorganisaties in Europa lanceerde ik in 2020 een rapport over hoe we uit de groei en werk tredmolen zouden kunnen ontsnappen, samen met de Europese koepel van de vakbonden, de Europese koepel van jongerenbewegingen en degrowth-economen zoals Tim Jackson.

Zo’n verbindingen zijn noodzakelijk in een wereld waarin alles en iedereen meer dan ooit voordien met elkaar verbonden is. Werk gaat over meer dan de relatie tussen werknemer en werkgever, waar vakbonden zich in specialiseren. Het gaat ook over de relatie tussen mensheid en planeet.

Het virus bracht zowel miserie als een mandaat om de economie te laten draaien rond het creëren van welzijn, binnen de mogelijkheden van de planeet.

Europees Parlementslid Pierre Larrouturou ziet een uitweg. Hij berekende dat een vierdagenwerkweek met loonbehoud in Frankrijk voor 1,6 miljoen nieuwe jobs zou zorgen. Hij werkte een plan uit met economen en een vroegere premier, waarin iedereen die minder dan 2500 euro verdient hetzelfde loon zou behouden en werkgevers korting zouden krijgen op hun sociale bijdragen. De weggevallen werkloosheidsuitkeringen voor 1,6 miljoen Fransen vullen het gat.

Een ander Europarlementslid, Philippe Lamberts, vatte het als volgt samen: ‘De pandemie maakte het heel duidelijk dat de economie ons moet helpen om goed te leven, niet omgekeerd.’ Lamberts is al langer een voorvechter van “welvaart zonder groei” – tevens de naam van het baanbrekende boek van Tim Jackson. Die ideeën gaan nu viraal.

Door de pandemie her-apprecieerden veel mensen alles, van de nabije natuur en schone lucht over fietsen tot het belang van ons sociale weefsel, zorg en de beroepen die er echt toe doen. Het virus bracht zowel miserie als een mandaat om de economie te laten draaien rond het creëren van welzijn, binnen de mogelijkheden die de planeet ons daarvoor geeft.

Valse tweedeling

Sommige systeemveranderingen lijken radicaal, tot ze plots werkelijkheid zijn. Antropoloog David Graeber stelt in boeken en artikels de volgende vraag: welke zin heeft het om iedereen tot voltijds werk te verplichten als de meerderheid van die banen ‘bullshit-jobs’ zijn? De nuttige, nog beschikbare werkuren worden best over méér mensen verdeeld, die minder snel uitgeput raken. Dit stabiliseert de economie en schept ruimte voor belangrijke activiteiten naast loonarbeid.

Duurzaam leven hoeft niet duur te zijn.

Hoe waardevol (mantel)zorg of wandelen in een bos zijn, werd het afgelopen jaar duidelijk. Dit draagt bij aan het welzijn van naasten en van onszelf, maar we moeten er tijd voor hebben. Duurzaam leven hoeft niet duur te zijn. Denk aan zelfplukboerderijen, fietsen, openbaar vervoer of werfafval upcyclen tot huisraad. Wie tijd heeft, kan op die manier goedkoper eten, zich verplaatsen en aan materiële goederen raken. Ik weet dit uit de eigen ervaring van een decennium bewust deeltijds werken.

Er moet helemaal geen keuze gemaakt worden tussen sociaal welzijn en zorg voor het milieu. Dat is een valse dichotomie. Professor Economie Juliet Schor doet al decennia onderzoek naar werktijdverkorting. Ze stelde vast dat in de Verenigde Staten de uitstoot van broeikasgassen lager ligt in staten waar de werktijd korter is. Op een congres van de Europese koepel van vakbonden stelde ze dat er ‘geen weg naar klimaatneutraliteit is zonder werktijdvermindering’.

© Dinuka Liyanawatte / Reuters

Professor Economie Juliet Schor : ‘Er is geen weg naar klimaatneutraliteit zonder werktijdvermindering’.

Historicus Rutger Bregman is al lang een fan van werktijdverkorting. Volgens hem zou die ook helpen in de strijd tegen ongevallen, ongelijkheid, genderongelijkheid en veroudering. We zouden kunnen beslissen om van de 21-uren week de nieuwe norm te maken, zoals de New Economic Foundation al uitrekende als de ideale werktijd.

Experimenten in eigen land met de dertigurenwerkweek, zoals bij vrouwenbeweging Femma, tonen aan dat het wel degelijk kan. Zelfs grote bedrijven zoals Unilever beginnen hiermee te experimenteren: hun werknemers in Nieuw-Zeeland werken nog maar vier dagen, mét loonbehoud.

Is dit alles politiek onrealistisch? De pandemie dwingt overheden om zaken te doen die ze uit ideologische overtuiging normaal niet zouden doen. In Schotland onderzoekt de regering de invoering van een vierdagenwerkweek nadat een burgerpanel van honderd Schotten dit op de politieke agenda plaatste.

Het panel liet zich inspireren door Katherine Trebeck van de Wellbeing Economy Alliance, een wereldwijd netwerk van organisaties waar ook ik nauw bij betrokken ben. Hun werk overtuigde ook al de regeringen van IJsland en Nieuw-Zeeland, een land dat nu een begroting heeft waarbij de hele economie in het teken van welzijn staat.

Professor Filosofie Kate Soper argumenteert in haar nieuwe boek over dit thema dat de pandemie nog meer debatten genereerde over de rol van werk in ons welzijn. Zo zijn er zelfs in Japan, legendarisch voor zijn lange werktijden, debatten in de regering over de invoering van een werkweek met vier dagen.

De discussie over werktijdverkorting is irrelevant in landen waar de meerderheid van het werk in de informele sector zit.

Vooral in het Verenigd Koninkrijk is de druk op de overheid om naar een vierdagenwerkweek te gaan vandaag erg groot. Enerzijds omdat veel bedrijven nu wegvluchten uit het VK, en anderzijds omdat het ene grote bedrijf na het andere er zelf mee begint. In een fabriek van Airbus in Broughton raakten vakbonden en directie het erover eens dat een werktijdvermindering van vijf tot tien procent zonder loonbehoud nog altijd beter is dan naakte ontslagen.

Een grote groep van vooral linkse en groene politici uit heel Europa stuurde een brief naar de leiders van landen zoals het VK, Spanje en Duitsland waarin ze het volgende stelden: ‘Doorheen de geschiedenis zijn kortere werktijden gebruikt in tijden van crisis en recessie als een manier om werk eerlijker te verspreiden over de economie, tussen de werklozen en de mensen met te veel werk.’

Volgens de New Economics Foundation was er al in 2019 sprake van een politiek momentum in IJsland, het VK, Noorwegen, Frankrijk, Duitsland en België. In 2021 is dat momentum enkel toegenomen.

Ook in België katapulteerde de coronacrisis het thema werktijdvermindering naar de politieke actualiteit. Er kwamen coronaverlof en andere subsidies om naakte ontslagen te voorkomen. In juni 2020 werden die subsidies uitgebreid, waarbij de liberale vrije-marktideologie niet meer van belang bleek te zijn. De regering-De Croo neemt zich voor de bestaande subsidies voor collectieve arbeidsduurverkorting onder de loep nemen.

Olivier Pintelon, auteur van De strijd om tijd, ziet heel wat redenen om naar dertig uur voltijds te gaan. ‘Het kan ons verlossen van de Belgische citroenloopbanen en het biedt vrouwen eerlijker kansen op de arbeidsmarkt.’ Volgens Pintelon kan ‘de politiek de kortere werkweek een flink duwtje in de rug geven. Denk aan transitiesubsidies of permanente subsidies voor sectoren als de zorg, waar de marges voor verdere efficiëntiewinsten gering zijn.’

Is het niet dom om het welzijn afhankelijk te proberen houden van veertig uur werk door elke “activeerbare” Europeaan?

Dit debat ligt uiteraard helemaal anders in ontwikkelingslanden. De president van Gambia gaf zijn ambtenaren wel een paar jaar lang vrij op vrijdag ‘om te bidden’, maar werktijdvermindering is en blijft toch vooral een westers fenomeen. De discussie is irrelevant in landen waar de meerderheid van het werk in de informele sector zit. In 2007 werkte ik tijdelijk samen met Nepalezen die veertig uur per week in een kantoor met airco en een goed koffiezetapparaat werkten.

Photoshoppende Nepalezen die 150 euro per maand verdienen hoor je niet klagen over stress op het werk, integendeel. Het contrast met de werkomstandigheden buiten de muren van ons kantoor was dan ook gigantisch. Tegelijk is dit een voorbeeld van hoe de globalisering werk van Europa naar Azië verschuift: mijn Nepalese collega’s deden grafisch werk dat uitgeverijen van Vlaanderen naar Kathmandu stuurden.

Zeldzame kans

Is het niet dom om in de almaar hetere, grijzere, meer geglobaliseerde en meer geautomatiseerde samenleving die Europa is, het welzijn afhankelijk te proberen houden van veertig uur werk door elke “activeerbare” Europeaan?

Politici proberen zich vast te klampen aan banen die er niet meer zijn en die niet meer terugkomen. Het aantal jobs blijft dalen, zeker als je enkel de nuttige telt. Het bijkomende idee dat in al die werkuren mensen ook almaar méér moeten produceren, heeft zijn limieten al overschreden. Het bracht ons de burn-outepidemie.

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws
De alternatieven voor een economie waar al ons welzijn afhangt van veertigurenbanen en banen van economische groei, bestaan. Een kleinere economie met minder werk en meer welzijn is mogelijk. Radicale collectieve werktijdvermindering is slechts een van de vele grote ingrepen die we kunnen en moeten maken, hier en nu.

Die alternatieven implementeren is niet enkel in het belang van ons eigen welzijn, het is ook een manier om de oorlog die de mensheid op de natuur voert af te zwakken, een oorlog waar vooral de miljoenen uit het globale Zuiden over kunnen meepraten, de mensen die overal op de frontlijnen staan die de eeuwig groeiende economie opent.

Als we echt beter na corona willen worden, dan moeten we nu de tijdelijke lapmiddelen waar de pandemie ons toe dwong omzetten in duurzame systeemverandering. Een kans als deze krijgen we niet vaak.

***

Dit essay vloeit voort uit het rapport Escaping the growth and jobs treadmill van het Europe Environmental Bureau en het boek De val van Icarus. Het virus als kantelpunt van Nick Meynen, uitgegeven door EPO, 2020.

Nick Meynen is auteur bij EPO en senior policy officer on economic transition bij het European Environmental Bureau

Dit artikel werd geschreven voor het lentenummer van MO*magazine dat verschijnt op woensdag 3 maart. Voor slechts 32 euro kan je hier een jaarabonnement nemen! Je kan ook proMO* worden voor slechts 4 euro per maand. Je krijgt dan ook ons magazine toegestuurd en je steunt daarmee ons journalistiek project. Opgelet: Knack-abonnees ontvangen MO* automatisch bij hun pakket.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Auteur en journalist

    Nick Meynen (°1980) is geograaf, conflictdeskundige en auteur van vijf boeken, waaronder Frontlijnen (2017) en De val van Icarus.