Milieuminister Schauvliege haalt fors uit naar Wallonië

Tegen de VN-klimaattop eind november in Parijs moet duidelijk zijn of België zijn klimaatdoelstellingen haalt. Toch is er binnen België nog altijd geen duidelijkheid over de juiste bijdrage van Vlaanderen, Wallonië en Brussel. Vlaams Milieuminister Joke Schauvliege: ‘Wallonië zegt: “Wat wij méér doen, verkopen wij liever voor veel geld aan Luxemburg of Nederland in plaats van solidair te zijn met Vlaanderen.”’ Die houding noemt Schauvliege ‘olie op het vuur’ en ‘het failliet van het klimaatbeleid’.

  • © RV Joke Schauvliege, Vlaams minister van Milieu © RV
  • © Aspiravi Windturbines in Puurs © Aspiravi

Minister Schauvliege is niet alleen bevoegd voor het verlenen van milieuvergunningen voor windmolens. Ze is ook de minister die moet waken over het halen van de doelstellingen voor hernieuwbare energie zoals die door Europa vooropgesteld zijn. Maar er is nog een lange weg te gaan.  

Tegen 2020 moet Vlaanderen 10,5 procent van zijn energie uit hernieuwbare bronnen halen, momenteel is dit slechts 5,9 procent. Het aandeel van groene stroom moet zelfs naar 19,5 procent tegen 2020, terwijl we vorig jaar nog maar op 9,9 procent zaten. 

Hoe denkt u het percentage voor hernieuwbare energie alsnog te halen? 

Minister Schauvliege: Wij willen de doelstelling zeker halen en willen daarvoor samen met collega Turtelboom (Vlaams minister van Energie, nvdr) een mix van maatregelen nemen. We hebben zopas, half september, een project voor diepe geothermie opgestart in Mol, als een van de nieuwe initiatieven voor Vlaanderen.

‘We zijn al jaren bezig met windenergie maar vaak duurt het ook jaren vooraleer projecten gerealiseerd worden.’

De installatie van windenergie is niet echt stilgevallen, er zijn nog heel wat vergunningen verleend. De meest evidente plaatsen om windmolens te zetten in Vlaanderen, zijn echter al ingenomen. We zijn al jaren bezig met windenergie maar vaak duurt het ook jaren vooraleer projecten gerealiseerd worden. Er wordt een vergunning afgeleverd, dan komt er een actiecomité, vervolgens wordt er in beroep gegaan en dan zijn we vertrokken voor een lang traject. 

Om daar iets aan te doen, hebben collega Turtelboom en ikzelf voorgesteld om te werken met regelluwe zones, de zogenaamde fast lanes om trajecten te detecteren waar we versneld windmolens kunnen installeren. Er is een stuurgroep vanuit energie en ruimtelijke ordening, om die zones uit te tekenen. Bedoeling is om dan een gezamenlijke aanbesteding te kunnen doen, een tender, om sneller te werken. 

Lobbying

Wellicht komt er ook wel lobbydruk kijken bij de dossiers. Volgens welke criteria hanteert u bezwaarschriften tegen windturbines? 

Minister Schauvliege: Ik moet mij buigen over de milieuaspecten: slagschaduw, geluidshinder, landschappelijke aspecten. Ik doe dat op basis van adviezen die ik krijg, bijvoorbeeld van het Agentschap Natuur en Bos, die wijzen op de trekvogelroutes of vleermuizen. Of adviezen die wijzen op de risico’s van slagschaduw of geluidshinder. Wij gaan dan na of er werkelijk  onaanvaardbare hinder is voor de buurt.

‘Lobbydruk is er, maar die komt zowel van ontwikkelaars als van actiegroepen.’

Lobbydruk is er, maar die komt van weerskanten: de aanvragers en ontwikkelaars komen hun dossier voorstellen, en actiegroepen komen hun bezwaren toelichten. Ik ontvang die mensen nooit zelf, ze hebben contact met onze diensten.

Ik vind het positief dat er op die manier met burgers gepraat wordt. Zo geef je inspraak, luister je naar het verhaal van de mensen en is er ruimte voor openbaar onderzoek. Dat wil niet zeggen dat je je door die specifieke bezwaren moet laten bepalen. Ik moet alleszins een beslissing nemen die goed afgewogen en onderbouwd is. Doe ik dat niet goed, gaat men naar de Raad van State. 

Maar betekent dit niet dat wie makkelijk toegang heeft tot u, meer invloed kan uitoefenen?

Minister Schauvliege:  Neen. Ik ontvang die mensen niet zelf, ze spreken met mensen die hier de betrokken dossiers opvolgen. 

Bij het bouwen van een windturbine zijn er verschillende niveaus betrokken: het Vlaams Gewest, de provincie, de gemeente, volgens het principe van subsidiariteit. Werkt dat systeem wel? 

Minister Schauvliege: Ik geloof in het principe van de subsidiariteit. Het lokale niveau kan het best de lokale situatie inschatten. Moest het Vlaamse niveau beslissen over elke windmolen die er gebouwd wordt, dat zou niet gaan. In de fast lane wordt er wel gewerkt met het concept van het bundelen van projecten, en het gezamenlijk vergunnen. Dat kan dan wel direct op het Vlaamse niveau. 

De snelle weg

U spreekt over regelluwe zones in die fast lane. Welke regels zouden er geschrapt worden?  

Minister Schauvliege: Het komt erop neer dat je dan niet meer apart een bouw- en milieuvergunning nodig hebt. Vanaf oktober 2016 zal je alleen nog een omgevingsvergunning nodig hebben.

‘We zien vandaag dat verschillende private initiatiefnemers voor de ontwikkeling van windenergie elkaar tegenwerken.’

We zien vandaag dat verschillende private initiatiefnemers voor de ontwikkeling van windenergie elkaar tegenwerken. Soms zijn er verschillende plannen voor hetzelfde gebied, de initiatiefnemers contacteren apart eigenaars, geraken met elkaar in de clinch en komen met aparte dossiers naar de overheid. En de overheid heeft vanuit het departement Energie nooit een kader ontwikkeld om daarmee om te gaan.

We willen nu vanuit de overheid mee de optimale zones detecteren en projecten in de markt zetten voor de gezamenlijke realisatie van een aantal windturbines. Die gezamenlijke aanpak moet vermijden dat er voor sommige dossiers wel tien keer een openbaar onderzoek moet gebeuren.

© Aspiravi

Windturbines in Puurs

In Gent/Zwijnaarde is er een zone die door de provincie als ideaal is aangeduid, langs de E40. Maar de eigenaars verzetten zich. Wat doe je dan als overheid? 

Minister Schauvliege: Het voordeel van de fast lane is dat, als die zone geschikt blijkt om windmolens te plaatsen, wij vanuit de overheid de mogelijkheid hebben om dat zelf te gaan ontwikkelen, ook als de eigenaars geen interesse tonen.  

In dit concrete geval  in Gent is een deel van die zone eigendom van Waterwegen en Zeekanalen, een Vlaamse overheidsinstelling. Maar die stelt: ‘Wij zijn bezig met water, wind interesseert ons niet.’ Hoe gaat u daar dan mee om? 

Minister Schauvliege: De fast lane is goedgekeurd door de volledige Vlaamse regering. Dat wil zeggen dat de minister bevoegd voor Waterwegen en Zeekanaal ook mee in het concept zit en dus ook aangesproken is door de doelstellingen ervan.

Maar u maakt zich sterk dat ook overheidsbedrijven die in een gebied liggen dat ideaal blijkt voor windmolens niet meer kunnen zeggen ‘Het is ons ding niet, wij doen daar niet mee mee’? 
 
Minister Schauvliege: Als ze in zo’n fast lane-zone liggen wel. Als ze er inkomsten uit kunnen halen, kan hen dat ook wel interesseren. 

Moet je rechten van opstal hebben –een contract met de grondeigenaar dat de ontwikkelaar het exclusieve recht geeft een windturbine te bouwen op een bepaald perceel– om te kunnen deelnemen aan een tendering?  

Minister Schauvliege: Rond die technische kwesties is een werkgroep bezig, met juristen vanuit het departement energie en vanuit het departement ruimte. 

Gaat de overheid dan ook een meer sturende rol hebben?

Minister Schauvliege: Absoluut.  

In Nederland zijn ontwikkelaars verplicht om een participatieplan uit te werken. 

‘Participatie kan ook de producenten meer rechtszekerheid geven, en is daarom ook voor hen interessant.’ 

Minister Schauvliege: In de conceptnota die door de Vlaamse regering is goedgekeurd, zit ook de vraag hoe we burgers meer kunnen laten participeren. Het kan ook mee in de oproep zitten: dat wie deelneemt aan de tender, ook een voorstel voor de participatie van burgers moet voorleggen.

Bij zonne-energie heb je mooie voorbeelden. Zo is er de Zonneberg in Gent, waar burgers mee zonnepanelen gekocht hebben en participeren. Dat moet ook kunnen bij windenergie. Participatie kan ook de producenten meer rechtszekerheid geven, en is daarom ook voor hen interessant. 

We willen u een concrete case voorleggen: het Oost-Vlaamse windplan was gebaseerd op zonering en participatie. U hebt dat ongeldig of onontvankelijk verklaard. Dat kwam vreemd over. 

Minister Schauvliege: Ja, maar de interpretatie was helemaal fout. De provincie heeft een aantal fouten gemaakt waarvoor we haar gewaarschuwd hadden. Ze heeft een aantal zones uitgesloten die ook interessant waren voor windmolens.

Door dat plan niet goed te keuren, creëren we de opportuniteit om nog meer windmolens te bouwen. Het was ook zo dat in dit plan zones waren uitgesloten waar al initiatieven liepen voor windmolens. 

Dat is net eigen aan zonering. 

Minister Schauvliege: Ja, maar in plaats van het effect te beogen meer windmolens te realiseren, ga je een aantal lopende projecten tegenhouden. Daarom hebben wij gewezen op de fout die er in dat dossier is gebeurd.

Zijn gemeenten voldoende mee? Lijden ze ook niet aan het NIMBY-syndroom? 

Minister Schauvliege: Ik zie toch heel wat gemeenten die een klimaatconvenant afsluiten en investeren in hernieuwbare energie –en energiezuinigheid is daar een onderdeel van. Er zijn ook gemeenten die samenwerken. In Limburg heb je ook intercommunales die windmolens plaatsen. 

‘Vlaanderen heeft ook zijn beperkingen: we hebben geen bergen die waterkracht mogelijk maken. We hebben wel zon maar we zijn Spanje niet.’

Zijn er nog andere elementen behalve de fast lane om het ritme van hernieuwbare energie op te drijven?

Minister Schauvliege: Door een kader te creëren. Bijvoorbeeld met de geothermie zorgen wij ervoor dat er vergunningen verleend kunnen worden en dat er proefprojecten opgezet kunnen worden, maar dat is materie voor mijn collega van Energie.

Vlaanderen heeft ook zijn beperkingen: we hebben geen bergen die waterkracht mogelijk maken. We hebben wel zon maar we zijn Spanje niet. We zijn dicht bevolkt en hebben niet de ruimte om het landschap vol te zetten met windmolens.

Lastenverdeling

België moet tegen 2020 dertien procent hernieuwbare energie realiseren. Voor Vlaanderen is dat 10,5 procent. Hoe ver staat het met de lastenverdeling?

Minister Schauvliege: Daarover zijn we nog steeds aan het discussiëren. Alle elementen hangen samen. Hoeveel doet wie voor de reductie van broeikasgassen, het realiseren van hernieuwbare energie en de bijdragen voor de internationale klimaatfinanciering? Dat zijn de drie thema’s die op tafel liggen.

Het effectief verminderen van de broeikasgasuitstoot is mijn bevoegdheid. We moeten als land vijftien procent reductie realiseren voor Europa, en wij zijn als regio bereid om meer te doen. Brussel heeft het moeilijker om die norm te halen omdat het een oud woonpatrimonium heeft, Wallonië idem.

Vlaanderen is een rijke regio en kan zich hiervoor inzetten.

Minister Schauvliege: Niet omdat we rijk zijn maar omdat we vooruitziend zijn geweest. We hebben een klimaatfonds opgericht en een klimaatplan gemaakt, waarin wordt gesteld dat we iets meer kunnen doen.

Wel vragen we aan Wallonië om op het vlak van hernieuwbare energie iets meer te doen, en stelt mijn collega Turtelboom –het is haar bevoegdheid– voor om iets minder te doen. Daarover gaat de discussie.

Zal er tegen de VN-klimaattop eind november in Parijs een akkoord zijn?

Minister Schauvliege: Dat zal moeten. Maar het feit dat er nog geen verdeling is, wil niet zeggen dat we geen klimaatbeleid voeren. Mijn collega van Energie is bezig met de hernieuwbare energie op te drijven en wij zetten ons in om die vijftien procent reductie in CO2 uitstoot te halen. Het is natuurlijk jammer dat die centen daar liggen en niet kunnen geïnvesteerd worden, dat klopt. Bij de hernieuwbare energie komt ook het federale niveau kijken want dat is verantwoordelijk voor de offshore windproductie.

Waarom duurt die lastenverdeling zo lang?

Minister Schauvliege: We zijn het er bijna over eens wie welke inspanning doet. De regio’s zijn heel blij dat wij, Vlaanderen, meer willen doen in het reduceren van de uitstoot. Maar over hernieuwbare energie zei Wallonië: ‘Wat wij méér doen, verkopen wij liever voor veel geld aan Luxemburg of Nederland in plaats van solidair te zijn met Vlaanderen.’ Dat is een eerste moeilijk element. 

‘Wallonië zegt: “Wat wij méér doen, verkopen wij liever voor veel geld aan Luxemburg of Nederland in plaats van solidair te zijn met Vlaanderen.”’

Een tweede moeilijk element is de verdeling van de middelen die er federaal zijn, afkomstig van de veiling van emissierechten. Dat bedrag is inmiddels opgelopen tot 247 miljoen euro. De vraag is: wie krijgt wat van die centen? Ons standpunt hierin is dat wie de meeste inspanningen doet, de meeste middelen moet krijgen. De middelen moeten naar toekomstige inspanningen gaan en daar knelt het schoentje.

Omdat Vlaanderen meer doet rond CO2-reductie wil het meer geld?

Minister Schauvliege: Inderdaad, maar dat geldt ook voor Wallonië voor zijn hernieuwbare energie. Wij zijn niet de enigen die zeggen dat we geld moeten hebben. Het gaat over klimaatbeleid en het gaat over effectief terugdringen van broeikasgassen, niet enkel over centen die moeten verdeeld worden. 

Wallonië doet moeilijk? 

‘Het heeft geen zin om de zwarte piet voortdurend door te schuiven, ik doe daar niet aan mee.’

Minister Schauvliege: Niet alleen Wallonië. Brussel zegt: ‘Wij kunnen niet veel doen in Brussel om de CO2 naar beneden te halen.’ Maar er staan heel veel verouderde woningen en er rijden heel veel wagens. Ze willen wel veel centen maar ze willen niet veel doen. Wij zeggen dan: we hebben begrip voor het feit dat het in Brussel moeilijk is, maar wees dan ook realistisch in de eisen die op tafel liggen.

Ik wil dat niet op de spits drijven maar dat is de discussie. Het heeft geen zin om de zwarte piet voortdurend door te schuiven, ik doe daar niet aan mee. Maar voor mij is het wel cruciaal dat de middelen ingezet worden om de CO2-uitstoot te reduceren en hernieuwbare energie te realiseren. En ook voor de internationale klimaatfinanciering. En dat die financiële middelen niet voor van alles anders gebruikt wordt. Dat is voor mij cruciaal en daar ga ik niet van af, omwille van het klimaat. 

Zien de anderen dat geld eerder enkel als een financieringsbron?    

Minister Schauvliege: Ik heb soms de indruk. Voor mij is het belangrijk dat daar engagementen tegenover staan.  

Volgens u bieden de anderen te weinig garanties om tot een globaal klimaatpakket te komen? 

Minister Schauvliege: Ik vond het olie op het vuur dat Wallonië stelt dat het zijn hernieuwbare energie liever verkoopt aan Luxemburg en Nederland om zo meer centen binnen te halen. Dat is voor mij het failliet van het klimaatbeleid. 

Is er nu een reden om te geloven dat die impasse voor de VN-top in Parijs doorbroken wordt als het nu al zes jaar aansleept? 

Minister Schauvliege: Het is geen optie om er niet uit te geraken, we moeten eruit geraken. Geen doorbraak bereiken zou heel veel overschaduwen, zelfs al komt er een mooi akkoord in Parijs.

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur