Onverkochte kleding biedt uitgesloten vrouwen nieuwe toekomstkansen

‘Liefdadigheid creëert afhankelijkheid. Een eigen inkomen geeft waardigheid’

© Tracey Chambers

The Clothing bank leert Zuid-Afrikaanse vrouwen een handel opzetten met onverkochte kleding

In 2010 nam Tracey Chambers ontslag als financieel directeur van de supermarktketen Woolworths in Zuid-Afrika. Er was zinvoller werk te doen, geloofde ze, dan het opvolgen van spreadsheets met binnenkomende en uitgaande producten, om aan het eind van elk kwartaal de winst voor de aandeelhouders uit te tellen.

‘Omdat ik uit de grote textielwinkels kwam’, zegt Chambers, ‘wist ik dat er altijd een overschot aan kleren is. Dat is niet veel, meestal zo’n 1 à 2 procent. Voor boekhouders is dat een getal, iets om af te schrijven. Voor mij werd het een vertrekpunt van een zinvoller alternatief.’

‘Er altijd een overschot aan kleren. Voor boekhouders is dat iets om af te schrijven. Voor mij werd het een vertrekpunt van een zinvoller alternatief’

Tracey Chambers: ‘De grootwarenhuizen hadden al langer programma’s lopen rond voedseloverschotten, met alle moeilijkheden rond versheid en voedselveiligheid die daarmee samenhangen. Voor kledingoverschotten zocht men een gelijkaardig model, maar de weeshuizen of andere organisaties die dan pakketten kregen, waren daar niet altijd mee gediend. Wat doet zo’n weeshuis met kleren voor volwassenen? Bovendien was het vaak onduidelijk wie wat kreeg, of de bestemming wel legitiem was, en vooral wat ermee gedaan werd.’

Ze kon daar een beter model tegenover zetten, zegt ze, waardoor het voor bedrijven als Woolworths ook mogelijk werd om hun omgang met kledingoverschotten in te schrijven in de kolom van duurzaam bedrijfsbeheer in plaats van afvalproductie. Dat model was The Clothing Bank, een project dat vertrok vanuit drie garageboxen achteraan een weeshuis, ter beschikking gesteld waren door de het stadsbestuur van Kaapstad, met tien vrouwen. Het groeide snel uit tot een onderneming met vijf vestigingen in Zuid-Afrika, waarvan de drie grote vestigen in Kaapstad, Durban en Johannesburg 1500 m² beslaan en elk tweehonderd vrouwen opvolgen en vormen.

© Tracey Chambers

‘68 procent van de moeders in Zuid-Afrika is alleenstaand, 49 procent van de zwarte Zuid-Afrikaanse vrouwen leeft onder de armoedegrens’

Tracey Chambers: ‘The Clothing Bank garandeert blijvende steun voor de goede doelen zoals de weeshuizen, maar dan nu met een veel beter geselecteerd en gefocust aanbod. Met twintig procent van de giften in natura, kunnen we de meer dan honderd goede doelen allemaal bedienen.’

Met de resterende tachtig procent wou Chambers een project opzetten waarmee de levensstandaard van vrouwen en hun gezinnen verbeterd kon worden. ‘68 procent van de moeders in Zuid-Afrika is alleenstaand, 49 procent van de zwarte Zuid-Afrikaanse vrouwen leeft onder de armoedegrens, elf miljoen kinderen leven op basis van een uitkering omdat hun ouders geen of een veel te laag inkomen hebben. De focus werd dus gericht op werkloze, laaggeschoolde moeders.’

‘68 procent van de moeders in Zuid-Afrika is alleenstaand, 49 procent van de zwarte Zuid-Afrikaanse vrouwen leeft onder de armoedegrens, elf miljoen kinderen leven op basis van een uitkering omdat hun ouders geen of een veel te laag inkomen hebben

De doelstelling was hen in staat te stellen zelf een inkomen te verwerven. ‘Hun kansen op de arbeidsmarkt zijn uiterst laag, want ze hebben veel te weinig scholing of opleiding, maar met de producten die wij kregen, konden we hen wel kleine handeltjes laten opzetten en hen eigenlijk opleiden tot handelaars.’

Dat plan bood de retailers ook de kans goede punten te scoren onder de Zuid-Afrikaanse black economic empowerment wetten, omdat verschillende vakjes in die regelgeving aangekruist kunnen worden: er wordt vorming gegeven, kleine zwarte ondernemingen krijgen steun en het project stimuleert de sociaal-economische ontwikkeling door kwetsbare mensen een plek te geven binnen de economie. Met andere woorden: The Clothing Bank biedt grootwarenhuizen economische voordelen binnen de politieke omgeving van Zuid-Afrika, linkt de bedrijven met mensen die knokken om zowel hun eigen leven als het land beter te maken, én het kost hen niets want ze moeten anders ook af van de niet verkochte overschotten.

Chambers: ‘We werken intussen samen met acht retailers, die samen niet minder dan 1,8 miljoen stuks per jaar schenken: broeken, jurken, t-shirts, maar intussen ook kookpotten, lippenstift, juwelen, wijnglazen (een set van zes waarvan er een gebroken is, bijvoorbeeld)…’ Alles wat een grootwarenhuis verkoopt en niet eetbaar is, kan in het aanbod van The Clothing Bank belanden. In die zin is het oorspronkelijke idee al helemaal geëvolueerd naar een Non-Food Bank.

The Clothing Bank is geen caritatief project, maar een sociale onderneming. ‘Want liefdadigheid verwoest de waardigheid van de ontvangers’, zegt Chambers. ‘Want elke keer dat je iets uitdeelt aan iemand bevestig je dat zij niets heeft en jij wel, dat zij niet kan beslissen en jij wel. En dat eindigt bij het internaliseren van die ongelijkheid, maar ook in het omkeren ervan: ik kan niet, dus moet jij. Liefdadigheid creëert zowel afhankelijkheid als het gevoel dat armoede of uitsluiting recht geeft op zaken.’

Concreet betekent die bedrijfsbenadering dat de producten die The Clothing Bank krijgt, niet uitgedeeld, maar verkocht worden aan de deelnemende vrouwen. Tracey Chambers: ‘In 2017 realiseerden we 22 miljoen rand inkomen. Tachtig procent van onze onkosten wordt op die manier gedragen, bijna vijftig procent gaat rechtstreeks naar vorming en ontwikkeling, bijna vijftig procent gaat naar zaken als transport en opslag. Essentieel is dat bij ons de opleiding niet in klaslokalen gebeurt, maar in en door de praktijk.’

‘Op het platteland zal een nieuwe jurk niet zo snel bovenaan het prioriteitenlijstje belanden, terwijl het in de stad voor veel vrouwen toch een zaak van zelfrespect en waardigheid kan zijn’

De wens om de transportkosten zo laag mogelijk te houden leidde tot het spreiden van het project over verschillende steden, omdat de deelnemende grootwarenhuizen daar ook geconcentreerd zijn. Dat betekent ook dat het project niet geschikt is voor rurale ontwikkeling, ook al zijn de noden daar ook groot. Naast de grote transportkosten, blijkt ook het productaanbod veel beter aangepast aan de noden, smaken en prioriteiten van stedelijke consumenten.

‘Op het platteland zal een nieuwe jurk niet zo snel bovenaan het prioriteitenlijstje belanden, terwijl het in de stad voor veel vrouwen toch een zaak van zelfrespect en waardigheid kan zijn.’

© Tracey Chambers

Het project is verspreid over verschillende steden, mede om de transportkosten zo laag mogelijk te houden

Op dit moment zijn achthonderd vrouwen aan de slag binnen het project, tegelijk als kleine handelaars en in opleiding. Zij bepalen zelf welke producten ze aankopen en denken te kunnen verkopen, want ‘zij kennen hun gemeenschap en hun eigen capaciteiten beter dan wie ook’, zegt Chambers. Sommigen maken een kamer vrij in hun huis om een winkel te runnen, anderen beginnen via een Facebookpagina, er zijn er die ambulante handel verkiezen bij stations of grote kantoorgebouwen. De mantra die de vrouwen ingeprent wordt, is: koop goedkoop in, zet de verkoopprijs zo hoog mogelijk, concentreer op cash.

Om de vrouwen consequent in de commerciële logica te trainen, vermijdt The Clothing Bank alles wat gratis of vrijblijvend is. Chambers: ‘Wie begint, krijgt voor 600 rand producten, maar betaalt dat later wel terug. De vorming betalen ze niet, maar ze verbinden zich wel er wel toe wat ze leren ook toe te passen in een concrete commerciële activiteit. En er zijn sterke ondersteuningsmechanismen om falende ondernemers te helpen om opnieuw te beginnen – maar dat gebeurt wel zonder een nieuwe opstartlening.’

Ook deel van die logica: wie na herhaalde pogingen blijft mislukken, krijgt de boodschap dat handel drijven niet voor haar is, en dat er binnen het project dan ook geen plaats meer is voor haar. ‘Het was heel moeilijk voor ons om te leren dat die boodschap, hoe hard ze ook is, ook in het belang van die concrete vrouw kan zijn.’

‘Wie het hele programma afwerkt, werkt zichzelf op uit de armoede, daar zijn we zeker van. Maar niet iedereen komt zo ver’

The Clothing Bank meet succes op drie verschillende manieren. ‘Eén: maakt de deelneemster winst? In totaal maakten de vrouwen op een jaar tijd zo’n 2,5 miljoen rand winst. Op basis daarvan berekenen we een gemiddelde en een benchmark waaraan elke vrouw haar resultaat kan afmeten.

Twee: slaagt ze erin om daarmee uit de armoede te geraken? Dat wegen we niet af op de korte maar op langere termijn aan de hand van een instrument dat een vijftigtal indicatoren combineert.

Drie: ‘wie het hele programma afwerkt, werkt zichzelf op uit de armoede, daar zijn we zeker van. Maar niet iedereen komt zo ver: zestig procent rondt het eerste jaar goed af, tien procent vindt werk, tot vijftien procent haakt onderweg af omdat ze vaststellen dat handelen toch niets voor hen is, dat het te veeleisend is, of omdat hun persoonlijke situatie gewoon te zwaar is om het vol te houden.’

© Tracey Chambers

‘Wie het hele programma afwerkt, werkt zichzelf op uit de armoede, daar zijn we zeker van’

De opleiding houdt in dat de vrouwen elke week zeker één voormiddag samenkomen voor theoretische training of voor persoonlijke coaching. Of ze dragen “vrijwillig” een halve dag bij om de binnenkomende producten te verwerken, klasseren, verdelen. De dubbele aanhalingstekens zijn nodig, omdat een vast onderdeel van een programma nooit echt vrijwillig is, natuurlijk. En alle positieve effecten die Chambers noemt – ‘ze leren de producten kennen, ze worden er enthousiast over, ze leren elkaar ook beter kennen, ze bouwen relaties en netwerken’ – kunnen niet verbergen dat het werk deel uitmaakt van het businessmodel van de sociale onderneming en dus eigenlijk gratis arbeid is.

Hoe verantwoordt Chambers haar eigen goede salaris tegenover de vrouwen waarmee ze werkt en die door hun inzet en verkoop de meerwaarde opbrengen waarvan zij betaald wordt? Ze schat dat haar inkomen ongeveer een derde is van wat ze in de bedrijfswereld zou verdienen. Bovendien gelooft ze dat haar inzet wel degelijk cruciale meerwaarde oplevert voor de hele organisatie en dus voor elk van de achthonderd vrouwen die er actief bij betrokken zijn. Dat zou eerder verminderen dan verbeteren door haar salaris te schrappen, daar is ze van overtuigd.

‘Er zit niet echt een plafond aan hun mogelijkheden.’ Maar klopt dat wel voor vrouwen, inwoners van arme townships, laaggeschoolden, en mensen die de netwerken missen om in Zuid-Afrika snel rijk te worden?

‘En bovendien’, voegt ze toe, ‘kunnen vrouwen uiteindelijk meer gaan verdienen dan ik dankzij de lessen die ze bij ons krijgen. Er zit niet echt een plafond aan hun mogelijkheden.’ Ik werp tegen dat dat ultraliberale standpunt wel heel veel abstractie maakt van alle plafonds waar die vrouwen wel degelijk mee te kampen hebben: als vrouwen, als inwoners van arme townships, als laaggeschoolden, en als iemand die de netwerken – of de corruptievaardigheden – mist om in Zuid-Afrika snel rijk te worden. Chambers is het daar niet mee eens en houdt vol dat de veranderde mentaliteit bij de vrouwen hen wel degelijk alle kansen biedt. ‘Ze leren om te gaan met schijnbaar onoverkomelijke problemen of serieuze tegenslagen, en dat maakt het verschil op lange termijn.’

Zit The Clothing Bank met het huidige bereik van telkens 800 vrouwen en een jaaromzet van 22 miljoen rand aan zijn plafond, of is er nog ruimte om verder door te groeien? Chambers denkt dat de groeikansen beperkt zijn, want de voornaamste grootwarenhuizen en de lokale grote online-aanbieder zijn al aan boord, terwijl de maakindustrie veel minder geneigd is om overschotten weg te schenken, al was het maar omdat de meeste textielproducenten veel kleiner zijn en met veel dunnere winstmarges moeten werken.

Waar nog wel groei mogelijk is, is in nieuwe productcategorieën. Elektrische huishoudtoestellen, bijvoorbeeld. Door die op te nemen in het aanbod, ontstond voor The Clothing Bank ook de kans om 17 mannen aan boord te nemen die in herstelateliers werken. De doelstelling is om op korte termijn naar 200 mannen te gaan.

‘Kledingketens stimuleren klanten wel om tweedehandskleding weg te schenken, maar ze zetten zelf onvoldoende in op duurzame en rechtvaardige oplossingen voor hun eigen overschotten’

Verder probeert Chambers over de grenzen te kijken. ‘Ik zag onlangs dat in Frankrijk een wetsvoorstel voorligt dat het onmogelijk zou maken om kleding te verbranden. Ik denk dat er in Europa nog veel mogelijk zou zijn, want de warenhuizen zwijgen over wat ze met hun overschotten doen. Ze stimuleren klanten wel om tweedehandskleding weg te schenken, maar zetten zelf onvoldoende in op duurzame en rechtvaardige oplossingen voor hun eigen overschotten. Want, wie weet er eigenlijk wat H&M of Primark met hun niet verkochte kleding doen?’

Chambers is er zeker van dat er ook in Europa aanbod en vraag niet perfect op elkaar passen, en al zeker niet in de steeds kortere modecycli in wat vandaag fast fashion heet. Vroeger was er nog tijd om de verkoop van een seizoen voor te bereiden, vandaag ontbreekt dat meestal. Het gevolg van die evolutie, zegt ze, ‘is dat ook de kwaliteit van de kleren omlaag gaat – en ook dat resulteert in meer teruggestuurde of teruggebrachte kleren, en dus meer textiel dat de hele productieketen doorlopen heeft, maar nooit verkocht geraakt.’

Chambers is allesbehalve blij met de overdreven consumptiedwang, maar ze heeft wel plannen en projecten om ten minste een deel van de nefaste gevolgen daarvan te gebruiken om kwetsbare vrouwen uit hun armoedeval te bevrijden.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en wordt proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur