Geert Buelens en Olivia U. Rutazibwa over de mondiale jaren zestig

De les van de jaren zestig: ‘Je moet niet alleen radicale ideeën hebben, maar ook effectieve strategieën’

© Brecht Goris

 

Iedereen heeft de voorbije maand zijn of haar zegje gedaan over de magische meimaand van vijftig jaar geleden of over het hele decennium dat die maand voortbracht. Geert Buelens schreef er een vuistdik boek over: De jaren zestig. Een cultuurgeschiedenis. Daarin kijkt hij niet alleen naar Leuven, Parijs en San Francisco, maar passeren Cuba, Congo en China evenzeer de revue. Buelens ging daarover in gesprek met Olivia Rutazibwa, die een stuk jonger is dan het jarige jaar, maar zich wel heel fundamenteel thuis voelt in de cultuur van vijftig jaar geleden. We ontmoeten elkaar in het royale stationsbuffet van Antwerpen: Rutazibwa is overgekomen uit haar Engelse woonplaats, de universiteitsstad Portsmouth, en Buelens uit Utrecht, waar hij doceert.

We beginnen het gesprek, alle mondiale intenties ten spijt, toch met de onontkoombare vaststelling dat de Verenigde Staten in de jaren zestig het culturele centrum van de wereld waren. Het was een uitgesproken wit decennium, maar de zwarte iconen bepalen vandaag het beeld dat wij van de jaren zestig hebben: van Martin Luther King tot Malcolm X, van Miriam Makeba tot Sidney Poitier en James Brown.

Geert Buelens: Miriam Makeba was toch op de eerste plaats de exotische uitzondering, die het in de VS kon maken dankzij Harry Belafonte en Sidney Poitier. Tot ze een relatie begint met de radicale Black Power-activist Stokely Carmichael. Van dan af wordt ze politieker en wordt ze geassocieerd met gevaar, en dus is ze nauwelijks nog op Amerikaanse of Europese radiozenders te horen. Wie kent haar song over Lumumba? Trouwens, de culturele segregatie in de VS was toen nog zo groot dat de meerderheid van de witte bevolking geen idee had wie zwarte supersterren als James Brown en Otis Redding waren. Heel veel zwarte jazzmuzikanten waren dan ook populairder in Europa dan in de VS, en niet weinigen kwamen in Parijs wonen.

Dat bevestigde de West-Europeanen in hun overtuiging dat racisme een probleem was van de zuidelijke staten van de VS, niet van ons. Tegelijk doodde de Parijse politie in 1961 in twee maanden meer dan 120 Algerijnse demonstranten. ‘Overheidsgeweld op een schaal twee keer zo dodelijk als dat in Sharpeville het jaar ervoor’, schrijft Geert Buelens daarover. En: ‘het resultaat van diepgeworteld racisme, en de bijna-zekerheid dat je als witte agent met zulke geweldpleging wel weg zou komen. Dat gevoel werd die avond [van 17 oktober 1961] nog versterkt door de reacties van witte omstanders en passanten – buschauffeurs en passagiers stapten uit om de politie te helpen lijken van Algerijnse slachtoffers in de Seine te gooien.’

© Brecht Goris

 

Olivia Rutazibwa: Toen ik las hoe mensen als Malcolm X of James Baldwin opgelucht waren als ze in Europa aankwamen, en voor de eerste keer niet het gewicht van het voortdurende racisme voelden, dacht ik: hoe is dat mogelijk?

Olivia Rutazibwa: Toen ik las hoe mensen als Malcolm X of James Baldwin opgelucht waren als ze in Europa aankwamen, en voor de eerste keer niet het gewicht van het voortdurende racisme voelden, dacht ik: hoe is dat mogelijk? Want voor mij is dat precies andersom. Ik begrijp het nu zo: wat je het intiemst kent, is tegelijk het gewelddadigste. Als je elders bent, is racisme niet zo persoonlijk beledigend. Je bént op dat moment de facto een buitenstaander, een vreemdeling. Maar thuis ben je dat niet. En aan de andere kant is het voor de progressieve elite altijd makkelijker om hun ruimdenkendheid en tolerantie te etaleren tegenover mensen die niet uit de minderheidsgroepen van hun eigen samenleving komen.

Geert Buelens: Het is ongelooflijk pijnlijk dat niemand toen opmerkte dat de adoratie voor zwarte muzikanten in Parijs frontaal botste met de Franse omgang met Algerije en de Algerijnen. De Franse reactie op de Algerijnse vrijheidsstrijd is één lang verhaal van transgressie en massaal geweld, en toch leefden we letterlijk in de overtuiging van witte onschuld. Het probleem lag niet bij ons, maar elders. Europese landen waren tot begin jaren zestig koloniale machten, maar daarover werd geen rekenschap afgelegd.

De jaren zestig werden voor een goed deel bepaald door de onafhankelijkheidsbeweging in Afrika. De manier waarop die pas onafhankelijke staten hun samenlevingen en economieën probeerden te dekoloniseren, daarvan weten we vandaag bijna niets meer.

Olivia Rutazibwa: De eerste reden daarvoor is natuurlijk dat die hard bevochten onafhankelijkheid maar tot een heel gedeeltelijke dekolonisering geleid heeft, die vanuit het Westen dan nog actief tegengewerkt werd. Bovendien is een cruciaal kenmerk van de koloniale kennisproductie dat alle verhalen over de koloniale machtsverhoudingen uit elkaar worden gehouden, terwijl het juist de samenhang is die inzicht geeft. Het verhaal van Parijs, met zijn zwarte jazzmuzikanten en Algerijnse slachtoffers, illustreert dat perfect. De belangrijke bijdrage van schrijvers als Franz Fanon en James Baldwin, of van initiatieven als de Bandungconferentie in 1955, was dan ook dat ze de eindjes wél aan elkaar knoopten. Alleen: dat ideeëngoed heeft het moeten afleggen tegen de neokoloniale machtsrealiteit. Het panafrikanisme verloor het van de neokoloniale natiestaten, die zowel de Europese centra als de nieuwe elites dienden.

Wat Geert omschrijft als: ‘Op zovele vlakken zouden de Afrikaanse instituties gebaseerd blijven op hoe de westerse mogendheden die hadden ontworpen. Baas in eigen huis kwam dus in het beste geval neer op Baas in het huis dat de eertijdse Meester had gebouwd.’

© Brecht Goris

 

Geert Buelens: Je mag niet vergeten dat in die periode de Koude-Oorlogslogica heel dwingend was. Er was nauwelijks speelruimte voor die nieuwe onafhankelijke staten om een eigen koers uit te zetten of vol te houden. 

Geert Buelens: Je mag niet vergeten dat in die periode de Koude-Oorlogslogica heel dwingend was. Er was nauwelijks speelruimte voor die nieuwe onafhankelijke staten om een eigen koers uit te zetten of vol te houden. Om een nieuwe staat op te bouwen waren geld en middelen nodig. En die waren strak gebonden aan loyaliteit aan het Oostblok of het Westen.

In het Westen wordt het culturele panafrikanisme, in de vorm van de négritude, breed uitgedragen omdat het cultureel én conservatief is. Paris Match besteedde in 1966 zelfs een speciale bijlage aan het Premier Festival mondial des arts nègres, dat in Dakar werd gehouden onder auspiciën van president Senghor. Dat festival en de hele beweging eromheen is in ’66 al erg controversieel, ook in de zwarte wereld. In 1969 krijg je dan ook een compleet tegengesteld festival in Algiers, waar de nadruk lag op de zwarte bevrijdingsstrijd, waar de radicale zwarte Amerikaanse kopstukken van de Black Panthers aanwezig waren, net als de bevrijdingsbewegingen uit zuidelijk Afrika. Algiers was daardoor ook al veel minder francofoon dan Dakar. Over dit festival krijg je bijzonder weinig berichtgeving in Europa.

© Brecht Goris

 

Olivia Rutazibwa: Wat opnieuw bevestigt dat mensen, gebeurtenissen en bewegingen die gezien worden als een gevaar voor de status-quo uit het verhaal geschrapt worden. Vandaag zien we die Black Panthers en bevrijdingsbewegingen als positieve krachten uit de geschiedenis, toen waren ze te radicaal voor woorden. Dat zou ons ertoe moeten aanzetten om ook vandaag stil te staan bij de vraag wie en wat we te bedreigend vinden voor de status-quo, en waar die stemmen te vinden zijn. Zoals we de “onafhankelijkheid” van de jaren zestig heel zorgvuldig moeten definiëren aan de hand van de reële machtsverhoudingen en blijvende controle vanuit de Europese hoofdsteden, zo moeten we vandaag gelijkheid heel omzichtig hanteren als een begrip dat meer kan verbergen dan verduidelijken.

De huidige dekoloniseringsbeweging in het Westen keert ook terug naar de vraag hoe je het systeem zelf moet bevragen en veranderen, in plaats van te vechten voor een plaatsje binnen een verdrukkend systeem. In die zin moet je ook het falen van de dekolonisering in een juist perspectief zetten. Bedoelen we daarmee dat de onafhankelijke staten er niet in geslaagd zijn een plek te veroveren in een door het Westen gedomineerd wereldsysteem? Of dat de onafhankelijkheidsbeweging er niet in geslaagd is dat wereldsysteem op te blazen?

Want wat is falen en wat is succes? Als het succes van Europa gebouwd is op onder andere de slavenhandel, dan weet je meteen dat niet iedereen die weg naar succes kan of mag bewandelen.

In De jaren zestig ruimt Geert heel wat plaats in voor Cuba, China, Indonesië, de Afrikaanse onafhankelijkheid – kortom: ‘Het licht kwam in de jaren zestig zelden uit het Westen’, schrijf je op blz. 103.

Geert Buelens: Ik denk dat je “de jaren zestig” heel goed kan laten beginnen met de Cubaanse revolutie in 1958. Die prille uitdaging van de Amerikaanse macht doet de VS in een kramp schieten waar ze nooit meer uit geraakt zijn. 

Geert Buelens: Ik denk dat je “de jaren zestig” heel goed kan laten beginnen met de Cubaanse revolutie in 1958. Die prille uitdaging van de Amerikaanse macht doet de VS in een kramp schieten waar ze nooit meer uit geraakt zijn. De mislukte Varkensbaai-invasie, een eindeloze serie aanslagen op Fidel Castro, de blokkade. En hoe meer de VS Cuba probeerden te dwarsbomen, hoe aantrekkelijker het land en het model werden in de rest van de Derde Wereld en zeker in Latijns-Amerika. Ook Indonesië toont hoe ver de Verenigde Staten in de jaren zestig wilden gaan om hun heerschappij te vestigen of te behouden, kijk maar naar de genocide op communisten in Indonesië. Wat deze landen ons alvast leren is dat de Koude Oorlog van de jaren zestig alleen in het Noorden “koud” was. Vraag maar eens aan de Vietnamezen hoe warm het er toen aan toeging. Aan de andere kant was de Sovjetunie al even doortastend en gewelddadig als het erom ging de wereld in twee kampen te verdelen. Er was met andere woorden geen ruimte voor een ongebonden weg.

Olivia Rutazibwa: We zien nu opnieuw heel veel aandacht voor die vroege beweging van ongebonden landen en voor de Conferentie van Bandung in Indonesië, waar leiders als de Indonesiër Soekarno, de Egyptenaar Nasser, Nehru uit India en Nkhruma uit Ghana samenkwamen om een alternatief uit te tekenen voor de tweedeling van de Koude Oorlog. Maar die tweedeling bood het Zuiden vaak toch meer bewegingsruimte dan de unilaterale dominantie van de VS na de val van de Muur.

In Zuid-Afrika was de strijd tegen Apartheid een combinatie van burgerrechten- en onafhankelijkheidsbeweging, met wel heel bijzondere moeilijkheden op het gebied van identiteit. Want men had het niet over uitsluiting van zwarten, maar over de noodzaak aan gescheiden ontwikkeling omwille van de culturele eigenheden, van wit en zwart, maar ook van Zoeloe en Xhosa en Venda… In de verdeel-en-heersstrategie van Europa in onafhankelijk Afrika speelde etnische identiteit ook vaak een rol, denk aan de Katangese onafhankelijkheidsbeweging in Congo. Moeten we daaruit lessen trekken voor vandaag? Voor de manier waarop identiteit een rol kan spelen in emancipatiebewegingen?

Olivia Rutazibwa: De Black Panthers hadden hun beste dagen toen ze zich ook tegen de Vietnamoorlog verzetten en dus schouder aan schouder gingen staan met de witte Berkeley-kids. 

Olivia Rutazibwa: Een eerste les is wellicht dat identiteit altijd anders beleefd wordt. In de jaren zestig was de identiteitsvraag voor een zwarte Zuid-Afrikaan anders dan voor een witte Afrikaner, ook al was er gelijktijdigheid. Een andere les is dat de strijdbewegingen van de jaren zestig vooral successen boekten op het moment dat ze zich niet in louter identitaire kwesties lieten opsluiten. De Black Panthers hadden hun beste dagen toen ze zich ook tegen de Vietnamoorlog verzetten en dus schouder aan schouder gingen staan met de witte Berkeley-kids.

Ook communautaire of identitaire strijd moet zo opgezet worden dat hij leidt naar een samenleving waarin het voor iedereen goed samenleven is. Het is dus mogelijk dat je in eerste instantie verschillen moet benadrukken, zeker als je identiteit miskend of bespot wordt, maar dan met het oog op een toekomst waarin die verschillen juist minder belangrijk zijn dan vandaag.

© Brecht Goris

 

Geert Buelens: Je zag inderdaad dat de Apartheidsstaat erin slaagde een zwarte elite te verleiden om in die logica van gescheiden ontwikkeling te stappen en heersers te worden in de bantoestans. In Die Huisgenoot, de lokale Afrikanerversie van Paris Match, worden die mensen ook opgevoerd als staatslieden, en zij laten zich dat welgevallen. De Apartheid subsidieerde ook aparte radiostations voor de verschillende etnische groepen, waar ze hun eigen muziek moeten promoten, en financierde de vertaling van westerse wereldliteratuur in de lokale talen.

Olivia Rutazibwa: Het hele koloniale systeem en denken is gebouwd op verdeel en heers. Idem voor de situatie van diverse steden en samenlevingen vandaag: wie het huidige systeem aanvaardt, krijgt ruimte en status; wie het radicaal verwerpt, is gevaarlijk en moet onzichtbaar gemaakt worden. De identitaire strijdbewegingen van etnisch-culturele minderheden vandaag zien het beginpunt van hun strijd in 1492, en zijn dus helemaal niet alleen maar bezig met zich “terug te trekken” binnen hun identitaire verschillen, maar openen nu juist het debat over de economische logica en haar gevolgen voor miljoenen mensenlevens en -lichamen. Ze bekijken racisme als een ideologie met een zeer tastbare materiële grond. Ideeën over een economie van het genoeg, die putten uit inheemse kennis en gevoeligheden, zijn hun dan ook niet vreemd.

Radicale ideeën waren er in de jaren zestig zeker ook, maar toen werden ze in het Noorden vaak geformuleerd door de kinderen van de hogere middenklasse, terwijl ze vandaag geformuleerd worden door jongeren die afgescheiden kunnen worden van de mainstream als vreemdelingen of andersgelovigen.

Olivia Rutazibwa: En dat heeft reële invloed op de manier waarop jongeren hun kritiek uiten en formuleren. Al mag je de tolerantie voor radicale ideeën in de jaren zestig ook niet overschatten. “Langharig werkschuw tuig” werd toen ook naar Vietnam gestuurd om in de rijstvelden te gaan sterven.

Geert Buelens: Wat ik onthou van de strijd in de jaren zestig is dat je niet alleen radicale ideeën moet hebben, maar ook effectieve strategieën. Mei ’68 eindigt met een versterkte positie van De Gaulle in Frankrijk en later dat jaar werd in de VS Richard Nixon tot president verkozen.

Geert Buelens: Wat ik onthou van de strijd in de jaren zestig is dat je niet alleen radicale ideeën moet hebben, maar ook effectieve strategieën. Mei ’68 eindigt met een versterkte positie van De Gaulle in Frankrijk en later dat jaar werd in de VS Richard Nixon tot president verkozen. Zoals vandaag Trump, Fox en de rest van de Amerikaanse rechterzijde voortdurend gebruik maakt van de radicaliteit en het occasionele geweld van de antifa om hun eigen rechtse beleid of visie ingang te doen vinden. De vraag is wat de verantwoordelijkheid is van de verzetsgroepen daarin. Hoe groot is de verantwoordelijkheid van de middenklassejongeren in radicale bewegingen als de Weather Underground of de Rote Armee Fraktion voor de verrechtsing die daar onmiddellijk op volgde? Het ware trouwens de Black Panthers die al waarschuwden voor de gevolgen van de acties van de Weather Underground voor andere, en sociaal kwetsbaardere verzetsbewegingen.

Kun je zeggen dat het gebrek aan degelijk strategisch denken in de jaren zestig het gevolg was van naïef idealisme? En is dat vandaag omgeslagen in veralgemeend defaitisme, een gebrek aan hoop en toekomstperspectief?

Olivia Rutazibwa: Ik weet niet zo zeker dat er geen strategisch denken was in de jaren zestig, of nu. En ik betwijfel ook of je De Gaulle en Nixon als de nettoresultaten van de jaren zestig mag zien. Ze vormden de reactie, dat is zeker, maar daarop kwam dan toch ook weer nieuwe reactie. Het is zoals met Trump vandaag: zijn presidentschap is het resultaat van onversneden racistische reacties op Obama in het Witte Huis, maar zorgt vervolgens weer voor een heropleving van de vrouwenbeweging in de VS én voor een uitdrukkelijk diversere vrouwenbeweging bovendien. We moeten Trump daarvoor evenmin bedanken als we de hippies moeten verwijten dat Nixon president geworden is. Het feit dat veel inzichten en ware doelstellingen van de jaren zestig verdwenen zijn uit ons collectief geheugen bewijst niet dat ze er niet waren, maar dat de mainstream media en geschiedschrijving ze niet goed of relevant vonden. Maar in de marge zijn ze wel overgedragen en daardoor kunnen ze vandaag opnieuw opgepikt en uitgewerkt worden. Denk aan Bandung, aan panafrikanisme en dergelijke.

In de jaren zestig lijkt het wel eenvoudiger om geweld als een legitieme strategie voor verandering te zien en te bepleiten. Lees er het voorwoord van Jean-Paul Sartre in Fanons Verworpenen der aarde op na: in de context van 2018 is dat een ondenkbare verheerlijking van geweld.

Geert Buelens: Dat klopt. Sartres tekst zou nu niet meer gedrukt worden, of hij werd verboden. Het gemak waarmee het geweldsmonopolie van de staat ter discussie gesteld werd kunnen wij ons nu niet meer voorstellen. De jaarboeken Het aanzien van waren erg populair toen, en Het aanzien van 1970 heeft een Palestijnse terroriste op de cover, Leila Khaled. In het voorwoord verantwoordt een journalist die keuze omdat die vrouw de koelbloedigheid had om duizenden meters boven de grond een granaat uit haar bloesje te halen. Geweld is sexy, terrorisme is sexy en haalt de cover van het meest mainstreame jaaroverzicht denkbaar. In het tijdschrift van de Black Panthers verscheen een artikel waarin gezocht werd naar de lessen uit The Battle for Algiers voor de stadsguerrilla die zij wilden gaan voeren.

Olivia Rutazibwa: De Black Panthers werden behandeld als een beweging die zo vreselijk bedreigend was dat ze uitgeschakeld en uitgeroeid moest worden.

Olivia Rutazibwa: Het zou me toch verbazen als die legitimiteit van geweld als verzetsstrategie door iedereen aanvaard werd, ook in de jaren zestig. Het feit dat Fanon er een heel hoofdstuk aan wijdt, toont ook al aan dat het allemaal niet zo vanzelfsprekend was. En de Black Panthers werden door de media en de publieke opinie niet behandeld zoals Black Lives Matter, maar zoals IS vandaag: als een beweging die zo vreselijk bedreigend was dat ze uitgeschakeld en uitgeroeid moest worden.
 

De jaren zestig bevinden zich ook tussen de Silent Spring van Rachel Carson (1962) en Grenzen aan de groei, het eerste rapport van de Club van Rome (1972). Het was het decennium waarin het hedendaagse ecologische bewustzijn ontstond.

© Brecht Goris

 

Geert Buelens: Silent Spring ging erover dat we te veel pesticides gebruikten, vandaag beseffen we dat de hele manier waarop onze cultuur en economie functioneren ertoe leidt dat de planeet naar de haaien gaat. Dat is zelfs een grote stap vooruit ten opzichte van het eerste rapport van de Club van Rome. We praten niet langer over deelproblemen die we moeten aanpakken, maar over een Antropoceen en dus over het fundament van de menselijke aanwezigheid op aarde.

Oliviza Rutazibwa: Het is inderdaad belangrijk dat we verder gaan dan de individuele consumptiekeuzes – ook al maken die deel uit van het probleem. Het gaat uiteindelijk om de verhouding tussen mens en natuur. En daar hadden de hippies van de jaren zestig, met hun blote voeten op de grond, al wel wat over te zeggen, omdat ze toen begrepen dat de wijsheid van de inheemse tradities essentieel was om ons gezamenlijke overleven te garanderen.

Geert Buelens: Wat was de bijbel van die ecologisch bewuste hippies? De Whole Earth Catalogue. Met andere woorden: die ecologische gevoeligheid werd meteen vertaald in consumptiekeuzes.

Olivia Rutazibwa: Jammer genoeg vermelden de auteurs die vandaag over het Antropoceen schrijven niet of nauwelijks dat ze hun verhaal halen bij de millennia oude tradities van inheemse volkeren.

Geert Buelens: Vandaag is het ecologisch denken wellicht een van de belangrijkste erfenissen van de jaren zestig, maar toen was het een klein en tamelijk marginaal debat.

Dit artikel werd geschreven voor het zomernummer van MO*magazine. Voor slechts €28 kan u hier een jaarabonnement nemen!

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur