Gesprek over sociale rechten, gelijkheid, grenzen en filantrokapitalisme

Samuel Moyn: ‘Armoedebestrijding zonder rijkdombeperking maakt sociale vooruitgang onmogelijk’

© Gie Goris

Samuel Moyn

Samuel Moyn is als historicus verbonden aan Yale University, en gaf daarvoor les aan Columbia en Harvard. Hij is gespecialiseerd in Europese gedachtengeschiedenis en gefocused op de geschiedenis van mensenrechten.
Zijn vorige boek, The Last Utopia, onderzocht het belang van de dekoloniseringsperiode en de crisis van het socialisme in de jaren 1970 voor de opkomst van de mensenrechten.
Not enough: human rights in an unequal world is een soort sequel, zegt hij. Het behandelt vooral de band tussen mensenrechten en de verdeling van economische goederen en waarde.
Sinds de jaren 1970 vormen mensenrechten zowat het enige strijdverhaal dat overeind bleef’, zegt Samuel Moyn. ‘Elke morele claim wordt sindsdien geformuleerd in een taal van rechten, en in het kader van de sociale afbraakpolitiek die sindsdien gevoerd wordt, zijn rechten en rechtbanken een uitgelezen strategie om te behouden wat kan.’

Moyn vervolgt: ‘Maar het is veel minder duidelijk dat rechten ook een instrument vormen voor vernieuwing, verdieping of uitbreiding van sociale bescherming en herverdeling. We hebben behoefte aan meer instrumenten om van de wereld een rechtvaardige plek te maken. Een voetbalploeg gebruikt ook andere tactieken voor de verdediging dan voor de aanval.’

1. Mensenrechten en de vrijheid van de superrijken

Mensenrechten zijn vanaf de jaren 1970 heel nauw verweven geraakt met het neoliberale project en verhaal, schrijft u. Zegt dat iets over de Universele Verklaring voor de Mensenrechten zelf?

‘Het is niet zo dat mensenrechten in essentie een neoliberaal project zijn, maar ze blijken wel compatibel met een neoliberale praktijk en ideologie’

Samuel Moyn: Neen. Het is niet zo dat mensenrechten in essentie een neoliberaal project zijn, maar ze blijken wel compatibel met een neoliberale praktijk en ideologie. In 1948 was de Universele Verklaring voor de Mensenrechten (UVRM) eerder een gietvorm voor de welvaartstaat, met wellicht te weinig nadruk op sociale gelijkheid. En dat tekort werd nog vergroot door de Europese Conventie in 1950, die de sociale en economische rechten helemaal uit het aanbod schrapte en dus bijna expliciet tegen het streven naar meer gelijkheid ageerde.

Wat mensenrechtenbewegingen moeten behouden, is het succesvolle taalgebruik waarmee despoten en krijgsheren aan de schandpaal genageld kunnen worden. Wat verbeterd moet worden, is wat daarna komt. Lokaal moeten mensenrechten deel worden van een ruimer, emancipatorisch project. Mondiaal moeten mensenrechten tastbaarder worden en een groter effectief verschil maken in het leven van mensen.

Hoe doe je dat zonder voortdurende interventies die de nationale souvereiniteit schenden?

Samuel Moyn: Ik heb geen probleem met schendingen van nationale souvereiniteit om mensenrechten te verdedigen, zolang het niet gaat om grootmachtpolitiek die alleen neerkomt op het bombarderen van armen en het versterken van een imperialistische elite. Ik ben pro regime change in de Verenigde Staten.

Wat we vandaag zien, zeker in de VS, lijkt op de overname van de staat door de superrijken. Kan dat werken als een waarschuwing voor de gevolgen van onbelemmerde ongelijkheid?

Samuel Moyn: De VS tonen inderdaad wat je krijgt als zelfs progressieve politici akkoord gaan met de stelling dat je wel een sociale vloer nodig hebt, maar geen sociaal plafond. Dat “bevrijdt” de rijksten van hun verplichtingen tegenover de samenleving, wat uiteindelijk leidt tot capture: de overname van een representatieve overheid door een kleine kring rijken en machtigen.

Tussen 1950 en vandaag viel de maximum belastingaanslag in de VS van 90 procent naar 37 procent. Dat levert een steeds groter aandeel van de nationale rijkdom op voor de allerrijksten, én het stelt hen in staat om echte crisissen uit te zitten of aan te pakken door politieke vertegenwoordigers of partijen te “kopen”.

Schrikken zij van wat president Trump doet? Leidt dat tot bezinning?

Samuel Moyn: De eerste reactie van een deel van de rijksten was schok en schrik voor de consequenties. Maar intussen zien ze dat de Republikeinse Partij onder Trump bijkomende belastingvoordelen biedt voor de rijksten, en dus beginnen ze Trump en de Republikeinen opnieuw te financieren om de huidige machtssituatie voor jaren te bestendigen.

2. Een sociale vloer heeft nood aan een sociaal plafond

De strijd voor herverdeling en een sociale welvaartstaat is heel lang niét gevoerd als een strijd voor sociale rechten. Want, zegt u, de terminologie van rechten werd vooral gebruikt om de staat in te perken, niet om zijn actieradius en verantwoordelijkheden uit te breiden.

‘Rechters en rechtbanken waren er om de rijken en de machtigen te vrijwaren, niet om ze op hun plichten en verantwoordelijkheden te wijzen’

Samuel Moyn: Rechten waren een centraal begrip in een libertaire maatschappij, wat ze verdacht maakten in de ogen van degenen die een sociale welvaartstaat voorstonden. De idee dat je sociale rechten zou kunnen afdwingen via een rechtbank was voor veel mensen toen letterlijk onvoorstelbaar. Rechters en rechtbanken waren er om de rijken en de machtigen te vrijwaren, niet om ze op hun plichten en verantwoordelijkheden te wijzen.

Rechten zijn een goede manier om een sociale vloer te leggen in de samenleving, waaronder niemand mag zakken, maar niet om een sociaal plafond te bouwen?

Samuel Moyn: Dat klopt. Veel te vaak worden die twee zaken van elkaar gescheiden, alsof ze niets met elkaar te maken hebben, of alsof je voor gelijkheid kan zorgen door een sociale vloer te leggen en die gradueel te laten stijgen. Nochtans is het bestrijden van ongelijkheid per se noodzakelijk als we als samenleving vooruitgang willen maken.

U stelt dat ook Marx en de bewegingen waartoe hij behoorde of die hij inspireerde veel minder begaan waren met materiële gelijkheid dan we vandaag veronderstellen.

Samuel Moyn: Marx legde meer nadruk op verdeling naargelang ieders noden dan op gelijke verdeling. Voor de rest beklemtoonde hij vooral dat het kapitalisme de werkers van hun rijkdom beroofde. Met andere woorden: werkers zouden eigenaar moeten zijn van de volledige waarde van hun arbeid. De consequentie daarvan is wel dat wie meer werkt, meer verdient. Ik denk niet dat Marx ooit duidelijk gemaakt heeft dat een wereld waarin de uitbuiting van werkers gebannen was ook meteen een wereld zou zijn van materiële gelijkheid tussen mensen.

Materiële gelijkheid is eerder een ideaal dat voortkwam uit het project van de welvaartstaat -wat een klassencompromis was om de dreigende confrontatie veroorzaakt door een gapende ongelijkheid, te voorkomen. Niet dat de welvaartstaat ooit absolute gelijkheid nastreefde. Het was een niet-revolutionair project dat het kapitalisme moest redden door de rijken meer belastingen te laten bijdragen en daardoor de ongelijkheid tot een leefbaar niveau terug te brengen.

Wat is de doorslaggevende factor om de botsende belangen van werkers en kapitaal te overtuigen samen een welvaartstaat uit te bouwen?

Samuel Moyn: Om een welvaartstaat succesvol te maken, is één factor alvast doorslaggevend: de rijken moeten genoeg schrik hebben om overtuigd te worden bij te dragen tot en deel uit te maken van de samenleving. In de jaren vijftig en zestig zag je de combinatie van twee factoren die tot die veralgemeende angst bij de rijken leidde: een grote en georganiseerde groep werkers én het bestaan van de Sovjet-Unie. Geen van beide “dreigingen” bestaat nog. China zorgt wel voor onrust, maar niet echt op ideologisch vlak. Misschien dat deze tijd van woede wel voor een kanteling zal zorgen, maar dat is nog niet duidelijk.

De overheid trad op als de onderhandelaar die het klassecompromis tussen kapitaal en arbeid mogelijk maakte, zegt u. Om die rol te kunnen spelen, moet de staat zelf ook macht hebben. Maar de voorbije decennia heeft de staat zijn eigen macht uitgekleed en afgebouwd.

Samuel Moyn: En daartegen komt rechts in opstand. Nationalistisch rechts is niet langer bereid om de staatsmacht te verkleinen. Maar het is de vraag of rechts zich wel wilt verzetten tegen een rijke bovenklasse, zolang die bereid is het nationalistische discours te bevestigen. Als links daar een antwoord op wil geven, kan het niet zonder de kracht van sociale beweging, die een ander beleid kan eisen en steun kan geven aan politici die de afbouw van de staat willen vervangen door een versterking van sociaal beleid.

Om dat te realiseren is er momenteel wellicht een links populisme nodig dat de taal van de meerderheid tegen een elitaire minderheid spreekt zonder in etnische of andere uitsluiting te vervallen. Een echt sterke sociale beweging kan de rijken schrik aanjagen zoals de Sovjets dat midden vorige eeuw deden.

3. Materiële gelijkheid versus statusgelijkheid

U wijst erop dat de strijd voor materiële gelijkheid achteruit gegaan is, maar dat er grote stappen vooruit gezet zijn op het vlak van statusgelijkheid: vrouwen, holebi’s, tot op zekere hoogte etnische minderheden worden vandaag meer dan vroeger gezien als gelijk in status aan de witte mannen die de wereld gedurende eeuwen domineerden.

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws

Samuel Moyn: De twee vormen van gelijkheid zijn feitelijk concurrenten, zou je kunnen zeggen, omdat ze in eenzelfde periode tegenovergestelde evoluties doormaken. Maar zelfs als het ene het gevolg is van het andere, dan nog is niet gezegd dat het verbeteren van materiële gelijkheid noodzakelijk uitsluiting van vrouwen of minderheden vergt; of dat statusgelijkheid verbeteren enkel kan als we het streven naar materiële gelijkheid willen opgeven. Mensenrechten zijn enorm belangrijk voor het realiseren van statusgelijkheid. Dat is een resultaat dat we moeten vieren en koesteren. Ik ben niet geïnteresseerd in een welvaartstaat als dat de terugkeer van de vrouw naar de haard betekent.

Sommigen vrezen dat de strijd voor statusgelijkheid van achtergestelde groepen of gemeenschappen de gezamenlijke strijd voor materiële gelijkheid ondergraaft of verdeelt.

Samuel Moyn: Mijn ervaring is dat de meeste mensen die opkomen voor statusgelijkheid dat ook doen met extra veel aandacht voor de meest kwetsbaren, degenen die het hardst getroffen worden door uitsluiting of discriminatie. Het is dus een slecht idee om vandaag op te roepen alle identiteitspolitiek achterwege te laten, zogezegd in de hoop om iedereen te verenigen in strijd voor materiële gelijkheid. Het ene moet integendeel volop deel uitmaken van het andere.

In de strijd voor gelijkheid krijgen sommigen het verwijt dat ze deel zijn van een gepriviligeerde groep, anderen dat ze omgekeerd racisme, seksisme of oriëntalisme hanteren. De facto zorgt dat voor verdeeldheid in een beweging die al in het defensief zit, toch?

Samuel Moyn: De facto, ja, maar niet op het niveau van de principes. Het is niet dat statusgelijkheid en materiële gelijkheid in principe onverenigbaar zijn. Maar in de tactieken, in de manier waarop strijd en streven geformuleerd worden, daarin kunnen zich natuurlijk botsende belangen tonen. Confrontatie kan op bepaalde momenten heel belangrijk zijn, op andere momenten moet je dat strategisch aanpakken en inperken om een brede coalitie op te bouwen. Uiteindelijk moeten we voor ogen houden dat het beter is om te winnen dan om te verliezen.

4. Sociale welvaartstaat en gesloten grenzen

De combinatie van minimumvoorzieningen en gelijke verdeling werd uitsluitend binnen de context en de contouren van een natiestaat gerealiseerd.

Samuel Moyn: Dat is inderdaad een opvallend gegeven, want in de negentiende eeuw was socialisme een internationalistische beweging. Maar links werd geconfronteerd met zowel een succesvol gemondialiseerd liberalisme als met een snel groeiend rechts nationalisme, en het probeerde beide te bestrijden met nationaal socialisme -met kleine letters. Er waren in de twintigste eeuw zeker nog pogingen om het internationalisme opnieuw prioriteit te geven, met name door de postkoloniale staten en de Nieuwe Internationale Economische Orde die ze voorstonden. Maar ook dat is dus niet gelukt.

Hierdoor werd het model van een welvaartstaat binnen de grenzen van de natiestaat dominant. Het was ook haalbaar in een wereld waar kapitaalcontroles nog heel gewoon waren. De superrijken waren zelf nog gebonden aan een natie, ze konden met hun kapitaal niet zo makkelijk weg naar belastingparadijzen en ze konden ook niet zo makkelijk van nationaliteit veranderen.

Tijdens de huidige, tweede versie van de mondialisering is nationale controle veel minder haalbaar, en dat verklaart meteen ook het succes van rechts nationalisme dat het verzet tegen de ontsnapping van de superrijken handig gebruikt om macht te verwerven. Wellicht moet er ook opnieuw een links nationalisme ontstaan om een effectief antwoord te vinden dat tegelijk inclusief is.

Het rechtse argument vandaag is dat de welvaartstaat enkel gered kan worden door de grenzen te sluiten. Het lijkt alsof nationale inclusiviteit enkel gegarandeerd kan worden door externe exclusiviteit.

Samuel Moyn: Ik zie daarvoor geen harde bewijzen. Is het werkelijk zo dat de nieuwkomers de banen en verworvenheden van de vroegere werkende klasse bedreigen? Of komt die bedreiging eerder van de mondialiserende financiële elite en hun medestanders in de regering die voortdurend pleiten voor een streng besparingsbeleid? Is het vandaag niet net als in de jaren zestig zo dat de nieuwkomers arbeid verrichten die noodzakelijk is, maar niet door de “nationale werkers” verricht wordt?

Zelfs als men het economisch belang van migratie erkent, dan is er nog het argument dat de grote diversiteit een bedreiging vormt voor het idee en het gevoel van gemeenschap -en laat dat nu net de basis vormen van het morele argument voor een sociale welvaaartstaat.

‘De rijken waren bereid de welvaartstaat te aanvaarden en mee te financieren, omdat ze schrik hadden van de gevolgen van de ongelijkheid en armoede die ze veroorzaakten’

Samuel Moyn: Ik zou het argument, dat je alleen solidariteit kan hebben als je tegelijk uitsluiting aanvaardt, toch niet zo ernstig nemen. Wat we wél zeker weten, is dat de welvaartstaat vroeger uitsluitend werkte: het model was gebouwd rond mannen, want vrouwen hadden in de regel enkel een plaats in afgeleide vorm als echtgenote van een man.

En het model was bedoeld voor blanke burgers, zelfs toen de stijgende welvaart resulteerde in dalende geboortecijfers en er dus arbeidskrachten uit zuiderse landen aangevoerd moesten worden.

De reden waarom de rijken bereid waren om de welvaartstaat te aanvaarden en mee te financieren, was niet omdat ze zich deel voelden uitmaken van één gemeenschap, maar omdat ze schrik hadden van de gevolgen van de ongelijkheid en armoede die ze veroorzaakten. Tenslotte is de natie ook maar een ideologische creatie en dus is er geen reden waarom nieuwkomers geen deel zouden kunnen uitmaken van een nieuwe ideologische staat of gemeenschap.

5. Sociale rechten en ecologische rechten

Sociale rechten en mensenrechten zijn historische partners, maar werden in de periode van de neoliberale mondialisering in zekere zin concurrenten -waarbij de mensenrechten wonnen en de sociale rechten verloren. Maar hoe verhouden beide zich tot ecologische rechten en bezorgdheden?

Samuel Moyn: Dat is inderdaad een groot en vaak genegeerd probleem. Want de welvaartstaat lijkt enkel duurzaam in de context van voortdurende groei en productiviteitsverhoging. En we weten dat dat rampzalig is voor de planeet. Het is een dilemma waarvoor ik niet meteen een uitweg zie.

Een deel van de oplossing lijkt onvermijdelijk dat wij in het Westen, en met name in de Verenigde Staten, bereid worden een deel van onze hoge levensstandaard op te geven, zodat we ook het Zuiden kunnen overtuigen om hun groei ten minste groen te houden. Maar het is duidelijk dat de weg daar naartoe nog erg lang is. 

Hoe kan je de lagere middenklasse overtuigen dat ze duurzaam moet leven en consumeren zolang de superrijken zich ongeziene en onbegrensde verspilling blijven veroorloven?

Samuel Moyn: Zoals we arm én rijk kunnen overtuigen van het belang van klasse-compromissen als iedereen er beter van wordt, zo kunnen we wellicht de middenklasse en armen ervan overtuigen ecologische beperkingen te aanvaarden als ook de rijken hun consumptie minderen. Laten we beginnen met het ecologisch belasten van vliegtuigreizen.

6. Filantrokapitalisme

In de conclusie van Not Enough voert u Croesus op, een Griekse mythologische heerser die rijker was dan eenieder maar ook sociaal voelend en welwillend regeerde. U hebt het duidelijk over Bill Gates en andere mondiale weldoeners van het moment die filantropie op een nooit gezien niveau brengen. Niet iedereen is bereid daartegen te zijn, want miljoenen mensen hebben die hulp nodig.

‘Alle overgeërfde rijkdom uit de negentiende eeuw is vandaag nog steeds een belangrijke drijvende kracht van de –opnieuw toenemende- ongelijkheid’

Samuel Moyn: Voordat we het over Gates hebben: zelfs toen de welvaartstaat op zijn hoogtepunt was, bleven er enorme klasseverschillen bestaan, en dus ook filantropie en caritatieve acties. Dat heeft alles te maken met het feit dat de welvaartstaat veel meer gericht was op herverdeling van inkomen dan van bezit, waardoor alle overgeërfde rijkdom uit de negentiende eeuw vandaag nog altijd een belangrijke drijvende kracht is van de –opnieuw toenemende- ongelijkheid.

Ik ben geen utopist die gelooft in volledige gelijkheid, maar pleit wel voor het verminderen van de bestaande en groeiende klasse-ongelijkheid. Ik ben dus niet enthousiast over het filantrokapitalisme van vandaag, want dat betekent een terugkeer naar een afhankelijkheid van de welwillendheid van de nieuwe adel. Die aanpak is gedurende eeuwen feodaliteit uitgeprobeerd, en dat systeem werd met goede redenen omvergegooid. Ik zie het voordeel niet om daar naar terug te keren.

Not enough: human rights in an unequal world door Samuel Moyn is uitgegeven door The Belknap Press of Harvard University Press, 2018. 296 blzn. ISBN 9780674737563

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur