In gesprek met journaliste Sarah Vandoorne over haar boek ‘Kleerkastvasten’

‘Kopen we te vaak kledij die we eigenlijk niet nodig hebben?’

© Kofi Ahovi

Op reportagereis bezoekt Sarah een vuilnisbelt nabij Accra, de hoofdstad van Ghana. Ghana wordt overspoeld door tweedehandskledij, waarvan veel textiel uiteindelijk in de natuur of op dergelijke vuilnisbelten terechtkomt.

Tien jaar na Rana Plaza publiceert journaliste en fairfashionexperte Sarah Vandoorne het boek Kleerkastvasten. Daarin beschrijft ze haar wereldwijde zoektocht naar de processen, impact en verduurzaming van de kledingindustrie. Ze behandelt niet alleen milieuschade en arbeidersrechten, maar ook culturele toe-eigening en hoopgevende innovaties. ‘Van mij mag het systeem de schop op. Maar kan dat zomaar? En hoe dan?’

Maandag 24 april 2023 markeert de trieste tiende verjaardag van de ramp van Rana Plaza. In een buitenwijk van Dhaka, de hoofdstad van Bangladesh, stortte die dag de kledingfabriek in. Achteraf bleek de fabriek structureel onveilig gebouwd en overbevolkt te zijn. De gevaarlijke werkomstandigheden kostten aan meer dan 1000 arbeiders het leven.

Tegelijk schudde het incident de wereld wakker voor de mensonwaardige omstandigheden waarin arbeiders werken in de textielindustrie. Rana Plaza produceerde voor verschillende grote kledingmerken, waaronder Primark en Benetton, die weinig tot geen verantwoordelijkheid opnamen voor de tragedie. De verontwaardiging was toen groot, maar een decennium later domineert fast fashion de kledingsector meer dan ooit tevoren.

Naar aanleiding van deze herdenking publiceert journaliste en fair fashionexperte Sarah Vandoorne haar eerste boek Kleerkastvasten. De textielketen ontrafeld. De titel luidt een moment van bezinning in. Zo begint Vandoorne bij haar eigen kleerkast om stil te staan bij een sector die lijdt onder een eindeloze expansiedrang. De daarmee gepaarde overproductie en -consumptie zorgen niet alleen voor menselijke catastrofes, zoals Rana Plaza, maar werken ook milieurampen en de klimaatcrisis in de hand.

‘De sector vormt een kruispunt tussen natuurvervuiling en mensenrechtenschendingen.’

‘De sector vormt een kruispunt tussen natuurvervuiling en mensenrechtenschendingen, gaande van arbeids- tot vrouwenrechten. Die sociale en ecologische aspecten zijn niet alleen met elkaar verweven, maar werken elkaar ook vaak tegen’, vertelt Vandoorne.

© Niko Vandebos

Sarah Vandoorne tijdens het interview met MO* in Dok Noord, vroeger een industriële site in Gent.

De interesse van Vandoorne voor de kledingindustrie werd gewekt tijdens een stage bij MO*. Voormalig hoofdredacteur Gie Goris zette haar destijds aan om rond het thema te werken. Nu freelancet ze geregeld voor MO*, maar vandaag zetten we haar een keer aan de andere kant van het journalistieke gesprek.

Dat gesprek vindt plaats in het Gentse Dok Noord, een geherwaardeerde industriële site in Vandoornes thuisstad. Ook Gent heeft een rijke textielgeschiedenis, waarnaar de auteur regelmatig teruggrijpt in Kleerkastvasten.

Welke bevinding uit het boek heeft u, als fair fashionjournaliste en -experte, het meeste verrast?

Sarah Vandoorne: Dat vele arbeiders blij zijn dat ze tenminste kúnnen werken. Toen ik een eerste keer op reportagereis naar Bangladesh trok, verwachtte ik te horen wat voor kommer en kwel het voor de textielarbeiders is. Niets was minder waar. Bangladesh is een overbevolkt land met schaarse werkgelegenheid. Dat opende mijn ogen. Het toonde hoe belangrijk het is om met mensen zelf te spreken, op het terrein.

Voor overheden van textielproducerende landen in het Globale Zuiden is het cruciaal om de kledingeconomie daar te houden. In het verleden werd een land zoals Bangladesh in de richting van “economische ontwikkeling” geduwd. Daarvoor werd de textielindustrie naar voren geschoven als een interessante sector.

Die nuance vind ik enorm belangrijk. Een vaak voorkomende kritiek in Bangladesh is dat wanneer het land de lonen zou verhogen, de “race to the bottom” zou blijven gelden. Ah, Bangladesh is te duur? Dan verplaatst de industrie zich naar Myanmar, waar mensen onder een dictatuur leven. Of naar Ethiopië, waar de lonen een paar jaar geleden slechts een paar dollar per dag waren.

Is het dan eerder de verantwoordelijkheid van de kledingmerken om de sector eerlijker te maken?

Sarah Vandoorne: Ook merken gebruiken het argument dat er weinig zou veranderen als ze meer zouden betalen. Bangladesh scoort slecht op internationale corruptiestatistieken (De 2021 Corruption Perception Index van Transparency International rangschikt Bangladesh op plaats 147 van de 180 wanneer het gaat om transparantie. Van 2001 tot 2005 was het land zelfs het meest corrupt van de hele ranglijst, red.).

Volgens de kledingmerken zou arbeiders meer betalen daarom weinig verschil maken voor hun levensstandaard. Loonsverhogingen zouden bijvoorbeeld leiden tot stijgende huurprijzen, aangezien de mensen die de fabrieken beheren, ook vaak in het parlement zetelen en de gronden bezitten waarop de arbeiders wonen.

‘Kledingmerken hebben wel degelijk de macht om verandering te realiseren.’

Toch hebben merken, fabrikanten en overheden een gedeelde verantwoordelijkheid. Kledingmerken hebben wel degelijk de macht om verandering te realiseren. Ze kunnen beginnen met minder onredelijke hoeveelheden af te dwingen van hun fabrikanten. De hele sector is gebaseerd op volume en snelheid, wat textiel spotgoedkoop maakt. Sinds de opkomst van fast fashion slaat het systeem gewoon helemaal door.

Anderzijds zijn de aantallen in de bestellingen nog steeds niet op dezelfde hoogte als voor de coronapandemie. Daardoor kunnen arbeiders geen overuren meer werken. En die overuren vormen een belangrijk deel van hun loon, wat maakt dat ze nét kunnen rondkomen. Dat is een structureel probleem: overuren nodig hebben om te kunnen overleven. Dat klopt gewoon niet.

© Jef Van Hecken

In Bangladesh praat Sarah met Nulifar, een overlever van de Rana Plaza ramp.

Systeemverandering?

Kleerkastvasten verzamelt manieren om de kledingsector te verduurzamen, zowel op ecologisch als sociaal vlak. Toch blijken veel van die oplossingen een keerzijde te hebben. Door de eindeloze nuances zou de lezer haast tot de conclusie komen dat systeemverandering de enige echte oplossing is. Is dat ook uw boodschap met dit boek?

Sarah Vandoorne: Je moet je afvragen wat systeemverandering echt is en hoe je daar geraakt. Door alles eens neer te pennen, hoopte ik voor mezelf te verhelderen wat dé oplossingen echt zijn. Maar het lijkt nu ingewikkelder dan toen ik eraan begon. Het is allemaal complex en niet zo zwart-wit als ik initieel dacht.

‘Van mij mag het systeem de schop op. Maar kan dat zomaar? En hoe dan?’

Van mij mag het systeem de schop op. Maar kan dat zomaar? En hoe dan? Dat is een moeilijke vraag. Dit boek probeert kleine en grote alternatieven te vinden, maar ook kritisch te benaderen.

Niet alles is zo duurzaam als het lijkt. Je moet de vraag stellen hoe ver een oplossing reikt. De oplossingen die mij het meest aanspreken, zijn vaak de kleinere oplossingen. Maar dan kan je weer bedenkingen maken over de schaal en impact ervan.

Het boek bespreekt alternatieven zoals de circulaire economie, het relokaliseren van de textielindustrie of “degrowth”; een beweging die pleit dat economieën moeten krimpen in plaats van groeien om zo de druk op de planeet te ontlasten. Hoe ziet u de samenhang tussen deze denkpistes en de economische afhankelijkheid van textielarbeiders in het Globale Zuiden?

Sarah Vandoorne: Als je geeft om ongelijkheid, is het ook belangrijk dat mensen nog steeds een job hebben om zichzelf te onderhouden. Je merkt anderzijds wel dat economieën heel creatief kunnen zijn. In Ghana, bijvoorbeeld, worden de lokale textielbedrijven uit de markt geconcurreerd door de massale toestroom aan tweedehandskleren uit het buitenland. Toch proberen de Ghanezen creatief om te gaan met die tweedehandsindustrie en daar geld mee te verdienen.

Natuurlijk zijn mensen in het Globale Zuiden geen passieve slachtoffers, maar het gaat nog steeds over een afhankelijkheid die wij gecreëerd hebben vanuit het Westen. Het systeem is gewoon helemaal niet duurzaam.

Aangezien wij het systeem zo gecreëerd hebben, is het dan niet aan ons om het op te lossen?

Sarah Vandoorne: Hier kunnen we wetgeving doorvoeren, maar we kunnen andere landen daar niet toe verplichten. Als we vanuit Europa zeggen dat veel zaken niet meer mogen, hanteren we weer een typisch westerse blik om te kijken naar industrieën elders in de wereld. ‘Dit mag niet meer, dus los het maar op.’

In Bangladesh is in 2013 de fabriek Rana Plaza ingestort. Vlak na de ramp werd vanuit Amsterdam en Dhaka onderhandeld over een Veiligheidsakkoord, waarbij fabrieken die produceren voor westerse merken – die ervoor kozen om zich aan te sluiten bij de regeling – op een onafhankelijke manier gecontroleerd worden. Door vakbonden te betrekken als belanghebbenden, gaf dit systeem een stem aan de arbeiders.

Oorspronkelijk was het een internationale vijfjarige overeenkomst tussen kledingmerken, fabrieken en belangenorganisaties. In 2019 werd de regeling verlengd en uiteindelijk overgenomen door de overheid van Bangladesh. Die beheersovername was altijd al de bedoeling geweest, maar het proces ging te snel en volgens het middenveld was de overheid er niet klaar voor. Zo zou het de middelen niet hebben om de verantwoordelijkheden van het akkoord na te komen, zoals de controles van de fabrieken of de opvolging van arbeidersklachten.

Sinds het land het beheer op zich nam, wil Bangladesh echter dat het Westen zich helemaal niet meer bemoeit met de Veiligheidsregeling. Want dat is “neokoloniaal”. Hoewel dat een drogreden kan zijn, opent het een belangrijke discussie. Moeten en kunnen we vanuit Europa alle problemen oplossen die we gecreëerd hebben?

Jaber Al Nahian/Flickr/CC BY-SA 2.0

Op 24 april 2013 stortte de kledingfabriek Rana Plaza in in Bangladesh. 1134 mensen kwamen om het leven.

Hoewel het boek focust op de productiekant, benadert u tegelijkertijd ook de lezer als consument. Hoe ziet u de balans tussen beiden op vlak van verantwoordelijkheid?

Sarah Vandoorne: Iedereen moet zich inzetten, maar het probleem is dat het systeem zodanig doorgeslagen is dat je als consument amper nog weet wat wel of niet oké is. Het hele duurzaamheidsdiscours wordt misbruikt. Zowel de merken als de fabrikanten weten dat we daar belang aan hechten. (Vandoorne verwijst hiermee naar de term greenwashing, een misleidende tactiek die bedrijven gebruiken om zich duurzamer voor te doen dan ze echt zijn, red.)

Een voorbeeld zijn de grote e-commerceplatformen die de optie creëerden om gratis pakketjes terug te sturen. Nu blijkt dat ze daar geen winst mee boeken. Het stopzetten van de gratis retours is echter moeilijk omdat iedereen gewend is geraakt aan die luxe. In de plaats focussen de bedrijven met hun communicatie op het ontmoedigen van hun klanten om de optie te gebruiken. Ze gaan hen bijna een schuldgevoel aanpraten door te wijzen op hun eigen verantwoordelijkheid als consument.

Maar het kan moeilijk gaan over individuele verantwoordelijkheid wanneer het systeem zelf verkeerd in elkaar zit. We besteden steeds meer aandacht aan duurzaamheid, maar vaak op een manier die ons als consument met een schuldgevoel opzadelt. Duurzaamheid benaderen vanuit een negatieve ingesteldheid, werkt niet. Als we enkel op basis van schuldgevoelens handelen, geraken we nergens.

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws

Tweedehands = duurzaam?

Wat is uw visie op de tweedehandscultuur die recent razendsnel populair is geworden? Is dat dan wel duurzaam?

Sarah Vandoorne: Op zich is het een heel goede evolutie dat tweedehands populairder is dan ooit. Maar kopen we niet vaak dingen die we eigenlijk niet nodig hebben? Omdat we tweedehands als duurzaam beschouwen, is het opeens wel oké om te blijven consumeren. Momenteel gaan we om met tweedehands alsof het fast fashion is. We behandelen onze kleren nog steeds als wegwerpkledij.

‘Momenteel gaan we om met tweedehands alsof het fast fashion is.’

Als we kleren niet meer dragen, kunnen we ze doneren. Maar weten waar je je oude kledij best doneert, is al lastig op zich. Hoewel het aanvoelt als een goede daad, blijft een groot deel van die kleren niet eens in België. Het sorteerproces maakt een onderscheid tussen een winter- en zomercollectie, die respectievelijk naar Oost-Europa en het Globale Zuiden gaan. Daarna worden ze doorverkocht van opkoper naar opkoper, waardoor het hele proces alles behalve transparant is.

Een groot deel gaat dus naar het Globale Zuiden. Daar treedt oververzadiging op van tweedehandskleren op de lokale markt. In Ghana wonen ongeveer 30 miljoen mensen, terwijl er om de twee weken zo’n 30 miljoen kledingstukken het land binnenkomen. We verschepen onze kleren naar afgelegen plekken, waar minder recyclagefaciliteiten zijn dan bij ons.

Neil Palmer/Flickr/CC BY-NC-ND 2.0

Een rivier vervuild met textielafval in Bangladesh. De kledingindustrie is niet alleen berucht door de slechte werkomstandigheden van textielarbeiders, maar ook door milieuschade.

Uiteindelijk komt dat textiel in de waterlopen terecht, waarna het afzakt naar de zeeën. Vervolgens spoelt het terug aan en vervuilt het de stranden. Aangezien twee derde van onze kledij tegenwoordig van polyester – in essentie plastic – gemaakt is, zorgt dat ook voor een gigantische hoeveelheid microplastics die terechtkomen in de oceanen. De impact op onze ecosystemen is ongezien.

U stelde eerder vast dat u, ondanks al uw kennis over de sector, dé oplossingen nu nog minder duidelijk vindt dan voordien. Waarom heeft u Kleerkastvasten geschreven? Is het een soort spreekbuis voor de mensen die lijden onder de kledingindustrie?

Sarah Vandoorne: Spreekbuis zijn lijkt me wat te veel verantwoordelijkheid. Dat hangt voor mij samen met dat slachtofferschap waar ik van weg wil blijven.

Als witte persoon viel ik bovendien enorm op in landen zoals India en Bangladesh. Ik kreeg een beperkt beeld van de situatie omdat ik enkel toegang kreeg tot de fabrieken waar ze me toelieten. In de slechtste plekken geraak je niet zomaar binnen. Ben ik dan een spreekbuis of ga ik eerder de problemen aanklagen vanuit mijn positie, vanuit wat ik wel gezien heb?

© Uitgeverij Vrijdag, 2023

De cover van het boek “Kleerkastvasten. De textielketen ontrafeld.”

Nuance brengen, dat vind ik belangrijk. Mensen informeren, inspireren, mee op reis nemen. Dat zijn mijn hoofddoelen met dit boek. Kleerkastvasten is geen langgerekte ‘ge moogt niet’ naar de lezer toe, want volgens mij werkt die aanpak niet om consumptie te ontmoedigen.

“Kleerkastvasten. De textielketen ontrafeld.” verschijnt bij Uitgeverij Vrijdag en is beschikbaar vanaf 19 april. Op 25 april stelt Sarah Vandoorne haar boek persoonlijk voor in het Industriemuseum Gent.

 

Maak MO* mee mogelijk.

Word proMO* net als 2851   andere lezers en maak MO* mee mogelijk. Zo blijven al onze verhalen gratis online beschikbaar voor iédereen.

Ik word proMO*    Ik doe liever een gift