Dossier: 
De strijd van een Congolese agronoom en Haïtiaanse antropoloog tegen onrechtvaardigheid

‘Een hoogopgeleide Congolees die kritisch was over het kolonialisme, dat maakte de Belgen bang’

Benjamin Couprie, Public Domain

Anténor Firmin was een Haïtiaans antropoloog en egalitarist. Paul Panda Farnana de eerste hoogopgeleide — in het Westen, althans - Congolees en oprichter van de Union Congolaise. Deze twee vooruitstrevende zwarte intellectuelen verdienen volgens Afrikaniste Salomé Ysebaert meer erkenning. ‘Ze zijn ideale alternatieve symbolen om aandacht te geven in onze gedeelde geschiedenis.’

Niet alleen in België, maar overal ter wereld worden standbeelden van historische figuren beklad of neergehaald. MO* gaat met bekend en onbekend Vlaanderen, op zoek naar onbekende historische figuren die wél een standbeeld verdienen. Al is het maar spreekwoordelijk.

Salomé Ysebaert is een 25-jarige Brusselse die na haar studies Sociologie aan de VUB, dit jaar een master African Studies afwerkte aan de Universiteit Gent, met een thesis over het Musée des Civilisations Noires in Dakar.

Op de vraag of ze onderbelichte figuren uit de geschiedenis kan opnoemen, antwoordt ze met een enorm lange lijst. ‘Er zijn genoeg mensen die een standbeeld meer verdienen dan de personen die nu in de publieke ruimte geëerd worden.’ Na lang overwegen brengt ze de lange lijst namen op basis van enkele moeilijke beslissingen terug tot Paul Panda Farnana en Anténor Firmin.

Paul Panda Farnana was een Congolese agronoom die na een bewogen jeugd de Union Congolaise oprichtte en mee aan de basis lag van de Congolese eis voor meer zelfbestuur. Anténor Firmin was een Haïtiaanse antropoloog die inging tegen de dominante wetenschappelijke paradigma’s van zijn tijd om te bewijzen dat mensen van verschillende origine elkaars gelijke zijn.

‘Farnana en Firmin bevonden zich in de hogere klasse van Europa tijdens de 19de en begin 20ste eeuw. Toen was dat nog zeer uitzonderlijk. Alle twee gebruikten ze die unieke positie om te strijden tegen het onrecht dat ze zagen in de wereld. Het is misschien omdat ze dat net iets “te vroeg” in de tijd deden, dat ze als vooruitstrevende denkers uit de geschiedenis verdwenen.’

Het was pas in de archieven van het AfricaMuseum, waar Ysebaert twee jaar vrijwilligerswerk deed, dat ze voor het eerst over Paul Panda Farnana hoorde. Ook Anténor Firmin leerde ze pas kennen tijdens haar onderzoek in Senegal over het Musée des Civilisations Noires. Op school of in publieke debatten in België komen deze twee quasi nooit naar voren.

De afgelopen jaren ondernam de Congolese gemeenschap wel enkele initiatieven om Paul Panda Farnana meer in de aandacht te brengen. Zo kon je in 2011 in Brussel een tentoonstelling over zijn leven bezoeken en bracht in 2014 een groep Congolese stripauteurs Paul Panda Farnana, une vie oubliée uit. Op Youtube valt ook een Belgische documentaire uit 2011 over Farnana te bekijken.

Van adoptie tot krijgsgevangenschap

Onbekende auteur, Public Domain

Het leven van de ‘allereerste Congolese intellectueel’ leent zich goed voor een dramatisch hervertelling. Farnana wordt geboren in Congo Vrijstaat als zoon van een lokale chef. Hij komt als jong kind in Europa terecht omdat een gezin van Belgische kolonialen hem adopteert en in 1895 naar Brussel brengt. Zij voedden hem op als lid van de Belgische bourgeoisie en in 1907 studeert hij af met grote onderscheiding aan een landbouwschool in Vilvoorde. Daar voegt hij nog een agronomische opleiding in Parijs aan toe en een diploma Engels, behaald in Bergen. Hij is de allereerste Congolees met een hogere opleiding.

Na zijn studies keert Farnana terug naar Congo om voor de Belgische staat te werken als landbouwspecialist. ‘Daar ziet hij hoe slecht de kolonialen zijn landgenoten behandelen en hoe zijn collega’s zelf hem – lid van de hogere klasse en goed opgeleid – niet als gelijke zien’, vertelt Salomé.

Wanneer WOI uitbreekt, zal Farnana zich toch inschrijven bij het Belgisch leger. Hij wordt lid van het Korps der Congolese Vrijwilligers en vecht mee bij de Duitse inval van België. Uiteindelijk wordt hij krijgsgevangene en zit hij vier jaar lang vast.

Still uit "Kongo"

Farnana als krijgsgevangene bij de Duitsers.

Criticus van het kolonialisme

Salomé vertelt dat wat daarop volgde, een keerpunt was voor de jonge agronoom. ‘Ondanks zijn vrijwillige verdediging van België en jaren als gevangene van de vijand, krijgt Farnana geen enkele officiële erkenning. Hij en de andere Congolese soldaten die meevochten in de oorlog, worden totaal genegeerd en nog steeds beschouwd als tweederangsburgers. Ondertussen kregen de andere soldaten medailles en werden ze de geschiedenis in geschreven.’

In 1919 richt Farnana samen met een groep andere Congolezen de Union Congolaise op. Het doel van deze vereniging was om Congolezen te ondersteunen in hun ‘persoonlijke ontwikkeling’ en om meer erkenning te eisen voor Congolese veteranen van de Eerste Wereldoorlog.

‘Hij baande de weg voor het Congolees nationalisme wat hem niet populair maakte bij de Belgische overheid.’

‘Farnana wordt na WOI een meer uitgesproken criticus van het kolonialisme’, weet Salomé. ‘Hij spreekt op het allereerste Nationale Congolese Congres in 1920, waar hij pleit voor een beter loon en betere toegang tot onderwijs voor de Congolese gemeenschap. Een jaar later organiseert Farnana mee de Brusselse sessies van het tweede Pan-Afrikaanse Congres, waar hij Congo representeert.’

‘Hij roept in de jaren die daarop volgen regelmatig op tot meer participatie van de Congolezen in hun eigen bestuur. Zo baant hij de weg voor het Congolees nationalisme wat hem niet populair maakte bij de Belgische overheid. Die begint Farnana als een gevaarlijk persoon te zien. Ook de pers beeldt hem steeds vijandiger af.’

Na enkele jaren van activisme, verlaat Farnana in 1929 voor een tweede en laatste keer België. Hij keert terug naar zijn geboortedorp in Congo en richt daar een school op. Ook Salomé weet niet exact wat er daarop volgde. ‘Hij stierf een jaar na zijn aankomst, op 42-jarige leeftijd, maar het is onduidelijk hoe. Er zijn allerlei theorieën dat Belgische kolonialen hem hebben vermoord, of dat zijn familie hem vergiftigde omwille van een discussie over geld. Maar er is veel tegenstrijdige informatie, dus eigenlijk is dat maar speculatie.’

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws

Pas d’élites, pas d’ennuis

Wat we wel zeker weten, is dat de Belgische overheid slechts een maand na Farnana’s dood een verbod uitschreef op het meenemen van Congolezen naar België. De brief die gouverneur-generaal Auguste Tilkens rondstuurde om deze beslissing aan te kondigen, maakt duidelijk waarom ze dit deden: ‘Gezien de vele nadelen en zelfs gevaren die het verblijf van zwarten in België met zich meebrengt, heb ik besloten om ambtenaren en agenten die met verlof terugkeren, voortaan te verbieden zwarten mee te nemen.’

‘De Belgen vreesde na hun ervaring met Farnana dat het opleiden van Congolezen tot nog meer verzet zou leiden.’

Salomé duidt op de hypocrisie van dat soort beslissingen. ‘De kolonisatie werd vaak gelegitimeerd als een soort “beschavingsmissie” waar de Europeaan de povere Afrikaan zou helpen. Maar wanneer Farnana als eerste Congolees dan eindelijk de kans krijgt om een hogere opleiding te doen, wordt hij volgens de kolonialen al snel veel te kritisch. Ze waren bang van hem. De Belgen vreesde na hun ervaring met Farnana dat het opleiden van Congolezen tot nog meer verzet zou leiden, dus sloten ze die mogelijkheid af.’

De logica achter de weigering om Congolezen op te leiden werd vaak samengevat als ‘pas d’élites, pas d’ennuis’ (‘geen elite, geen problemen’). Pas na veel lobbywerk en private financiële steun studeerde in 1956, bijna een halve eeuw nadat Farnana zijn diploma haalde, de tweede hoogopgeleide Congolees af: Thomas Kanza. Wanneer Congo in 1960 onafhankelijk werd van België, waren er slechts 16 universitairen in het hele land.

Rassenwetenschap

Unknown author / Public domain

Nog voor de geboorte van Paul Panda Farnana waren er al langer niet-Europeanen actief in de westerse academische wereld. Zoals de antropoloog Anténor Firmin, die zich in de hoogopgeleide cirkels van Europa begaf.

Volgens Salomé speelde Firmin’s Haïtiaanse afkomst daarin een rol. Haïti was namelijk na een slavenopstand in 1791 en een lange oorlog tegen de Fransen, een onafhankelijke republiek geworden.

‘Leden van de Haïtiaanse elite werden daardoor als minder inferieur gezien dan Afrikanen’, vertelt Salomé. ‘Dat liet Firmin toe om lid te worden van de Société d’Anthropologie de Paris, een prestigieus instituut dat nog steeds bestaat.’ Het werd in 1859 opgericht met de bedoeling op wetenschappelijke wijze de oorsprong en diversiteit van de mens te bestuderen.

‘In de praktijk betekende dit het wetenschappelijk proberen bewijzen van de superioriteit van bepaalde “rassen” en de inferioriteit van anderen, onder meer door het meten van schedels. Bij Firmin’s collega’s in het instituut was het beruchte Essai sur l’inégalité des races humaines van Arthur Gobineau een enorm populaire tekst. De zogenaamde “empirische rassenwetenschap” van dit essay en andere werken legitimeerde onderdrukking en kolonialisme’, legt Salomé uit. ‘Dat kon Anténor Firmin niet accepteren. Hij was een overtuigd egalitair en ook een positivist, dus hij besloot met dezelfde wetenschappelijke, empirische methode te bewijzen dat alle mensen wél gelijk zijn.’

Strijd tegen onderdrukking

In 1885 publiceerde Firmin zijn boek De l’égalité des races humaines, een specifieke weerlegging van Gobineau’s werk. Hij duidde op de logische fouten en vooroordelen die vormgaven aan rassenwetenschap en probeerde een empirisch onderbouwd alternatief naar voren te schuiven. Het boek bevatte onder andere de allereerste nauwkeurige, wetenschappelijke omschrijving van hoe verschillen in huidskleur ontstaan.

‘Farnana en Firmin hadden evengoed passief kunnen genieten van hun elitaire positie, maar dat hebben ze niet gedaan.’

‘Maar het jaar waarin Firmin zijn boek uitbracht was ook het jaar van de Conferentie van Berlijn, waar de Europese koloniale machten Afrika arbitrair onder elkaar verdeelden’, legt Salomé uit. ‘De achterliggende missie van het boek, het onderuithalen van de “rassenwetenschap” die onderdrukking legitimeerde, is dus spijtig genoeg mislukt. Firmin’s boek kreeg in zijn eigen tijd weinig aandacht.’

‘Maar hij heeft wel geprobeerd, dat is het belangrijkste. Zelfs iemand als Anténor Firmin, die toch in een uitzonderlijke goede positie zat, maakte volop gebruik van die positie om tegen onrechtvaardigheid te strijden. In die zin is hij heel gelijkaardig aan Paul Panda Farnana. Alle twee hadden ze evengoed passief kunnen genieten van hun elitaire positie, maar dat hebben ze niet gedaan.’

‘Daarom zijn ze ook goede alternatieve personen om een belangrijke plaats te geven in onze geschiedenis. Want wanneer we praten over kolonisatie of racisme, moeten we het ook hebben over de strijd ertegen. Die strijd is er altijd geweest en werd gevoerd door ontelbaar veel mensen. Daarom vond ik het moeilijk om slechts twee personen uit te kiezen.’

‘Er is ook lange tijd weinig gedocumenteerd over mensen die in verzet gingen tegen onderdrukking. Daardoor vallen hun verhalen vaak moeilijk of niet te vertellen. De enkele personen wiens persoonlijke verhaal we wel kennen, zoals Paul Panda Farnana of Anténor Firmin, verdienen daarom een standbeeld.’

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2745   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift