‘Gendergelijkheid als uitgangspunt nemen in alles wat je doet, is bijdragen aan een betere wereld’

Interview

In gesprek met Eunice Musiime, directeur van de Oegandese ngo Akina Mama wa Afrika

‘Gendergelijkheid als uitgangspunt nemen in alles wat je doet, is bijdragen aan een betere wereld’

‘Gendergelijkheid als uitgangspunt nemen in alles wat je doet, is bijdragen aan een betere wereld’
‘Gendergelijkheid als uitgangspunt nemen in alles wat je doet, is bijdragen aan een betere wereld’

Marc Broere / Vice Versa

08 oktober 2022

Akina Mama wa Afrika is een van de meest spraakmakende feministische organisaties op het Afrikaanse continent. Vrouwelijk leiderschap staat er centraal, in de meest brede zin. Want vrouwen moeten betrokken zijn bij het maken van beleid en bij de besluitvorming, meent directeur Eunice Musiime.

© Mark Williams Wasswa

Eunice Musiime, directeur van Akina Mama wa Afrika, is een van de meest spraakmakende feministische organisaties op het Afrikaanse continent.

© Mark Williams Wasswa

Akina Mama wa Afrika is een van de meest spraakmakende feministische organisaties op het Afrikaanse continent. Vrouwelijk leiderschap staat er centraal, in de meest brede zin. Vrouwen moeten betrokken zijn bij het maken van beleid en bij de besluitvorming, meent directeur Eunice Musiime. ‘Zo is ook de klimaatcrisis is een onderwerp waarin Afrikaanse stemmen en die van vrouwen in het bijzonder ondervertegenwoordigd zijn.’

Ontwikkelingswerk is moeilijk. Eunice Musiime slaakt een zucht. ‘Soms denk je dat je vooruitgang hebt geboekt,’ zegt ze, ‘en dan besef je dat het niet zo is. De pandemie was zo’n moment waarbij we ons realiseerden dat de progressie in een oogwenk kan worden weggespoeld. Neem het toenemende geweld tegen vrouwen en meisjes, toen covid-19 was uitgebroken. Hun huizen waren plotseling niet meer veilig. We dachten dat we verder waren in de afkeuring van geweld tegen vrouwen, maar toen liet corona ons een ander verhaal zien.’

‘Het virus gaf regeringen ook opnieuw de kans publieke ruimtes te beperken en journalisten en de oppositie tegen te werken. Of kijk naar een aantal landen waar we werken: Ethiopië, Tunesië, Soedan. Dat zijn allemaal landen waar een politieke crisis gaande is, wat het voor ons heel moeilijk maakt om plannen te maken.’

De 44-jarige juriste is directeur van Akina Mama wa Afrika, een van de meest spraakmakende feministische organisaties op het Afrikaanse continent. De organisatie werd in 1985 is opgericht met het doel om vrouwelijk leiderschap te versterken en een pan-Afrikaanse feministische beweging op te bouwen. ‘Als je met alles wat je doet – van het bestrijden van ongelijkheid tot aan de klimaatcrisis – gendergelijkheid als uitgangspunt neemt, dan kan je bijdragen aan een betere wereld.’

‘We zien de klimaatcrisis ook als een falen van het huidige economische systeem, dat dominant is in de wereld.’

Internationaal lopen bijgevolg verschillende partnerschappen met organisaties en overheden, onder meer in Nederland, met een brede focus. Gaande van dialoog, democratie en burgerschap tot seksuele of reproductieve gezondheid. ‘Als feministische organisatie hebben we ons altijd geconcentreerd op kwesties die nauw met lichamelijke autonomie samenhangen.’

Maar er is ook een nauwe samenwerking met het Wereld Natuur Fonds (WNF), de Nederlandse tak van het WWF. Daarmee beweegt Akina Mama wa Afrika zich op nieuw terrein, namelijk: het aanpakken van de klimaatcrisis. ‘We zijn ons meer gaan richten op zaken die met economische rechtvaardigheid te maken hebben’, zegt Musiime. ‘We kijken daarbij naar de grondoorzaken en zien de klimaatcrisis ook als een falen van het huidige economische systeem, dat dominant is in de wereld. De klimaatcrisis is ook een onderwerp waarin Afrikaanse stemmen en die van vrouwen in het bijzonder ondervertegenwoordigd zijn, dus voor ons ligt er ook een kans.’

© Mark Williams Wasswa

© Mark Williams Wasswa

Wat is jullie meerwaarde binnen dergelijke partnerschappen?

Eunice Musiime: Ons uitgangspunt is altijd de vrouw. Het gaat ons erom dat vrouwen betrokken zijn bij het maken van beleid en bij de besluitvorming. Wij brengen het feministisch perspectief naar voren, ongeacht het onderwerp van het strategisch partnerschap. Eigenlijk zouden al die partnerschappen een expliciet feministische organisatie aan boord moeten hebben.

Denkt u dat de rol van vrouwen anders over het hoofd wordt gezien?

Eunice Musiime: Absoluut. Als je naar de Klimaatconferentie van 2021 in Glasgow kijkt was #MissingVoices een van de belangrijkste hashtags. Het gaat altijd om ontbrekende stemmen. En wie zijn die ontbrekende stemmen? Dat zijn vrouwen, jongeren, non-binaire mensen en de lhbti+gemeenschap. Zij maken hoogstwaarschijnlijk geen deel uit van het gesprek.

Ik zie het ook hier, in Oeganda, met het landenkantoor van het NIMD (het Nederlands Instituut voor Meerpartijendemocratie, een non-profitorganisatie opgericht door Nederlandse politieke partijen, red.) dat al jaren de dialoog tussen de verschillende politieke partijen faciliteert. Het zijn nog steeds de mannen die de gesprekken samen voeren. Die mannelijke dominantie is zó verankerd en nog steeds ontzettend overheersend.

Wat vindt dat landenkantoor ervan dat jullie die feministische invalshoek op tafel leggen?

Eunice Musiime: (lacht) In het begin was het wel een beetje ongemakkelijk voor hen, dat we die structurele kwesties maar bleven aanvechten. Wat je snel als tegenargument hoort is dat vrouwen zich niet aanbieden om deel uit te maken van dat proces, of dat ze niet door de politieke partijen naar voren worden geschoven. Wij zeggen dan: wat heeft het NIMD er zélf aan gedaan om ervoor te zorgen dat het proces inclusiever wordt? En hoe gaan we ervoor zorgen dat andere stemmen ook deel uitmaken van de politieke dialoog?

Het is niet genoeg om te zeggen dat je vrouwen hebt uitgenodigd, maar dat ze niet zijn gekomen. Is er een omgeving gecreëerd waarin ze kunnen deelnemen? Dat is de vraag waar het om gaat.

Inmiddels is het NIMD begonnen met een dialoog tussen de vrouwenafdelingen van de verschillende partijen – dat vind ik een goede zaak. Op topniveau gaat het overleg nogal moeizaam, maar vrouwelijke politici van de uiteenlopende partijen blijken heel zinvolle en constructieve gesprekken met elkaar te kunnen voeren.

‘We komen dus met duidelijk feministische alternatieven om de klimaatcrisis te lijf te gaan.’.

Ook in het klimaatdebat is er een ondervertegenwoordiging van vrouwen en andere minderheden die vergelijkbaar is met die in de politieke ruimtes. Hoe zorg je ervoor dat vrouwen, jongeren en andere minderheidsgroepen onderdeel zijn van het gesprek? We brengen ook een feministische analyse van de klimaatcrisis in. Dan gaat het om het bewustzijn verhogen over hoe allerlei systemen van onderdrukking – zoals het kapitalisme en de uitputting en vervuiling van de aarde – samenkomen om zo deze crisis te creëren.

En we kijken naar multinationals die niet bereid zijn concessies te doen om de klimaatcrisis aan te pakken, waarvoor óók nationale actieplannen nodig zijn. Hoe zorg je ervoor dat die niet genderblind zijn? We komen dus met duidelijk feministische alternatieven om de klimaatcrisis te lijf te gaan.

Is er bij organisaties als het WNF ondersteuning voor zo’n feministische benadering?

Eunice Musiime: Vanuit het WNF hebben we in het begin best wat tegenwerking gehad. Het werkt veel met de private sector en ook met multinationals. Het WNF is er meestal voor om te zorgen dat de private sector een flink deel van de klimaatoplossingen uitmaakt, terwijl wij vinden dat publiek-private partnerschappen niet progressief genoeg zijn en de grondoorzaken van het probleem niet aanpakken. In het begin was het echt duwen en trekken in de samenwerking, maar we beginnen elkaar steeds beter te begrijpen en groeien ook in onze politieke vaardigheden om beter te kunnen onderhandelen.

‘Vrouwen uit inheemse gemeenschappen hebben veel te bieden wat kennis over adaptatie en mitigatie van klimaatproblemen betreft.’

Op wat voor manier botste het aanvankelijk?

Eunice Musiime: In het begin, toen we het programma van het strategisch partnerschap ontwierpen, ging de voorkeur van het WNF altijd uit naar de private sector als leverancier van de oplossing, terwijl wij als feministische organisatie maar bleven zeggen dat de oplossingen in de gemeenschappen liggen. De mensen dáár ondervinden de realiteit van de klimaatverandering in hun dagelijks leven en weten daarom ook wat de beste oplossingen voor hun specifieke situatie zijn.

Zo hebben vrouwen uit inheemse gemeenschappen veel te bieden wat kennis over adaptatie en mitigatie van klimaatproblemen betreft. Zij krijgen alleen zelden een plaats aan tafel om over oplossingen mee te praten. Ook jongeren moet je aan tafel hebben, omdat zij de gevolgen van de klimaatcrisis het meest gaan voelen.

Wij bleven ons verzetten tegen de natuurlijke reflex van het WNF dat de oplossingen door de private sector moesten worden aangedragen. Uiteindelijk zijn we tot een middenweg gekomen, waarin zowel de private sector als lokale gemeenschappen en jongeren in al hun diversiteit zijn meegenomen.

En eerlijk is eerlijk: inmiddels zijn wij ook gaan inzien dat de private sector in staat is om technologieën aan te bieden, te ontwikkelen en te innoveren die heel nuttig zullen zijn bij het aanpakken van de klimaatcrisis.

© Mark Williams Wasswa

© Mark Williams Wasswa

Ongelijk speelveld

Voor Musiime zijn de strategische partnerschappen een enorme stap vooruit, omdat ze veel verder gaan dan een traditionele relatie tussen donor en ontvanger. Het is een onderdeel van de “shift the power”-beweging, de roep om de machtsverhoudingen binnen de ontwikkelingssamenwerking te veranderen.

‘Je ziet dat noordelijke ngo’s zich nu aan het heroriënteren zijn en zichzelf ook kritische vragen stellen over diversiteit en inclusiviteit.’

‘Je kunt het vergelijken met quota om meer vrouwen in de top te krijgen’, zegt Musiime. Ze hoopt met Akina Mama wa Afrika bij een volgende subsidieronde op directe financiering van de Nederlandse overheid of om zelf penvoerder van een programma te worden. ‘We hebben veel geïnvesteerd in onze interne systemen en snappen ook de verantwoordingseisen die donoren stellen, omdat het om geld van de belastingbetaler gaat.’

Tegelijk benadrukt ze dat het speelveld nog steeds niet gelijk is. ‘De ambitie voor meer gelijkwaardigheid is er, maar de uitvoering is er nog steeds niet in lijn mee. We zien in ieder geval vooruitgang.’

Een aantal zaken hebben als katalysator gewerkt, stelt Musiime, zoals de #MeToo- en de Black Lives Matter-beweging, die ervoor heeft gezorgd dat het gesprek over racisme nu werkelijk wordt gevoerd – ook binnen de maatschappelijke organisaties. ‘Je ziet dat noordelijke ngo’s zich nu aan het heroriënteren zijn en zichzelf ook kritische vragen stellen over diversiteit en inclusiviteit.’

Pijnlijke incidenten waren er de afgelopen jaren, zoals bij Oxfam. In een dertig pagina’s tellend rapport uit 2019 stond dat de werkomgeving bij Oxfam volgens het personeel werd gekenmerkt door ‘racisme, koloniaal gedrag en pesterijen’. De beschuldigingen werden aan een onafhankelijke commissie geuit, die in de nasleep van het Haïti-schandaal in 2018 werd opgericht om de cultuur van de organisatie te beoordelen.

Oxfam werd beschuldigd van het verdoezelen van beweringen dat medewerkers vrouwelijke slachtoffers van de aardbeving in Haïti in 2010 seksueel hadden uitgebuit. Oxfam zei dat het rapport een ‘belangrijke stap’ was om ‘de onderliggende oorzaken van misbruik aan te [helpen] pakken’.

In mei 2020 brak er een rel uit rondom Women Deliver, een wereldwijde belangenbehartigingsorganisatie op het gebied van gendergelijkheid. Niet-witte (ex-)medewerkers traden naar buiten en zeiden te maken te hebben met structurele discriminatie op de werkvloer. Ze zeiden bovendien dat Women Deliver doordesemd was van een ‘white saviour-complex’. De rel leidde uiteindelijk tot het opstappen van de directeur.

‘Het is heel goed dat deze verhalen naar buiten zijn gekomen’, zegt Musiime. ‘Ze maken duidelijk dat je zelfs in de feministische beweging en bij ontwikkelingsorganisaties zaken hebt waarbij medewerkers van kleur worden gediscrimineerd en met racisme te maken hebben.’

Dergelijke berichten schokten Musiime evenwel niet. ‘Omdat de rode vlaggen en signalen er altijd al waren. Ik denk dat het zoiets is als bij Harvey Weinstein: bijna iedereen wist ervan, maar de verschillende verhalen waren nog niet bij elkaar gekomen. Dat geldt ook voor de twee organisaties die je noemt – we stelden altijd al wel vragen over hun praktijken, maar het was nog nooit op een collectieve en gestructureerde manier onderzocht en naar buiten gebracht.’

Een volgende stap binnen shift the power is ook dat lokale basisorganisaties uit het Zuiden makkelijker financiering krijgen voor hun werk. Nu vallen ze vaak uit de boot, vanwege de hoge eisen die door donoren aan protocollen en aan de interne organisatie worden gesteld.

Rachael Mwikali, een bekende feministische activiste uit Kenia, stelde eerder in Vice Versa dat donoren het heel normaal vinden voor 1500 euro per dag een dure consultant in te huren of salarissen met zes nullen te betalen, maar van basisorganisaties en activisten lijken te verwachten dat ze hun werk vrijwillig doen. ‘Daar moet echt meer aandacht voor komen’, vindt Eunice Musiime eveneens.

Via de partnerschappen die in Nederland lopen ziet ze daarin forse stappen gezet worden. Ze wijst op het Make Way-partnerschap, dat door de stichting Wemos wordt geleid. ‘De Circle of Concerned African Women Theologians neemt er ook aan deel. Qua registratie voldeed ze niet aan de criteria, maar we hebben toch doorgezet, om haar bij het partnerschap te laten aansluiten. Dat is – gelukkig – door de Nederlandse overheid geaccepteerd en dat is een grote stap vooruit.’

Musiime noemt nog een voorbeeld: ‘In de vorige ronde van de strategische partnerschappen ontvingen we financiering van Hivos (een Nederlandse ngo, red.). Ook toen waren er organisaties in Oeganda die niet het niveau van financiële draagkracht hadden dat Hivos vereiste, dus vroegen ze aan ons om het geld te ontvangen en verder te verspreiden. Dat ging onder meer om lhbti+organisaties. Zij kunnen zich vaak om veiligheidsoverwegingen al niet registreren, dus daar moet je heel creatief in zijn. Het is nodig om nieuwe manieren te vinden om kleine, activistische organisaties toch te kunnen ondersteunen, zonder al te veel eisen te stellen over een financieel systeem, want het kost nu eenmaal tijd om dat op te bouwen.’

En nog een voorbeeld: Akina Mama wa Afrika gaat samenwerken met een sociale beweging op het Keniaanse eiland Lamu. ‘Die heeft veel heeft gedaan tegen de overname van natuurlijke hulpbronnen door westerse multinationals. Maar het is een beweging, geen geregistreerde organisatie. Om deze beweging toch te kunnen ondersteunen, gaan we met een andere organisatie samenwerken die als het ware hun fiscale donor wordt. Zo kan de beweging toch het werk blijven doen zoals ze dat zelf wil doen, maar met slechts eenvoudig toezicht en eenvoudige verantwoordingseisen.’

Dit artikel verscheen eerder bij Vice Versa.