'De 21ste eeuw is de eeuw van de oceaan'

Nu het vasteland is volgebouwd en de grondstoffen zijn uitgeput, wordt er vol verwachting uitgekeken naar de oceaan als nieuw wingewest. Wat er de afgelopen vijftig jaar in de visserijsector is gebeurd, is echter niet meteen een voorbeeld van verantwoord ondernemen op zee. Nieuwe economische activiteiten in mariene gebieden zullen dan ook met zorg moeten gemonitord worden, stelt Jan Mees, directeur van het Vlaams Instituut voor de Zee (VLIZ).

  • © VLIZ - Verhaeghe 'Men denkt dat de zee tegen alles is opgewassen.' © VLIZ - Verhaeghe
  • Pedro Ribeiro Simões (CC BY 2.0) 'De overkapitalisatie van de vissersvloten is nog steeds niet gestopt.' Pedro Ribeiro Simões (CC BY 2.0)
  • landbridge (CC BY-NC-ND 2.0) 'Over enkele jaren zullen we naar deze periode terugkijken als een zwarte bladzijde in de geschiedenisboeken.' landbridge (CC BY-NC-ND 2.0)
  • Maureen Reilly (CC BY-NC-ND 2.0) 'Onze visserij is voor 90 procent een boomkorvisserij en die boomkor moet er uit. Dat is een techniek die totaal niet selectief is en die alles op zijn pad meeneemt.' Maureen Reilly (CC BY-NC-ND 2.0)
  • © Nautilus Minerals 'Op land zijn de bronnen uitgeput. En de markten zullen wel dicteren of het rendabel is om de natuurlijke rijkdommen op de oceaanbodem te gaan halen.' © Nautilus Minerals
  • Ideum - ideas + media (CC BY-SA 2.0) 'De vraag is niet of er nog zo’n ongevallen gebeuren als met het Deepwater Horizon boorplatform in de Golf van Mexico, de vraag is wanneer.' Ideum - ideas + media (CC BY-SA 2.0)
  • Joe Dunckley (CC BY-NC-SA 2.0) De landzijde zit vol en je ziet de interesse voor het blauwe groeien. Maricultuur, tien jaar geleden was daar amper sprake van. Joe Dunckley (CC BY-NC-SA 2.0)

Wat is voor u het meest zorgwekkende verschijnsel wat de oceanen betreft? We kennen inmiddels de plastic soep die in de Stille Oceaan ronddrijft, na andere soorten vervuiling.

Jan Mees: De grootste door de mens veroorzaakte impact van de afgelopen vijftig jaar is het drama van de visserij.

Op enkele decennia tijd is de biomassa in de oceaan van vissen en grote predatoren gedaald tot tien procent van wat het oorspronkelijk was.

Pedro Ribeiro Simões (CC BY.0)

De overkapitalisatie van de vissersvloten is nog steeds niet gestopt.

Het is een reusachtig probleem dat nog voortduurt en steeds erger wordt. De overkapitalisatie van de vissersvloten is nog steeds niet gestopt. Stocks die overbevist zijn worden verlaten en er worden nieuwe vissoorten en gebieden aangesneden. Men gaat steeds verder en dieper vissen, tot duizenden meters diep. Dat zijn echter ecosystemen die zeer oud zijn en slecht tegen verstoring zijn opgewassen, veel minder dan de jonge, ondiepe Noordzee. Daar kan je op zeer korte tijd onomkeerbare schade aanrichten, wat we nu aan het doen zijn. Qua menselijke impact op de oceanen is die overbevissing het ergste.

Werken de huidige instrumenten, zoals visquota en een ban op bepaalde soorten, niet?

Jan Mees: Die zijn onvoldoende. De Hoge Zee, het gebied buiten de territoriale wateren 40 procent van onze planeet  is eigenlijk het “wilde Westen”. Daar is geen jurisdictie voor en niet meer dan 1 procent ervan is beschermd gebied. Niemand kijkt toe op wat daar allemaal wordt leeggevist, geloosd of weggehaald. Het is een gebied dat vogelvrij is.

landbridge (CC BY-NC-ND 2.0)

‘Over enkele jaren zullen we naar deze periode terugkijken als een zwarte bladzijde in de geschiedenisboeken.’

Er zijn drukkingsgroepen, er zijn multilaterale instellingen die visserij willen verbieden in die gebieden, maar zover zijn we nog niet. De FAO, de VN-Voedsel- en Landbouworganisatie, heeft een code voor verantwoord vissen, maar die is niet afdwingbaar. Over enkele jaren zullen we naar deze periode terugkijken als een zwarte bladzijde in de geschiedenisboeken.

De Hoge Zee is het “wilde Westen”. Niemand kijkt toe wat er leeggevist, geloosd of weggehaald wordt. 

De overbevissing is één ding. Wat met de vervuiling?

Jan Mees: Wat de mens op het land gebruikt, komt naar de zee. Vervuiling is een constant veranderend verhaal. Die plastic soep is een groot probleem maar we weten nog onvoldoende hoe groot, dat wordt onderzocht. Als je kijkt op een schaal van veertig jaar, zie je dat veel van de polluenten die vroeger een probleem waren, zoals de zware metalen en de PCBs waarover we ons in de jaren 70 en 80 terecht grote zorgen maakten, nu zijn opgelost dankzij het beleid.

Andere komen dan weer op, zoals hormoonverstorende stoffen. Ook de scheepvaart gebruikt nog steeds vuile brandstof, die zorgt voor luchtvervuiling die weer neerslaat op zee.

En dan is er de uitstoot van broeikasgassen, die niet alleen zorgt voor een opwarming van de oceaan, maar ook voor verzuring, en dit aan een veel sneller tempo dan de natuurlijke cycli op geologische tijdschalen.

Is die opwarming merkbaar in de Noordzee? 

Jan Mees: Heel zeker. Er komen nu soorten voor die vroeger maar af en toe voorkwamen, soorten uit het zuiden die het hier vroeger te koud vonden, zoals ansjovis en andere mediterrane soorten.

Een goeie zaak voor onze visserij? 

Jan Mees: Dat kan je niet als goed of slecht omschrijven. Het geeft opportuniteiten maar het is een aanwijzing van een verandering. Zulke veranderingen kunnen de effecten van de overbevissing nog erger maken omdat het hele ecosysteem grondig verstoord wordt.

Maureen Reilly (CC BY-NC-ND 2.0)

‘Onze visserij is voor 90 procent een boomkorvisserij en die boomkor moet er uit. Dat is een techniek die totaal niet selectief is en die alles op zijn pad meeneemt.’

Moet de visserij in Vlaanderen niet gewoon opgeschort worden?

Jan Mees: Ik denk dat er nog wel een toekomst is voor de visserij in Vlaanderen, maar een andere visserij. Met duurzame vistechnieken die gebruik maken van andere netten en selectieve vismethodes die enkel dat wegnemen uit zee wat bedoeld wordt. Onze visserij is voor 90 procent een boomkorvisserij en die boomkor moet er uit. Dat is een techniek die totaal niet selectief is en die alles op zijn pad meeneemt.

Onze visserij is voor 90 procent boomkorvisserij en die boomkor moet eruit. 

Waarom is het zo moeilijk die te bannen?  

Jan Mees: Alternatieve vistechnieken zijn allemaal minder efficiënt. Je kan tong ook vangen met lijnen maar dan vang je maar een fractie van wat je met een boomkor kan slepen, maar die boomkor is verwoestend. Er moet minder gevist worden en met betere technieken. Dat betekent minder viscapaciteit: een kleinere vloot en een duidelijkere afbakening van zones waar wel en waar niet gevist mag worden.

Er moeten in de Noordzee visserijvrije zones komen. Volgens onze wet over mariene beschermde gebieden kan je wel verhinderen dat mensen er met zeil- of motorboten komen maar je kan niet verhinderen dat er nog mag gevist worden en dat lost dit probleem dus niet op.

Het blijft politiek ook een heel gevoelig thema.

Jan Mees: Heel gevoelig want de sector wil niet weten van beperkingen. Ik denk dat onze vloot nu nog minder dan 80 schepen telt,  15 jaar geleden waren het er 140. Ze wordt dus wel degelijk afgebouwd maar dat gaat niet gepaard met innovatie en transitie naar een nieuwe, duurzame vloot. Zelfs in de Europese wateren blijven beleidsmakers de fout maken om door biologen aangeraden vangstbeperkingen jaar na jaar, telkens weer af te zwakken.

De politici krijgen degelijk wetenschappelijk advies, en elk jaar komen de ministers samen en vechten voor hun deel. 

Onze politici krijgen degelijk wetenschappelijk advies van het ILVO (Instituut voor Landbouw en Visserijonderzoek) en van internationale organisaties zoals ICES, de International Council for the Exploration of the Sea. Zij hebben het mandaat om jaarlijks te adviseren hoeveel vis er van elke soort in welk gebied mag gevangen worden.

Dan komen de ministers samen en vechten ze voor hun deel. Na afloop komen ze triomferend naar buiten “we zijn erin geslaagd om meer te mogen vissen dan oorspronkelijk aangeraden was.” En opnieuw wordt er een jaar overbevist.’

Is het een oplossing subsidies af te schaffen?  

Jan Mees: Het zou een deel van de oplossing zijn maar dat lijkt in grote delen van de wereld niet bespreekbaar. Enkele jaren geleden heeft men in een interessante studie een aantal scenario’s voor de toekomst van de visserij uitgewerkt. Een van die scenario’s was om de markt te laten spelen en de subsidies af te schaffen. In zo’n scenario zouden de brandstofverslindende vloten er allemaal uitgaan. Helaas zijn we zover nog niet.

België moet niet al te sterk met de vinger gewezen worden, wij hebben een kleine vloot, maar Spanje, Denemarken en nog een aantal Europese landen die een grote vloot hebben, zoeken de diepzee op om winst te blijven maken. Ze trekken naar de Exclusief Economische Zones van de arme landen en plunderen die leeg. Ze nemen het voedsel weg voor de neus van de armen. Dat is echt een groot probleem.

Er komt nu een nieuwe golf van kolonisering aangerold, de diepzeemijnbouw. Vreest u niet dat dit exponentieel gaat teweeg brengen wat de visserij heeft teweeg gebracht?

Jan Mees: De twee sectoren zijn moeilijk te vergelijken. Het is een andere soort bedrijvigheid. De visserijsector is een sector met vele kleine spelers en heel veel schepen van heel veel landen. Het is bijna een basisactiviteit van de mens en veel moeilijker te controleren.

De diepzeemijnbouw kan je alleen maar toevertrouwen aan hooggespecialiseerde firma’s die een bepaalde ethische beleidsvoering kunnen opgelegd krijgen, met inclusieve aandacht voor milieuaspecten. Ik ben daar optimistischer over dan over de vrije jongens van de visserij. In de diepzeemijnbouw gaat het ook over niet-levende materie en een relatief beperkt gebied, op de wereldkaart bekeken.

De International Seabed Authority is verantwoordelijk; die reikt licenties uit en moet een oogje in het zeil houden. Ik heb de indruk dat dit nauwgezet gebeurt, met afbakening van gebieden en bufferzones. Dat neemt echter niet weg dat er in die gebieden zelf wel een enorme impact zal zijn. De technologieën en de apparatuur die men aan het ontwikkelen is, zijn spectaculair. Men probeert dit allemaal zo milieuvriendelijk mogelijk te maken.

U zegt niet: “wegblijven daar”?   

Jan Mees: We kunnen dat moeilijk zeggen. Het is naar de maan of in de oceaan. Op land zijn de bronnen uitgeput. En de markten zullen wel dicteren of het rendabel is om de natuurlijke rijkdommen op de oceaanbodem te gaan halen. Ik ben een milieubewust persoon, maar ik zal niet argumenteren dat men beter niet begint aan deze ontginning want de maatschappij zal die delfstoffen nodig hebben.

Ik wil er wel op wijzen dat men dit met de nodige omzichtigheid moet doen, dat men niet dezelfde fout maakt als met de mijnbouw op land of met de visserij. Het grote drama van de visserij is dat het in het verleden nooit goed geregeld is. Het is echt de tragedy of the commons.

© Nautilus Minerals

‘Op land zijn de bronnen uitgeput. En de markten zullen wel dicteren of het rendabel is om de natuurlijke rijkdommen op de oceaanbodem te gaan halen.’

Gaat die zich niet herhalen met de rush naar de mineralen?  

Jan Mees: Momenteel bevinden we ons nog in een exploratiefase en die is goed geregeld. Ik zou me nog het meeste zorgen maken om mijnbouw binnen de Exclusief Economische Zones (de territoriale wateren of de 200 mijl zones) van sommige landen. Bedrijven kopen mijnconcessies van arme landen waar onvoldoende opvolging is om de exploitatie milieuvriendelijk te doen. Bepaalde domeinen van diepzeemijnbouw lijken vrij onschadelijk, zoals de polymetallische knollen of mangaanknollen.  Dat zijn vrij inerte materialen die men kan oogsten zonder al te grote impact te genereren. De sulfide afzettingen zijn veel delicater, daar zou ik afblijven. 

Diepzeemijnbouw biedt ook een kans om mijnbouwactiviteiten met een negatieve impact op land te sluiten.

Diepzeemijnbouw biedt ook een kans om mijnbouwactiviteiten op land, met een negatieve impact op de menselijke gezondheid en op het milieu, te sluiten. Als je die ontginning kan verplaatsen naar de diepzee met gespecialiseerde schepen met de nodige begeleiding en monitoring, dan denk ik dat we de mogelijkheid hebben om op de oceanen bijna van nul een nieuwe sector uit te bouwen die je vanaf het begin goed kan omkaderen.

En minder zorgwekkend dan de diepzeeolieboringen, als we denken aan de ramp met de Deepwater Horizon?

Jan Mees: Off shore olie- en gaswinning baren me inderdaad meer zorgen. Men gaat de laatste druppel olie en gas halen waar men die kan vinden, met heel hoge risico’s. De vraag is niet of er nog zo’n ongevallen gebeuren als met het Deepwater Horizon boorplatform in de Golf van Mexico, de vraag is wanneer. Zo’n ramp staat dan even in de kijker en verdwijnt snel weer uit de aandacht omdat men het probleem niet ziet: het is onzichtbaar maar het is wel heel groot.

Ideum - ideas + media (CC BY-SA 2.0)

‘De vraag is niet of er nog zo’n ongevallen gebeuren als met het Deepwater Horizon boorplatform in de Golf van Mexico, de vraag is wanneer.’

Men denkt dat de zee tegen alles is opgewassen. Het is het typische discours van de jaren 50 en 60 “dat men de zee niet kan vervuilen omdat die zo groot is”. Ik heb nog in de het begin van de jaren2000 de voorzitter van de rederscentrale horen zeggen: “de zee is zo groot dat de mens die nooit kan overbevissen”. Intussen weten we dat dit wel kan.  We kunnen de oceaan echt wel onherroepelijke schade toebrengen en dat zijn we aan het doen.

 “De zee is zo groot dat de mens die nooit kan overbevissen” was het discours van de jaren 60. Intussen weten we dat dit wel kan.

Grote rampen zoals Deepwater Horizon of drastische overbevissing moeten niet te vaak gebeuren of je gaat een ecosysteem vernietigen dat je niet meer terug kan opbouwen. De impact gaat zo ver dat er een alternatieve, stabiele toestand wordt gecreëerd. Dat is de grote schrik van de ecologen.

We hebben dat gezien in Newfoundland, Canada, met de kabeljauw. Historisch was dit een heel rijk visgebied maar in de tweede helft van de vorige eeuw heeft men dan zo overbevist dat men in 1992 uit noodzaak de visserij volledig heeft moeten stoppen, wat ook een sociale en economische ramp was want al die vissersgemeenschappen zijn onderuit gegaan.

Het is een voorbeeld van niet-duurzaamheid in alle aspecten. Twintig jaar nu al wordt er niet meer gevist, maar de kabeljauw komt niet terug. Het ecosysteem is onomkeerbaar om zeep geholpen, we hebben de oceaan daar zo fundamenteel veranderd dat ze de mens niet meer de diensten kan leveren die ze gedurende duizenden jaren wel heeft geleverd en dat zijn drama’s.  

Zou men offshore olie moeten verbieden, gezien dit grote risico en gezien het belang van de oceaan?

Jan Mees: Als voorzorgsprincipe zou ik daartoe geneigd zijn maar er is geen draagvlak voor. De drivers voor het ontginnen van die olie zijn zeer sterk. Het grote risico dat daaraan verbonden is, zou een goed argument moeten zijn om in versneld tempo te investeren in hernieuwbare energie. Men is volop aan het zoeken naar nieuwe vormen van blauwe energie, niet alleen off shore windenergie, ook golfenergie, getijdenenergie, energie uit mariene biomassa, osmotische energie ( waarbij gebruik gemaakt wordt van de verschillende ionensamenstelling tussen zout en zoet water). De zee is een heel dynamische omgeving, met eb en vloed en golven en stromen, allemaal bewegingen die omgezet kunnen worden in energie voor de mens.

De zee is een heel dynamische omgeving, met eb en vloed en golven en stromen, allemaal bewegingen die omgezet kunnen worden in energie.

Welke opportuniteiten ziet u nog in de oceanen?

Jan Mees: Ook de mariene of blauwe biotechnologie is een sector in volle ontwikkeling. Dat gaat dan over microben die speciale stoffen aanmaken maar ook sponzen, koralen en diepzeeorganismen.

Het leven in zee is heel sterk verschillend van het leven op land. De biodiversiteit is er uniek en zeer vreemd in vergelijking met wat we kennen op land. Dat betekent dat er in die zee ook heel vreemde moleculen te vinden zijn die heel verschillend zijn van wat er op land gevonden wordt.

Er is een enorme opportuniteit voor bio-prospectie: al die vreemde moleculen kan men screenen voor werkzame stoffen die men kan gebruiken in de menselijke geneeskunde. Of om te zoeken naar biomaterialen die  in die extreme omstandigheden in de diepzee gevormd worden en die we kunnen gebruiken voor toepassingen op land.

In de diepzee gebeuren zo’n onderzoeken met onderwaterrobots. Mariene wetenschappen zijn zeer interessant omdat de zee zo onvriendelijk is. Voor zo’n harde, extreem moeilijk toegankelijke omgeving worden er fantastische technologieën ontwikkeld om die zeeën te kunnen bestuderen en om alles wat er in zit te temmen. In het Engels heeft men het echt over harnassing.

We moeten technieken vinden om die ruimte bereikbaar en bruikbaar te maken. Het zijn schitterende verhalen die nu aan het gebeuren zijn, van onderwaterrobots die de diepzee verkennen. We hebben nog veel minder van de oceaanbodem gezien dan van de maan, omdat die zo moeilijk te bekijken is. De oceaanbodem is onder water, onzichtbaar en onder een heel hoge druk.

De oceaan bepaalt ons ecosysteem: het klimaat, het water, de zuurstof. Ons leven hangt ervan af. Hoe valt dit te rijmen met de oceaan als wingewest?

Jan Mees: De bescherming van de oceaan moet multilateraal gebeuren. Alleen al omwille van het grote belang van de oceaan moeten we haar beschouwen als een gemeenschappelijk goed en moeten we afspraken maken met alle landen om daar zorgvuldig mee om te gaan. Het kan dan gaan om het identificeren van zeer grote beschermde gebieden, een maatregel die je kan afspreken en die een heel belangrijke impact kan hebben.

Je kan afspreken dat we op de Hoge Zee niet meer gaan vissen of dat we in 90 procent van het gebied niet meer gaan vissen. Zelfs al vrijwaren we slechts 20 procent, dan kan dat van cruciaal belang zijn.  Ook voor de mijnbouw zal je grote delen moeten afschermen om als buffer te dienen. En elke lidstaat zou dit moeten doen voor zijn Exclusieve Economische Zone. Op dat vlak zijn we wel voortgang aan het maken.

Hebben wij in onze Noordzee zulke beschermde zones?

Jan Mees: In het marien ruimtelijk plan van België hebben wij beschermde zones, vooral aan de westkust; het gaat om zones met een speciaal statuut: sommige zijn vogelrichtlijngebieden, andere worden beschermd omwille van het specifieke onderzeese habitat. Vandaag zijn ook twee scheepswrakken beschermd. Maar er is geen zone die volledig beschermd is en waar niets mag. We hebben wel visserijvrije zones. Dat zijn concessies aan windboeren en die laten geen visserij toe. Dankzij de windmolens hebben we in België effectief een vrij grote visserijvrije zone, die interessant is om de biodiversiteit te versterken en visbestanden te bevorderen. We zijn daar ook bezig om dit te monitoren.

Dankzij de windmolens hebben we in België effectief een vrij grote visserijvrije zone die we monitoren. 

Daarnaast moeten we er ook voor zorgen dat er zo weinig mogelijk afval terecht komt in de zee. Op dat vlak zien we enorme vorderingen. Sinds de waterzuiveringsinstallaties is dit een succesverhaal geworden. Ik bestudeerde de Schelde toen ik begon te doctoreren, begin de jaren negentig.

Als je landinwaarts ging was die rivier dood vanaf de Belgisch-Nederlandse grens, omdat er geen zuurstof in was omwille van het organisch afval van grote steden zoals Brussel en omgeving dat daarin ongezuiverd terecht kwam. Nu is dat terug een propere rivier. En op verschillende plaatsen in de wereld hebben we voorbeelden dat dit werkt.

Men zal naar die oceaan moeten kijken als iets kwetsbaars, een levend ecosysteem waar we niet mee kunnen doen wat we willen. We hebben maar één oceaan, zoals we ook maar één planeet hebben.

Joe Dunckley (CC BY-NC-SA 2.0)

De landzijde zit vol en je ziet de interesse voor het blauwe groeien. Maricultuur, tien jaar geleden was daar amper sprake van.

Wat ziet u nog als een prioriteit voor de toekomst?

Jan Mees: De 21ste eeuw wordt de eeuw van de oceaan. De landzijde zit vol en je ziet de interesse voor het blauwe groeien. Maricultuur (viskweek op zee), mariene farmaceutica, diepzeemijnbouw: tien jaar geleden was daar amper sprake van.  De komende decennia zal men volop op de oceaan en de zee gaan inzetten, maar dat moet voorzichtig gebeuren. Daar is nog veel wetenschap voor nodig, zowel fundamentele als toegepaste. Er wonen ook heel veel mensen in kustgebieden die risicovol zijn met de klimaatopwarming. Dat moet gemonitord worden.

De 21ste eeuw wordt de eeuw van de oceaan. De landzijde zit vol en je ziet de interesse voor het blauwe groeien.

De komende tien jaar moeten we daarom werken aan een globaal observatiesysteem voor de oceaan. Er zijn vele losse componenten maar er is nog geen volwaardig gecoördineerd systeem. En daar zijn enorme winsten te boeken, niet alleen wetenschappelijk, maar ook economisch en sociaal.

Het kunnen voorspellen van het weer, maar ook om de activiteiten op zee veilig te laten verlopen, om kustbevolkingen te beschermen tegen rampen die samenhangen met de oceaan zoals tsunami’s, taifoens, overstromingen door de stijgende zeespiegel.

Dat is een werk van satellieten, meetboeien, schepen, kabels op de bodem van de oceaan, die gegevens kunnen registreren die in real time kunnen ter beschikking gesteld worden van mensen die modellen maken. Ook voor veilige scheepvaart is zo’n oceaanobservatiesysteem heel belangrijk. Dat moet uitgebreid worden met biologische waarnemingen: als er zich een toxische algenbloei ontwikkeld aan een kust, dat we dat kunnen voorspellen en de nodige maatregelen kunnen nemen, badplaatsen moeten gesloten worden, de oogst van schelpdieren moet opgeschort worden. Op Europees niveau proberen we dat al te realiseren.

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Latijns-Amerika & ecologie
    Alma De Walsche schrijft over ecologische thema’s, van klimaat- en energiebeleid, over landbouw- en voedsel tot transitie-initiatieven en baanbrekers. Ze volgt al enkele decennia Latijns-Amerika, met een speciale focus op de Andeslanden.