‘Thuisloosheid bannen is mogelijk. Het niet doen is een politieke keuze’

Interview

Interview met Laurent d’Ursel, thuis tussen de Brusselse thuislozen

‘Thuisloosheid bannen is mogelijk. Het niet doen is een politieke keuze’

‘Thuisloosheid bannen is mogelijk. Het niet doen is een politieke keuze’
‘Thuisloosheid bannen is mogelijk. Het niet doen is een politieke keuze’

François De Heel

02 maart 2023

Laurent d’Ursel werd geboren als telg van een rijke adellijke familie, maar voelde zich daar niet thuis. Hij werd leraar Frans en beeldend kunstenaar. Inmiddels voelt hij zich meer thuis aan de andere kant van het sociale spectrum: tussen de Brusselse thuislozen.

François De Heel

François De Heel

Laurent d’Ursel werd in 1959 geboren als telg van een rijke adellijke familie. Als adolescent ontsnapte hij aan die wereld om leraar Frans en beeldend kunstenaar te worden. Inmiddels voelt hij zich meer thuis aan de andere kant van het sociale spectrum: tussen de Brusselse thuislozen. ‘Het kan anders. En net omdat het anders kan, moet het ook anders.’

Ik kom aan bij Doucheflux in de Veeartsenstraat in Anderlecht op een grauwe winterochtend. Het is elf uur, het tijdstip van de wekelijkse bijeenkomst van het Syndicaat der giganten (Syndicat des immenses), wat staat voor Geweldige Individuen in Gigantische Armoede maar Niet zonder Trots.

Terwijl die giganten één voor één binnendruppelen, probeer ik me Laurent d’Ursel voor te stellen als graaf – want zo mag hij zich noemen. Met zijn knalgele bodywarmer, zijn sandalen — één zwarte, één bruine — en zijn joggingbroek met opschrift ‘I can’t breathe’ zou het niemand verbazen als hij zelf een gigant was. Nu is hij naast secretaris van het Syndicaat der giganten ook codirecteur van Doucheflux, een dagopvang voor thuislozen. Twee onbezoldigde functies waar hij zich met hart en ziel op stort.

Na de vergadering vertelt hij me: ‘Als tiener moest ik naar mondaine dansfeestjes voor de rijken, een “rally” heet dat in het milieu. De bedoeling is dat je er een huwbare partner uit “je eigen klasse” aan de haak slaat. Mijn broers en zussen trokken er jarenlang naartoe. Ik drie keer, toen had ik het wel gezien.’

‘Ik vond die snobs stom. Het aristocratengedoe interesseerde me geen moer. Als kind al vond ik het onbegrijpelijk, om niet te zeggen degoutant, die manier van zich superieur voelen. Ik wilde er niets mee te maken hebben.’

Douchen bij Brussel-Zuid

Decennia later kreeg Laurent spijt dat hij de contacten met de d’Ursels niet beter onderhouden heeft. Mensen met te veel geld was immers precies wat hij in 2012 zocht om Doucheflux uit de grond te stampen. Op dat moment was Doucheflux slechts een idee: daklozen hebben nood aan douches, die zijn er te weinig in Brussel dus daar gaan we voor zorgen.

Dat plan ontstond tijdens een manifestatie voor en met thuislozen eind 2011. Laurent deelde er flyers uit in zijn allesbehalve adellijke outfit. Een thuisloze voelt zich daardoor net aangesproken: je bent politicus noch sociaal werker. Het sterkt Laurent in zijn idee dat hij misschien een rol kan spelen.

‘Als jij morgen plots thuisloos wordt, en overmorgen zorgen we voor een woning, dan heb jij geen begeleiding nodig. Maar wie al jarenlang op straat leeft, wél.’

Als een bulldozer smijt hij zich op Doucheflux. Dat hij zelf zeven appartementen bezit en daaruit een inkomen haalt, helpt om er helemaal voor te gaan. Hij begint een odyssee op zoek naar een pand, geld voor dat pand, geld voor de verbouwing van dat pand, toelatingen en vergunningen voor die verbouwing. Vijf jaar doen Laurent en zijn medestanders erover om obstakel na obstakel te overwinnen. Twee miljoen euro verder opent Doucheflux in 2017 de deuren, op vijf minuten wandelen van het Brusselse Zuidstation.

Anno 2023 draait Doucheflux op volle toeren. De 20 douches, 230 lockers en het wassalon worden gretig gebruikt. Dagelijks komen er zo’n 100 mensen over de vloer.

Binnen en buiten de muren van het pand verschaffen 30 medewerkers en 120 vrijwilligers sociale en medische hulp. Ze organiseren ook cursussen en activiteiten: yoga, zwemmen, breien, tekenen en paardentherapie.

Meer en meer zet Doucheflux in op huisvesting. Dat begon tijdens de covidpandemie. Eerst met tijdelijke opvang, voornamelijk voor vrouwen, in een jeugdherberg in Molenbeek. Daarna zetten ze de opvang voort in een hotel in Vorst. En dankzij een privésponsor beschikt Doucheflux nu ook over 12 eigen transitwoningen in het centrum van onze hoofdstad.

Doucheflux begeleidt de bewoners intensief. ‘Als jij morgen thuisloos wordt en wij overmorgen voor een woning zorgen, dan heb jij geen begeleiding nodig. Je zit dan nog niet tot over je oren in de problemen. Jij weet nog wat een factuur is, geluidsoverlast na tien uur, vuilniszakken, een syndicus. Maar als je jarenlang op straat leeft, dan vergeet je dat allemaal.’

Depannage

Laurent hoopt over enige tijd te kunnen stoppen als codirecteur van Doucheflux. ‘Doucheflux veranderde de voorbije elf jaar. We richten ons nu meer op huisvesting. Die bocht is nog niet helemaal genomen, daarom ben ik voorlopig nog nodig.’

‘We ontstonden vanuit de impliciete premisse dat je de situatie van thuislozen niet kunt oplossen, alleen maar verlichten. Dat is fout.’

Hij heeft ook bedenkingen bij wat hij gerealiseerd heeft. ‘Doucheflux is een magnifieke organisatie, maar douches zijn niet meer dan depannage. Ze komen tegemoet aan een nood maar lossen op termijn niets op.’

‘We ontstonden vanuit de impliciete premisse dat je thuisloosheid niet kunt oplossen, dat je alleen maar de situatie van thuislozen kunt verlichten. Die premisse is fout. Thuisloosheid bannen is mogelijk. Het niet doen is een politieke keuze. Acht jaar deed ik erover om dat in te zien.’

Woorden om armoede te begrijpen

Terwijl Laurent zijn rol bij Doucheflux stilaan uitgespeeld ziet, is dat niet het geval voor zijn rol als secretaris van het Syndicaat der giganten. ‘Het is een van de meest passionerende avonturen van mijn leven. Ik breng elke maandag drie uur door met de giganten, ook als de vergadering op kerstdag of Nieuwjaar valt. De giganten gaan niet op wintersport en hoeven niet naar familiefeestjes.’

‘Aanvankelijk waren we met vijf of zes. Nu vaak met twintig of meer. Giganten mobiliseren is nochtans moeilijk, want ze bevinden zich in een noodsituatie. Hun prangendste vragen zijn: waar zal ik slapen? Waar vind ik een wc?’

‘Soms helpen we buiten de vergadering bij individuele ondersteuning, zoals elke vakbond dat doet. Maar dat vormt niet de essentie. We zijn een actie- en drukkingsgroep. Zoals je een huurdersbond hebt en een syndicaat van eigenaars, zo zijn wij een syndicaat van aspirant-huurders en dito eigenaars.’

François De Heel

Laurent d’Ursel: ‘“Kansarme” is een stigmatiserende term die mensen herleidt tot een probleem, net zoals “dakloze” of “illegaal”. Daarom gebruiken we de term “gigant”.’

François De Heel

Aanvankelijk noemden ze zich Les précaires en colère, de kwade kansarmen. ‘Maar “kansarme” is een stigmatiserende term die mensen herleidt tot een probleem, net zoals “dakloze” of “illegaal”. Daarom gebruiken we de term “gigant”.’

Gigant is trouwens een van de ruim honderd nieuwe woorden die het syndicaat uitvond om armoede en thuisloosheid beter te begrijpen. De term ‘syndicaat’ is evenmin toevallig gekozen. Een syndicaat komt op voor rechten, formuleert eisen, zet die eisen kracht bij met een arsenaal aan actiemiddelen en interventies.

Kritiek op politiek en sociale sector

Op de bijeenkomst die ik bijwoon heerst een strijdvaardige sfeer. Waar zullen we stickers plakken tegen het digitaliseren van alle diensten? Hoe klagen we aan dat de opvangmogelijkheden voor Oekraïense vluchtelingen niet beschikbaar zijn voor thuislozen?

Wie gaat naar het debat ‘Huisvesting als koopwaar’? Wie naar een van de zeven andere acties of evenementen de komende week? Zullen we protestborden bovenhalen tijdens minister Lalieuxs (Karine Lalieux, PS, minister van Armoedebestrijding, red.) presentatie over haar armoedeplan?

Kritiek klinkt er ook op de sociale sector. ‘Ik heb mijn buik vol van de sociale sector’, betoogt Isabelle, een van de aanwezige giganten.

‘Douchen in een dagopvangcentrum, denk je dat dat iemands droom is? Een eigen badkamer, dat is een droom.’

Ik leg de bedenking na de vergadering voor aan Laurent. Doucheflux is immers zelf deel van die vermaledijde sociale sector. ‘Sociale organisaties, Doucheflux inbegrepen, vervullen behoeftes’, reageert hij. ‘Kunnen douchen, dat is een behoefte. Maar giganten bestaan niet louter uit een lijf met behoeftes als eten, slapen, douchen. Ze willen net zoals iedereen kunnen dromen. Douchen in een dagopvangcentrum, denk je dat dat iemands droom is? Een eigen badkamer, dát is een droom.’

‘Het omgekeerde, als sociale professional voor de gigant beslissen dat hij moet durven dromen, is overigens even problematisch, gewelddadig zelfs. Ten eerste heeft niet elke gigant daarvoor de energie. Ten tweede: als er 99 procent kans bestaat dat zijn droom niet realiseerbaar is, dan is dromen alleen maar uitputtend. Als iemand dan de armen laat hangen, moet je dat respecteren.’

‘Een attitude van “We helpen ze toch?!” is sowieso fout. Zodra je denkt in termen van ‘helpen”, plaats je de ander in de rol van hulpbehoevende die dankbaar mag zijn.’

‘Het is trouwens de sociaal werker die “dank u” moet zeggen. Hij ontvangt zijn salaris dankzij de gigant. Zijn werkgever gebruikt de giganten om subsidies binnen te rijven. Zoals je in een oorlog kanonnenvlees hebt, zo heb je in de sociale sector subsidievlees, de giganten.’

François De Heel

Laurent d’Ursel: ‘Het is de sociaal werker die “dank u” moet zeggen. Hij ontvangt zijn salaris dankzij de gigant. En zijn werkgever gebruikt de giganten om subsidies binnen te rijven.’

François De Heel

Laurent benoemt nog meer euvels. ‘Giganten zitten verstrikt in structuren die hen net voldoende ondersteunen om hen in leven te houden, maar niet meer dan dat. Bewust of onbewust maken allerlei regels, procedures en voorwaarden hen het leven net moeilijk, onmogelijk, onleefbaar.’

Het Syndicaat plakt er een woord op dat de Kameroense politicoloog en historicus Achille Mbembe introduceerde: necropolitiek. Ofwel: het gebruik van politieke en sociale macht om mensen te onderwerpen aan leefsituaties die hen reduceren tot ‘levende doden’.

‘Voor de andere beschouwen we dat opvangvoorzieningen als acceptabel, voor onszelf vinden we ze onaanvaardbaar.’

Het hangt samen met een andere kwaal, verduidelijkt Laurent. ‘Neem twee mensen, jij en Gaston. Gaston is een gigant. Hij mag vanavond naar de daklozenopvang. Geweldig: een bed voor die man. Maar jij? Zou jij slapen op een zaal naast onbekenden die boeren en scheten laten en je gsm ’s nachts pikken? Zou jij morgen opstaan om zeven uur omdat iemand dat, zonder reden, beslist heeft?’

‘Jij zult dat nooit doen. Maar voor Gaston moet dat prima zijn. Voor “de andere” beschouwen we dat soort voorzieningen als acceptabel, positief zelfs. Voor onszelf vinden we ze onaanvaardbaar.’

Geen ontsnappen mogelijk

Hoe voorkom je de hulpverleningsmentaliteit binnen Doucheflux?, wil ik weten van Laurent. ‘Dat is onmogelijk’, antwoordt hij meteen.

‘Als sociaal werker bestaat je job uit ondersteunen en helpen, daarvoor word je betaald. Het ergste is als je denkt te kunnen ontsnappen aan die necropolitiek. Dat kun je niet. Je kunt letten op hoe je praat, hoe je je voorstelt, hoe je de gebruiker behandelt en waardeert. Dat is allemaal goed en nodig, maar het verandert niets aan de essentie.’

‘Als je thuisloosheid beschouwt als onvermijdelijk en je bouwt er je beleid op, dan hou je die thuisloosheid in stand.’

Ik leg hem voor dat dat probleem zich bij het Syndicaat niet stelt omdat het geen hulporganisatie is? ‘Klopt’, antwoordt Laurent na een korte aarzeling. ‘Behalve soms als het gaat over mij en hoeveel plaats ik inneem. Mensen vragen zich af: waar is hij mee bezig? Wat is zijn plan? Hij komt op tv, geeft interviews…’

‘Ik zie daarvoor geen oplossing. Mijn enige repliek is dat ik al elf jaar vrijwilliger ben. Mijn wedde is niet te danken aan de giganten, want ik ontvang geen wedde.’

Wonen in plaats van opvangen

De focus van een thuislozenbeleid moet dus niet liggen bij zorg en opvang, maar bij het recht op wonen, stelt Laurent. ‘Inderdaad. In het bestuur van Bruss’Help, de gewestelijke organisatie die de hulp aan thuislozen coördineert, zat geen vertegenwoordiger van de staatssecretaris voor Huisvesting. Alsof thuislozen alleen zorg behoeven. Een plek om te wonen, een thuis, dát hebben ze nodig!’

‘Sinds kort zit er dankzij ons Syndicaat wel een vertegenwoordiger van Huisvesting in dat bestuur. Maandenlang betoogden we wekelijks voor hun kantoor om dat af te dwingen.’

Thuisloosheid is geen fataliteit, het is een oplosbaar probleem, beweert Laurent. ‘Als je thuisloosheid beschouwt als onvermijdelijk en je bouwt er je beleid op, dan hou je die thuisloosheid in stand. Het is een selffulfilling prophecy (een voorspelling die uitkomt net doordat je ze hebt gemaakt, red.). Het kan anders. En omdat het anders kan, moet het ook anders.’

‘Kijk naar Finland. Daar sloten ze de dagopvangcentra en voerden ze Housing First in: huisvesting als eerste stap zonder voorafgaande voorwaarden. En het goede nieuws is: het is betaalbaar! Met het Syndicaat bestelden we een kosten-batenanalyse (waarover je hier meer kan lezen, red.). Die studie toont aan dat het niet duurder is om huisvesting te voorzien dan om thuisloosheid te laten voortduren.’

‘We leren uit experimenten in België dat de aanpak succesvol is. Na twee jaar beschikt negentig procent nog steeds over een woonst. Tot nog toe past men het principe enkel toe voor de meest complexe gevallen. Als het werkt voor de mensen waarvan men dacht dat het hopeloos was, dan zal het werken voor iedereen. Doucheflux is trouwens sinds 1 januari een erkende Housing First-operator voor Brussel.’ (over Housing First lees je ook meer in dit artikel, red.)

‘We maken allemaal gebruik van dingen waar we geen directe tegenprestatie voor leveren. Heb jij moeten betalen om op straat hiernaartoe te wandelen?’

In discussies hoor je de tegenwerping dat je niet zo maar woonplekken kunt ‘uitdelen’. Dat druist in tegen het ‘voor wat hoort wat’-discours.

Laurent: ‘Dat is een boekhoudersvisie die nergens op slaat. We maken allemaal gebruik van allerhande dingen waar we geen directe tegenprestatie voor leveren. Heb jij moeten betalen om op straat hiernaartoe te wandelen? Kijk ook naar de opvang van Oekraïense vluchtelingen. Hen verschaffen we huisvesting. Dat vinden we normaal. Prima. Gaston op zijn karton, die hoeft geen woonst. Dat vinden we ook prima. We hanteren twee maten en twee gewichten.’

Eigen schuld?

Wat doe je met de commentaar dat thuislozen, in tegenstelling tot die Oekraïners, hun situatie aan zichzelf te danken zouden hebben? ‘ “Gaston kreeg zijn kansen en verspeelde ze”, het is inderdaad een idee dat leeft’, beaamt Laurent. ‘En thuisloosheid is dan blijkbaar zijn verdiende loon.’

‘Heeft Gaston fouten gemaakt? Dat is best mogelijk. Dat doen we allemaal. Is daarmee het hele verhaal verteld? Nee, nooit. We schieten als samenleving tekort, dat moeten we leren zien en toegeven.’

‘Trouwens, op andere terreinen stellen we ons de vraag niet eens of het iemands eigen schuld is. Een roker met longkanker, een antivaxer met covid… Zij krijgen dezelfde rechten als om het even wie.’

‘We hebben geen revolutie nodig om thuisloosheid op te lossen.’

Zolang we thuislozen zelf de schuld geven, hoeven we niet na te denken over de oorzaken van ongelijkheid. Is het een tactische keuze van het Syndicaat om niet het economische bestel aan te klagen? ‘Wanneer radicale marxisten of anarchisten betogen voor concrete wooneisen, dan zijn we erbij. Maar we hebben geen revolutie nodig om thuisloosheid op te lossen. De Finnen (met de Housing First-maatregelen, red.) zijn geen marxisten.’

'We positioneren ons als Syndicaat trouwens nooit op de links/rechts-as. We hebben geen nood aan grote retoriek over het systeem. We wantrouwen dat soort retoriek. Die analyses zijn mooi, maar daarmee weet een thuisloze nog niet waar hij vannacht kan slapen.’

Dit interview verschijnt vandaag zowel op Sociaal.Net als op MO*.