Jan Eliasson: 'Goedkope aanpak conflicten? Voorkom ze!'

Zaterdaginterview

De nummer twee van de Verenigde Naties, Jan Eliasson, was de voorbije week in Brussel. Hij beantwoordt vragen over Syrië, millenniumdoelen en de manier waarop de VN conflicten aanpakken.

(c) UNRIC

‘We kunnen de buitenwereld niet langer als een extern probleem beschouwen.’

Jan Eliasson is in geboren in Zweden, in 1940. Sinds 2012 is hij plaatsvervangend secretaris-generaal van de Verenigde Naties. Daarvoor had hij een lange diplomatieke carrière, waarin hij Zweeds ambassadeur en gedurende maanden zelfs minister van Buitenlandse Zaken was. Voor de VN was hij onder andere Speciaal Gezant in Darfoer en bemiddelaar voor de Irak-Iran oorlog en in de Balkan. Voor de OVSE was hij bemiddelaar in in Nagorno-Karabach.

Op het einde van zijn bezoek aan Brussel, waarbij hij zowel Belgisch minister voor Ontwikkelingssamenwerking De Croo als verschillende leden van de Europese Commissie ontmoette, sprak Eliasson met een selecte groep journalisten. Hieronder volgt een neerslag van dat gesprek.

Ontwikkeling centraal

Eliasson begon de ontmoeting met de vaststelling dat 2015 een erg belangrijk jaar is voor ontwikkeling, met de afwikkeling van de Millennium Ontwikkelingsdoelen (MDG’s), de septembertop met het afkondigen van een ontwikkelingskader voor na 2015 en de Klimaattop in Parijs in december. ‘2015 is als een problematisch jaar gestart, maar zou toch nog een jaar van hoop kunnen worden, als de juiste keuzes gemaakt worden op het vlak van ontwikkeling.’

De Deense minister van Ontwikkelingssamenwerking heeft de MDG’s genomineerd voor de Nobelprijs voor Vrede. Een goed idee?

Jan Eliasson: Toen de MDG’s in 2000 gelanceerd werden, hadden we er eigenlijk eerder bescheiden verwachingen over. Maar als je ziet welke energie en aandacht ze in de voorbije vijftien jaar gegenereerd hebben, en welke impact ze kregen op nationale beleidsplannen in het Zuiden, dan kan je niet anders dan vaststellen dat ze een echt succes geweest zijn. Een Nobelprijs zou dan ook geen slecht idee zijn, al wil ik me zeker niet bemoeien met het werk van het Noorse comité –ook al komt het geld voor de Nobelprijs voor Vrede van Zweden. Grapje.

De Duurzame Ontwikkelingsdoelen (SDG’s) die nu onderhandeld worden, moeten opnieuw zichtbaar worden in nationale ontwikkelingsplannen.

Hoe verklaart u dat onverwachte succes van de MDG’s?

Jan Eliasson: Ik denk dat de MDG’s het voordeel hadden van duidelijkheid en meetbaarheid. Dat betekent niet dat de MDG’s geen tekorten hadden. Wat bijvoorbeeld niet zichtbaar gemaakt wordt door de ontwikkelingsambitie op te splitsen in afzondere doelen, is net de noodzakelijke onderlinge afhankelijkheid. Betere sanitaire voorzieningen leiden tot betere gezondheid en minder kinder- en moedersterfte, wat de kansen op onderwijs verhoogt, met name voor meisjes, en het risico op armoede vermindert…

Het moet de ambitie zijn van de Duurzame Ontwikkelingsdoelen (SDG’s) die nu onderhandeld worden dat ze opnieuw zichtbaar zouden worden in nationale ontwikkelingsplannen.

Al vrezen waarnemers dat de nieuwe doelen minder helder en minder meetbaar zullen zijn.

Jan Eliasson: Dat moet nog duidelijk worden in de komende maanden. De fundamentele uitdaging is in elk geval om nieuwe doelstellingen te formuleren die even mobiliserend werken als de vorige. Samen met de secretaris-generaal en enkele anderen schreef ik een syntheserapport waarin we zes punten identificeren waarover de ontwikkelingsdoelen moeten gaan.

[In het rapport lezen we: (a) dignity: to end poverty and fight inequality; (b) people: to ensure healthy lives, knowledge and the inclusion of women and children; (c) prosperity: to grow a strong, inclusive and transformative economy; (d) planet: to protect our ecosystems for all societies and our children; e) justice: promote safe and peaceful societies and strong institutions; (f) partnership: to catalyse global solidarity for sustainable development.]

Het is ook belangrijk dat de onderhandelingen over het toekomstige denk- en werkkader voor ontwikkeling niet enkel besproken wordt in de besloten kaders van hoge vertegenwoordigers. Het gesprek moet op straat gebeuren, overal ter wereld.

Grotere rol voor mensenrechten

Jan Eliasson: De VN hebben ervoor gekozen om mensenrechten en de rechtsstaat veel meer centraal te stellen in ons werk. We zien schendingen van mensenrechten ook steeds meer als het eerste signaal van zich ontwikkelende conflicten. We moeten leren tijdig reageren, in plaats van na de feiten telkens weer hetzelfde “nooit meer” te herhalen. Dat dreigt een voorspelbare formule te worden. Want elke keer dat we “nooit meer” moeten zeggen, hebben we gefaald om geweld te voorkomen. Zoals in Syrië, bijvoorbeeld.

De Libanese regering heeft onlangs nieuwe beperkingen en visumverplichtingen ingevoerd voor vluchtelingen uit Syrië. Hoe reageert u daarop?

Er leven vandaag ongeveer 1,5 miljoen Syriërs in Libanon, op een bevolking van 4,5 miljoen Libanezen.

Jan Eliasson: Ik was net nog in een school in Beiroet, waar meer Syrische kinderen waren dan Libanese. Er leven vandaag ongeveer 1,5 miljoen Syriërs in Libanon, op een bevolking van 4,5 miljoen Libanezen. Dat is enorm. Dat legt niet alleen een heel grote druk op de opvangcapaciteiten van de VN, maar vooral op de plaatselijke gemeenschapen en hun infrastructuur zoals scholen, ziekenhuizen, arbeidsmarkt. Wat de Libanese autoriteiten en bevolking doen, is dan ook bewonderingswaardig. Het lijkt me dan ook moeilijk om vanuit Europa meteen te reageren op de beperkende maatregelen die nu genomen worden. Ik vertrouw erop dat Libanon zijn verplichtingen en engagementen zal naleven.

Moet de EU meer doen voor de regio, zoals meer Syrische vluchtelingen opnemen en zich duideljker uitspreken over het geweld tegen Gaza?

Jan Eliasson: De EU behoudt, ondanks de financiële en economische crisis, een heel open houding wat betreft internationale samenwerking. Dat vind ik erg belangrijk. Het is niet aan de VN om de Europese landen te vertellen hoe ze met migratie moeten omgaan, zeker in een periode waarin dat voor de binnenlandse politiek zo gevoelig ligt. Er is een grote nood aan solidariteit, maar we begrijpen ook de beperkingen die daaraan opgelegd worden vanuit nationale overwegingen.

Als de actuele situatie met zijn vele, gewelddadige crisissen en hun grensoverschrijdende gevolgen één zaak duidelijk maakt, dan is het wel dat we in een gemondialiseerde wereld leven. Zweden, mijn vaderland, is deel van de wereld, maar de wereld maakt intussen ook deel uit van Zweden. En dat geldt voor alle landen. We kunnen de buitenwereld dus niet langer als een extern probleem beschouwen. Dat stelt het Europese politieke en maatschappeljke handelen voor een grote opgave.

Zweden is deel van de wereld, maar de wereld maakt intussen ook deel uit van Zweden.

Hoe zorgen de VN ervoor dat ze hulp kunnen bieden aan iedereen in Syrië en Irak, landen waar het grondgebied niet meer helemaal onder de controle van de regering is?

Jan Eliasson: Het is inderdaad een opdracht van groot belang dat de VN alle burger helpen, zowel in gebieden onder overheidscontrole als onder de controle van opstandelingen. Dat is in overeenstemming met het VN Handvest dat opent met de woorden: We, the peoples. Als we vergeten dat het de volkeren zijn die centraal staan in onze opdracht, komen we in de problemen.

We hadden onlangs in de Veiligheidsraad nog een groot debat over toegang tot getroffen bevolkingen, en dat stoort me eigenlijk want de antwoorden op dat debat zijn al lang geleden gegeven door de fundamentele humanitaire wet. We hebben behoefte aan een veel sterkere resolutie die onderhandelaars als Kofi Annan of Lakhdar Brahimi de diplomatieke spierkracht zou verschaffen om een oplossing door te drukken.

Spreken de VN daar ook over met de Islamitische Staat?

Jan Eliasson: We zijn niet rechtstreeks in dialoog met hen, maar proberen wel de bevolking in nood te helpen. Dat heeft ook betrekking op bijvoorbeeld de 1,8 miljoen Irakezen uit Noord-Irak, grotendeels religieuze of andere minderheden, die binnen het land zelf op de vlucht gegaan zijn voor de acties van IS. Daarvoor hebben we trouwens veel meer middelen nodig dan we vandaag ter beschikking hebben. Binnen het gebied onder controle van IS is het heel gevaarlijk werken en ik kan niets zeggen over wie daar eventueel werkt.

Preventie en nazorg conflicten

Jan Eliasson: We willen fundamenteler nadenken over de vraag hoe we conflicten beter en tijdiger kunnen aanpakken. Als je een conflict voorstelt als een lijn, dan zien wij er meestal enkel het middelste deel van. Vanaf het moment dat de camera’s arriveren tot ze weer vertrekken of tot er een akkoord gesloten wordt. Maar de wereld zou veel meer moeten inzetten op preventie en post-conflict begeleiding.

(c) UNRIC

‘Als de nazorg van een conflict verwaarloosd wordt, dreigt het land terug te vallen in een nieuwe pre-conflictfase’

De aanloop naar en de afloop van een gewelddadig conflict zijn eigenlijk de belangrijkste onderdelen uit de levenscyclus van elk conflict. Tijdens die aanloop zien we vaak een opvallende stijging van de schendingen van mensenrechten. Dat zou ons alert moeten maken en aanzetten tot tijdige actie.

En als een conflict formeel beëindigd wordt, is er veel nazorg nodig. Zoals je van een patiënt die een driedubbele overbrugging gekregen heeft niet verwacht dat die meteen de volgende ochtend opnieuw aan het werk gaat, zo moeten we niet verwachten dat een land na een gewelddadig conflict meteen terugkeert naar democratie en rechtsorde. Waar die nazorg verwaarloosd wordt, dreigt het land terug te vallen in een nieuwe pre-conflictfase.

Als we te lang wachten om te handelen of we vertrekken te snel, betalen we een enorme prijs voor het negeren van de minder zichtbare fases van een conflict. Vredeshandhaving is heel erg duur, zowel in mensenlevens als in financiële middelen.

Conflictpreventie en –beheersing moet vandag in een regionaal perspectief bekeken worden, in plaats van het altijd te beperken tot zijn nationale grenzen.

Ik had een lang en vruchtbaar gesprek met mevrouw Mogherini [de Hoge Vertegenwoordiger voor Buitenlands Beleid van de EU] over de noodzaak om conflictpreventie en –beheersing in een regionaal perspectief te plaatsen, in plaats van het altijd te beperken tot zijn nationale grenzen. Je kan niet spreken over de Syrische burgeroorlog zonder het ook te hebben over de situatie in Irak en Libanon. Om het conflict in Darfoer aan te pakken, moesten we ook praten met Tsjaad, Libië, Eritrea en Egypte. De oorlog in de Democratische Republiek Congo werd pas echt bespreek-en handelbaar toen de buurlanden mee aan tafel kwamen zitten en deel werden van het strategische kader waarin een aanpak gerealiseerd kon worden.

Landen staan onder budgettaire druk. Moeten ze vooral in ontwikkeling investeren of in conflictpreventie of –beheersing?

Jan Eliasson: Vrede is onmogelijk zonder ontwikkeling, en ontwikkeling maakt geen kans als er geen vrede is. En vrede noch ontwikkeling zijn mogelijk zonder respect voor mensenrechten en rechtsstaat. Toen ik in Darfoer actief was als VN-bemiddelaar, stelde ik vast dat de eerste vraag van inwoners van dorpen die aangevallen waren vaak bestond uit sociele verwachtingen: het schoonmaken van de waterput, het ter beschikking stellen van een verpleegster, een vroedvrouw of een lokale gezondheidspost, het creëren van werkgelegenheid…

Over regionale aanpak gesproken. Zullen de VN een grotere rol gaan spelen in Afghanistan na de sterke reductie van westerse troepen en middelen in dat land?

Jan Eliasson: De VN staan klaar om hun verantwoordelijkheid op te nemen. Als hoofd van de post-2014 werkgroep voor Afhanistan heb ik dan ook duidelijk kunnen maken aan de Afghaanse overheid dat wij bereid zijn om te helpen waar we nodig zijn: mensenrechten, ontwikkeling, humanitaire hulp, politieke processen, … Het is aan de nieuwe regering om te beslissen waar wij ons moeten inzetten.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2916   proMO*’s steunen ons vandaag al. We hopen 2021 te kunnen starten met 3000 proMO*‘s, word jij er één van?

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur