Oxfam-onderwijsexpert Kira Boe: ‘Talent vind je overal, onderwijskansen niet’

Interview

Sociaal-economische ongelijkheid versterkt elke andere ongelijkheid in het onderwijs

Oxfam-onderwijsexpert Kira Boe: ‘Talent vind je overal, onderwijskansen niet’

Oxfam-onderwijsexpert Kira Boe: ‘Talent vind je overal, onderwijskansen niet’
Oxfam-onderwijsexpert Kira Boe: ‘Talent vind je overal, onderwijskansen niet’

Oxfam publiceerde in september The Power of Education to Fight Inequality, een rapport dat als ondertitel kreeg: ‘Hoe toenemende gelijkheid en kwaliteit in onderwijs cruciaal is om economische en gender ongelijkheid te bestrijden’. Gie Goris woonde in New York de voorstelling van het rapport bij en sprak met hoofdauteur Kira Boe tijdens een van haar passages in Brussel.

Een klas in Manacapuru, Brazilië. Elk bijkomend jaar dat je onderwijs volgt, resulteert in een toename van gemiddeld tien procent voor je toekomstige inkomen, stelt de Unesco vast.

© Reuters / Bruno Kelley

De duurzame ontwikkelingsdoelen (sdg’s) zetten sterk in op onderwijs. Zo stelt de argumentatie voor sdg 4 – ‘verzeker inclusief en kwalitatief onderwijs voor allen en promoot levenslang leren’ – onder andere: ‘Onderwijs maakt opwaartse sociale mobiliteit mogelijk en is een sleutel om aan armoede te ontsnappen… Als mensen kwalitatief onderwijs krijgen, kunnen ze uit de spiraal van armoede breken… Onderwijs helpt ook bij het verminderen van ongelijkheden…’

In september publiceerde Oxfam The Power of Education to Fight Inequality, een rapport dat als ondertitel kreeg: ‘Hoe toenemende gelijkheid en kwaliteit in onderwijs cruciaal is om economische en gender ongelijkheid te bestrijden’. MO* woonde in New York de voorstelling van het rapport bij en sprak met hoofdauteur Kira Boe tijdens een van haar passages in Brussel.

CC Gie Goris (CC BY-NC 2.0)

Kira Boe

CC Gie Goris (CC BY-NC 2.0)

De verwachtingen die de sdg’s voor het onderwijs opstellen zijn hoog. Kan het onderwijs dat waarmaken?

‘Elk bijkomende jaar onderwijs resulteert in een toename van 10 tot 20 procent voor je toekomstige inkomen.’

Kira Boe: Unesco stelt vast dat elk bijkomende jaar onderwijs resulteert in een toename van gemiddeld tien procent voor je toekomstige inkomen, en voor vrouwen loopt dat zelfs op tot twintig procent.

Op basis van de cijfers van Unesco kan je ook duidelijk stellen dat landen die investeren in onderwijs en gezondheidszorg, samen met investeringen in economische ontwikkeling, betere resultaten kunnen voorleggen dan landen die alleen inzetten op economische groei. Ook voormalig Wereldbank-directeur Jim Kim bevestigde dat. Want om volgehouden en duurzame groei te krijgen, heb je goed opgeleide werkers nodig.

Maar is er een oorzakelijk verband tussen jaren onderwijs en toekomstig loon? En zo ja, werkt het dan “voorspellend” en is het universeel?

Kira Boe: De getallen zijn sowieso globale gemiddelden, je kan ze dus niet hanteren als voorspellingen op het individuele niveau. En oorzakelijke verbanden zijn altijd moeilijk vast te stellen tussen twee variabelen als er zo veel meer in het spel zijn.

De data zijn heel duidelijk: kinderen zijn gemiddeld een stuk gezonder als hun moeder onderwijs genoten heeft. Maar is dat het resultaat van kennis die de moeder opgedaan heeft of van het feit dat ze een beter betaalde baan heeft? Of reflecteert dat gegeven het feit dat vooral middenklassegezinnen hun meisjes naar school sturen? Je moet al heel diep in de concrete, nationale data duiken om daar op te antwoorden.

De algemene relatie tussen onderwijs en sociaal-economische vooruitgang is wel aanwijsbaar en voldoende onderbouwd, denk ik. Scholing verhoogt namelijk de kansen om een baan met een formeel contract te krijgen. Die kans stijgt met het onderwijsniveau dat je genoten hebt. En wie ontsnapt aan de informele sector verdient meestal beter en heeft betere arbeidsvoorwaarden.

Er is dus voldoende “bewijs” voor de stelling van sdg 4 dat onderwijs de spiraal van armoede kan doorbreken?

Kira Boe: Dat klopt. Onderwijs levert je ook sociaal kapitaal op dat je niet makkelijk weer kan verliezen. Wat je leert, verlies je niet snel. Toch niet de fundamentele inzichten en vaardigheden. Dat verhoogt de sociale mobiliteit van mensen.

Wie wel eens in het Zuiden langsgaat bij ngo’s, ontmoet daar ongetwijfeld tal van concrete voorbeelden: mannen of vrouwen die uit een kroostrijk gezin op het platteland komen en die er, dankzij onderwijskansen, in slaagden om uit de armoede te raken. Nu zijn ze programmaverantwoordelijke of directeur bij een ngo, maar ze zijn de uitzondering.

Ze geven hun sociaal kapitaal door als een sociale erfenis aan hun kind, want meestal gaan ze heel bewust om met gezinsplanning.

Sterk onderwijs, van peutertuin tot universiteit

Is dat meer dan het individuele succesverhaal? Kan je, met andere woorden, die opwaartse sociale mobiliteit verbreden tot een maatschappelijke realiteit voor iedereen?

Kira Boe: Mijn voorstel van titel voor het Oxfam-rapport over onderwijs en ongelijkheid was: Talent vind je overal, kansen niet. Ik ben ervan overtuigd dat het aantal mensen die zich op eigen kracht uit armoede en uitsluiting kunnen optrekken tot een middenklassebestaan, veel te klein is om daar je beleid op te baseren. We hebben een sterke onderwijsstructuur nodig, vanaf de peutertuin tot de universiteit.

Die structuur moet hoge kwaliteit kunnen leveren en gericht zijn op gelijke kansen voor iedereen. Ook moet het alle leerkrachten en andere betrokkenen waardige lonen garanderen. Dat zijn de basisvoorwaarden voor een onderwijs dat armoede en ongelijkheid structureel aanpakt. Op dat moment kan onderwijs trouwens ook een rol spelen in de aanpak van andere vormen van ongelijkheden, die bestaan en functioneren binnen het onderwijssysteem.

In het publieke debat lijkt er vandaag meer aandacht voor ongelijkheden tussen jongens en meisjes, migranten en niet-migranten, kinderen met en kinderen zonder beperking… Kan onderwijs die “identitaire” ongelijkheid tegelijk met de sociaal-economische ongelijkheid remediëren?

Als er één factor is de bepalend is voor je schoolresultaten, dan is het de welstand van het gezin waarin je opgroeit.

Kira Boe: Als er één factor is die bepalend is voor je schoolresultaten, dan is het de welstand van het gezin waarin je opgroeit. Dat stel je overal ter wereld vast, al zijn er wel uitzonderingen op de regel, zoals Finland. Natuurlijk spelen die andere verschillen ook een rol: in bijna alle derdewereldlanden scoren meisjes lagere resultaten dan jongens, terwijl dat in Denemarken andersom is.

Kinderen met beperkingen scoren meestal lager dan gemiddeld, maar in rijke landen doen ze het veel beter dan in arme landen, om de simpele reden dat er betere omkadering is en meer voorzieningen zijn. Maar altijd geldt dat economische ongelijkheid elke andere ongelijkheid versterkt. Platteland – stad, jongen – meisje, migrant – niet-migrant, minderheid — meerderheid: voeg er armoede – rijkdom aan toe, en je krijgt soms exponentieel grotere ongelijkheden.

Een onderzoek in Denemarken keek naar de impact van de beroepsstatus van de ouders met vijf categorieën: werkloos, ongeschoolde arbeiders, geschoolde arbeiders, lage middenklasse, hoge middenklasse. Wat blijkt: de resultaten van kinderen voor wiskunde en Deens zakken telkens een categorie met het zakken van de sociale status van de ouders. Met andere woorden: veel van de ongelijkheid die het onderwijs produceert, kan niet aangepakt worden door het onderwijs zelf. Wanneer kinderen binnenstappen door de schoolpoort, is het al bijna te laat. Want de sociaal-economische verschillen vertalen zich onder andere ook in het vocabularium dat ouders gebruiken met de kinderen.

Daarom is het zo dramatisch dat er vandaag een wig gedreven wordt tussen arme migranten en arme autochtonen, alsof zij elkaars vijanden en concurrenten zijn, alsof de eerste groep een bedreiging vormt voor de identiteit van de tweede, terwijl ze juist gedeelde problemen en belangen hebben. Ook in het onderwijs. Waar het voor hen om draait, is niet het verdedigen van een samenleving uit het verleden, maar het opbouwen van de samenleving die je wilt voor morgen.

Thuistaal versus tweede taal

Internationaal (PISA)onderzoek toont dat van alle onderzochte landen, Vlaanderen de meest ongelijke resultaten haalt wanneer gekeken wordt naar de impact van migratiestatus.

Kira Boe: Toen ik opgroeide in de jaren 1980-1990 kregen kinderen van, grotendeels Turkse, “gastarbeiders” een aantal lessen in hun thuistaal. We wéten dat het honderdmaal makkelijker is voor kinderen om te leren lezen en schrijven in hun thuistaal dan in een tweede taal. We pleiten daar ook altijd voor in ontwikkelingslanden, zelfs in kleine en afgelegen taalgemeenschappen. Maar in Denemarken hebben we het afgeschaft. Niet omdat het niet werkte voor de kinderen, want dat deed het wél, maar omdat we beslisten dat we het migranten ook niet te makkelijk en te aangenaam moesten maken.

We wéten dat het honderdmaal makkelijker is voor kinderen om te leren lezen en schrijven in hun thuistaal dan in een tweede taal.

Maar hoe pak je dat aan in de superdiverse steden van 2020, waar er niet één groep nieuwkomers is, maar waar vijftig nationaliteiten en misschien nog meer thuistalen op één school samenzitten?

Kira Boe: Dat is inderdaad een enorme uitdaging en ik heb er geen simpel, pasklaar antwoord voor. Wat ik wel weet is dat eisen dat ouders hun thuistaal aanpassen geen oplossing is. Het verkleint de woordenschat en dreigt daardoor de achterstand van de kinderen te vergroten tegen dat ze op de kleuterschool arriveren. Ik ben er ook van overtuigd dat rijke staten zoals België of Denemarken in staat moeten zijn om kinderen te ondersteunen om de taalmoeilijkheden creatief en effectief aan te pakken.

Wat is er eigenlijk nodig om ervoor te zorgen dat onderwijs goede resultaten produceert voor iedereen, voor jongens en meisjes, voor arm en rijk, voor migranten en niet-migranten, voor hoogbegaafden en kinderen met beperkingen…?

Kira Boe: Behandel elk kind als een individu, geef nooit les aan een groep. Want ofwel gaat het systeem zich richten op de betere leerlingen ofwel op de brede middenmoot, maar altijd riskeer je een dikke veertig procent van de leerlingen niet te bedienen. Dat kan je alleen waarmaken met kleine klassen en goed opgeleide en goed betaalde leerkrachten.

En dan is de onvermijdelijke vraag: hoe kan je dat betalen, met name in lageinkomenslanden? Kunnen ze dat, en kunnen ze dat zonder internationale solidariteit?

Kira Boe: Met de huidige onderwijsbudgetten zal het onmogelijk zijn om in derdewereldlanden kwalitatief onderwijs te bieden aan iedereen. Daarom is het zo belangrijk dat landen hun eigen inkomsten aanzienlijk vergroten, met name door betere belastinginning. Maar zelfs daarvoor moeten de armste landen een beroep doen op internationale solidariteit, want een land als Sierra Leone is zelf niet opgewassen tegen de machtige mijnbouwbedrijven die er opereren.

Maar het gaat niet alleen om financiële middelen, het gaat ook om pedagogie en didactische aanpak. Die kan veel beter, inclusiever en creatiever. Dat kan zelfs met grote klassen, àls de leerkrachten ervoor opgeleid worden en als ze voortdurend de nodige ondersteuning krijgen. Want zonder die omkadering staan ze er alleen voor, en dan vallen ze meestal terug op de methodes die ze zelf gekend hebben als leerling.

Privé-onderwijs zonder inschrijvingsgeld

Onderwijs kan enorme impact hebben en heeft een grote verantwoordelijkheid. Maar wie moet dat onderwijs aanbieden, organiseren, financieren, reguleren? Tijdens de voorstelling van het rapport in New York stelde Susan Hopgood, voorzitster van de internationale vakbondsfederatie Education International, dat enkel en alleen publieke scholen voldoen aan de eisen die het rapport stelt op vlak van armoede- en ongelijkheidbestrijding. Ook vrij initiatief zonder winstoogmerk kreeg geen genade.

Kira Boe: Dat is een wat extreme voorstelling van zaken. Ten gronde zijn wij er inderdaad van overtuigd dat openbaar onderwijs de beste, en wellicht de enige manier is om ongelijkheden in onderwijs te minimaliseren en structureel aan te pakken. Maar we gaan geen campagne voeren tegen een schooltje dat opgezet wordt door een lokale gemeenschap omdat de overheid nalaat dat te doen. We zijn ook niet per se tegen de traditionele vrije scholen van bijvoorbeeld religieuze organisaties, als ze niet op winst gericht zijn en voldoen aan de kwaliteitseisen op vlak van toegang, didactiek en curriculum.

Waar wij wél tegen zijn, is de druk die bedrijven en donors uitoefenen om te evolueren naar geprivatiseerd onderwijs, om het falen van de publieke sector te maskeren. Dat komt steeds vaker neer op een verschuiving naar winstgedreven onderwijs.

Wij zijn tegen de druk die bedrijven en donors uitoefenen om te evolueren naar geprivatiseerd onderwijs, om het falen van de publieke sector te maskeren.

Wat is exact het probleem met winst in onderwijs, als het meer en beter onderwijs voor allen oplevert?

Kira Boe: Het probleem is dat de winst ergens vandaan moet komen. Meestal begint men met het vragen van inschrijvingsgeld. Zelfs als dat naar onze normen erg weinig is, kan dat voor de allerarmsten een onoverkomelijke drempel vormen. Want naast dat inschrijvingsgeld zijn er al zo veel verborgen kosten: uniformen, schoolboeken, middagmaal, examengeld, …

Het argument dat inschrijvingsgeld een manier is om het engagement van ouders te verankeren, snijdt geen hout. Ouders geven vanzelf enorm om het onderwijs voor hun kinderen, omdat ze juist geloven dat het een springplank is om uit de armoede te geraken. Er zijn ontelbaar veel manieren om ouders te betrekken bij de school en het onderwijs van hun kinderen, zonder te moeten terugvallen op een financiële bijdrage die altijd ten nadele van de armsten werkt.

Niet alle privéscholen vragen inschrijvingsgeld, en in het Zuiden zien we vandaag een veel snellere groei van privé-onderwijs zonder inschrijvingsgeld dan de klassieke betalende privéscholen. De trend van de dag is de PPS, de privaat-publieke samenwerking, waarbij overheden of ontwikkelingsdonoren een opdracht uitschrijven en financieren, en privé-initiatieven die opdracht binnenhalen.

Dat kunnen internationale bedrijven zijn zoals Bridge International Academies of eenpersoonsinitiatieven, dat maakt niet uit. Zo’n privéschool kan enkel winst maken, en dus geld uit het onderwijssysteem wegpompen naar privé-investeerders of -operatoren, als er érgens op bespaard wordt. En meestal is dat op de leerkrachten, want die salarissen staan gemiddeld voor tachtig procent van het schoolbudget. Daar kan je dus het echte verschil maken door slecht opgeleide mensen of te weinig mensen aan te werven, bijvoorbeeld.

Bovendien moeten of willen deze scholen bewijzen dat hun resultaten beter zijn dan die van de openbare scholen. Ze doen dat dan door een strengere selectie. Bij een onderzoek naar PPS-scholen in Punjab, Pakistan, stelden we vast dat in geen enkele van die scholen een kind met beperking zat. Er waren duidelijk minder meisjes dan jongens, al was het de bedoeling om met dit initiatief genderongelijkheid aan te pakken.

Het toekomstbeeld is er geen met kaduuk staatsonderwijs naast kwalitatief privé-onderwijs, maar kwalitatief en goed georganiseerd openbaar onderwijs.

Een andere doelstelling was het aantal kinderen dat niet naar school ging in de regio terug te dringen. Maar deze scholen weigerden kinderen die voorheen niet naar school gingen, omdat ze slecht zouden scoren op nationale examens, terwijl daar net de financiering van af hing. Daarom organiseerden een aantal scholen zelfs ingangsexamens. Je kan stellen dat wie het moeilijk zou hebben in openbare scholen gewoon afwezig is in winstgedreven privéscholen.

Maar het openbaar onderwijs laat het op veel plaatsen in de wereld afweten. Vandaar de drang van wie zelf wat beter opgeleid is om de kinderen ook naar privéscholen te sturen, niet?

Kira Boe: Absoluut. Je kan ouders niet verwijten dat ze het beste willen voor hun kinderen. Maar het toekomstbeeld is niet een kaduuk staatsonderwijs naast kwalitatief privé-onderwijs, maar kwalitatief en goed georganiseerd openbaar onderwijs, voldoende gefinancierd, met goed opgeleide en gemotiveerde leerkrachten, met publieke scholen waar kinderen van alle klassen elkaar tegenkomen in de klas.