Dossier: 

De textielindustrie in Bangladesh twee jaar na Rana Plaza

Eind deze week, op 24 april, zal het exact twee jaar geleden zijn dat in Bangladesh Rana Plaza instortte, een fabriekscomplex dat symbool staat voor miljoenen uitgebuite textielarbeiders. De maatregelen die sindsdien van kracht zijn, leggen de nadruk op veiligheid en schuiven veel schuld in de schoenen van de Bengalese overheid. ‘Er zijn twee kanten aan dit verhaal,’ vindt antropoloog Hasan Ashraf, ‘en één ervan wordt schromelijk onderbelicht.’

  • © Awaaz Foundation Een textielarbeidster aan het werk in Dhaka, Bangladesh. © Awaaz Foundation
  • © Hasan Ashraf Textielarbeidsters aan het werk in Dhaka, Bangladesh. © Hasan Ashraf
  • © Sharat Chowdhury Reddingswerken na de ramp in 2013. 1138 textielarbeiders lieten het leven, dubbel zoveel geraakten gewond. © Sharat Chowdhury
  • © Sharat Chowdhury Deze twee mannen overleefden de ramp in 2013. 1138 anderen hadden minder geluk. © Sharat Chowdhury
  • © Hasan Ashraf Arbeiders aan de fabriekspoort. Ze mogen weg wanneer het nog licht is. De deadline voor levering ligt nog veraf. © Hasan Ashraf
  • © Hasan Ashraf In deze arbeidskolonie interviewde Ashraf 320 textielarbeiders, waarvan 3/4 vrouwen. © Hasan Ashraf
  • © Hasan Ashraf Loonprotesten uit 2011, voor de ramp plaatsvond. Op het groene bord staat te lezen: 'Het minimumloon is 3000 taka. En het leefbaar loon?' © Hasan Ashraf
  • © Hasan Ashraf Deze mannequin vond Ashraf in het puin één jaar na de ramp. 'Het beeld symboliseert de gekneusde en gebroken lichamen van textielarbeiders.' © Hasan Ashraf

‘Wie is de dupe van al de protesten die internationale middenveldorganisaties voeren? Niet de merken, maar de arbeiders.’

Hasan Ashraf werkt momenteel als onderzoeker voor het AISSR, het Instituut voor Onderzoek in de Sociale Wetenschap in Amsterdam. Voor zijn doctoraatsthesis bestudeert hij er de textielsector van zijn thuisland Bangladesh, een project waar hij in 2010 aan de Heidelberg Universiteit mee startte.

‘Mijn onderzoek gaat over de stress die de industrie genereert’, zegt Ashraf. Als antropoloog wou hij zich volledig inleven in de situatie en dus ging hij zelf aan de slag in een textielfabriek. ‘In totaal heb ik vijftien maanden onderzoek verricht, over vier jaar verspreid, zowel op de werkvloer als in de zogenaamde “arbeidskolonies” waar textielarbeiders verblijven. Daar sprak ik met 320 werknemers.’

 

Eén douche voor twintig bewoners

‘Fabrieksbazen en de overheid krijgen kritiek, maar eigenlijk zijn meerdere partijen aansprakelijk voor de ramp.’

‘Recent kwam ik tot de conclusie dat de huur die arbeiders betalen hoger ligt per vierkante meter dan wat gezinnen uit de middenstand in het centrum van Dhaka betalen’, zegt Ashraf. ‘Bijna het dubbele, zelfs. Terwijl de huisvesting in de arbeidskolonies niets meer is dan wat kleine kamers in een sloppenwijk, hutjes als het ware, vaak zonder elektriciteit of drinkbaar water en met slechts één douche voor twintig bewoners.’

‘Toen ik mijn intrek nam in zo’n kamer, vroeg men mij of ik er alleen zou verblijven. Veel mensen hokken samen in één ruimte. De huurprijs ligt gewoon te hoog. De werknemers weten dat het goedkoper kan, maar kunnen het zich niet veroorloven om verder van de fabriek weg te wonen.’

‘De meeste arbeidskolonies liggen op maximaal een uur afstand te voet van een fabriek. Van waar ik werkte, was het drie kwartier stappen. ’s Ochtends moesten we altijd om acht uur beginnen. Te laat komen was geen optie, zelfs geen tien minuten. Als dat drie keer gebeurde per maand, werd er een volledige dag van je salaris afgetrokken, hoewel je drie volle dagen hard gewerkt had.’

© Sharat Chowdhury

Reddingswerken na de ramp in 2013. 1138 textielarbeiders lieten het leven, dubbel zoveel geraakten gewond.

Deadlines en stress

‘De uren die wij klopten, waren zwaar. Acht uur was de regel maar minstens tien uur de norm. Meestal mochten we niet weg voor acht uur ’s avonds, tenzij de deadline voor levering nog lang niet in zicht was. Hoe dichter bij de deadline, hoe langer we verplicht werden om te blijven. Soms tot tien à elf uur ’s avonds, maar af en toe tot een gat in de nacht, waarna we ’s anderendaags om acht uur ’s ochtends opnieuw present moesten tekenen.’

‘Veel misbruik heeft te maken met die deadlines en de stress die dat met zich meebrengt voor de fabriekseigenaars, die dat op hun beurt uitwerken op de arbeiders. De schuld hiervoor ligt niet bij de directe werkgevers, maar bij de kledingmerken. Zij leggen de termijn op en betalen pas als hun levering aangekomen is. Fabrikanten moeten zware leningen aangaan per bestelling die ze binnenkrijgen. Zo is het niet verwonderlijk dat ze nerveus zijn.’

© Hasan Ashraf

Deze mannequin vond Ashraf in het puin één jaar na de ramp. ‘Het beeld symboliseert de gekneusde en gebroken lichamen van textielarbeiders.’

‘Rana Plaza heeft de media naar ons land gelokt, maar er wordt meer kritiek geuit op de fabrieksbazen en de Bengalese overheid dan dat men kritisch nadenkt over de mogelijkheid dat meerdere partijen aansprakelijk zijn voor de ramp.’

Om die stelling te duiden, legt Ashraf enkele frappante tegenstellingen op tafel.

Op zoek naar de laagste prijs

Wat is er eigenlijk veranderd sinds Rana Plaza twee jaar geleden?

Hasan Ashraf: ‘Twee concrete maatregelen werden getroffen. In Europa werd het Bangladesh Akkoord opgestart. Noord-Amerikaanse merken die dat akkoord niet wilden tekenen, hebben een eigen initiatief op poten gezet: de Bangladesh Alliantie. Allebei leggen ze de schuld bij de gebrekkige bouw van de fabrieken.’


 

Het Akkoord en de Alliantie spreken enkel over veiligheid, niet over lonen en andere vormen van sociale bescherming. Wordt het probleem dan niet genegeerd?

Hasan Ashraf: ‘Dat is de grote contradictie: de bedenkers van de maatregelen redeneren dat verbeterde veiligheid ook betere werkomstandigheden omvat. Ze zien het helemaal verkeerd. Een grote hinderpaal is dat de slechte omstandigheden aanzien worden als inherent aan onze Bengalese cultuur, terwijl misbruiken in de textielindustrie overal ter wereld schering en inslag zijn.’

 

 

‘Ze hebben niets anders dan kleren’

‘Het probleem in productielanden is dat managers van de fabrieken vaak ook in het parlement zetelen.’

‘Dat bedrijven na Rana Plaza de veiligheidsproblematiek als excuus gebruikten om weg te trekken uit Bangladesh – of dreigden dat te doen – vind ik hypocriet. Vaak hadden ze hun eigen agenda. Ze weten op voorhand dat veiligheid een pijnpunt is in de lageloonlanden waar zij produceren, want zij dragen ertoe bij.

Aan de prijs die zij de fabrikanten aanbieden, is het niet mogelijk om degelijke omstandigheden te creëren. Maar een boycot is het laatste wat bedrijven mogen doen – consumenten evenmin. Dat zou leiden tot veel ontslagen.’

 

 

‘Ik zeg niet dat de politiek in Bangladesh helemaal niets te verwijten valt. Vaak zijn grote namen in de industrie ook politiek actief. Maar de verantwoordelijkheid zou op zijn minst gedeeld moeten worden. Het is aan de West-Europese en Noord-Amerikaanse overheden om op te treden tegen de merken, in plaats van enkel de Bengalese overheid op de vingers te tikken. Politieke druk moet van twee kanten komen. De schuld puur in de schoenen van Bangladesh schuiven, is gemakkelijk. Op het vlak van lonen en op het vlak van veiligheid.’

Veiligheidscontroles

Merken vragen soms wel audits aan om de veiligheid te controleren, maar dat levert vaak niets op. Hoe verklaar je dat?

Hasan Ashraf: ‘Die controles worden aangekondigd. Fabrieksbazen spelen daar op in. Ongelijk kun je hen niet geven: het moment waarop een controleur in het Westen een school komt inspecteren, is dat ook een uitzonderlijke omstandigheid en zal men ook maken dat alles piekfijn in orde is. De bedrijven die de audits uitvoeren, zouden eigenlijk de manier waarop moeten heruitvinden. Onvoorziene veiligheidscontroles zouden veel effectiever zijn.’

‘Daarin zouden ook de arbeidsomstandigheden moeten bekeken worden. Op kwaliteit en snelheid controleren de grote merken alvast regelmatig. Ze willen weten wanneer hun kledij exact zal geleverd worden. Het is dus heel tegenstrijdig dat sommige kledingmerken beweren dat ze niet weten waar hun kledij vandaan komt. Ze zeggen dat maar om hun verantwoordelijkheid te ontlopen.’

 

 

Gebroken mensenlevens oplappen

‘Altruïsme is niet de norm in de textielindustrie.’

Het Akkoord en de Alliantie zijn niet de enige directe gevolgen van de ramp. De Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) is een fonds opgestart, het Rana Plaza Compensatiefonds, waarmee merken de slachtoffers kunnen vergoeden. Het oorspronkelijke bedrag dat de VN-organisatie eiste, 37 miljoen euro, is intussen verlaagd naar 28 miljoen euro. Is dat genoeg?

Hasan Ashraf: ‘Dat is bijlange niet voldoende om gebroken mensenlevens opnieuw op te lappen. Het fonds wordt gezien als liefdadigheid. Dat is uiterst problematisch, want zo krijgen merken niet het gevoel dat ze gestraft worden. Integendeel, ze doneren, dus ze zijn goed bezig – zogezegd. Maar als je het bedrag vergelijkt met de winstmarges die bedrijven nemen, is 28 of zelfs 37 miljoen euro lachwekkend.’

Tot op heden is er nog steeds meer dan acht miljoen euro tekort van de totale som. Veel merken ontkennen hun betrokkenheid bij de ramp en willen niet betalen. Hoe komt dat?

Hasan Ashraf: ‘De bedrijven willen niet gelinkt worden aan de ramp, dat is slecht voor hun imago. Om de merken tot actie te dwingen, moesten wij hen bij naam noemen en door het slijk halen. Altruïsme is nu eenmaal niet de norm in de textielindustrie.’

 

 

Lage loonkosten

Ondertussen is ook het minimumloon verhoogd van 3000 taka (36 euro) tot 5300 taka (63 euro). Houden fabrieken zich aan dat bedrag?

Hasan Ahsraf: ‘Aan het begin waren er wat problemen met de implementatie. Vooral onderaannemers waren niet echt happig om de verandering te aanvaarden. Er hing dus wel spanning in de lucht. Zelfs de grote werkgeverskoepel, de Bangladesh Garment Manufacturers and Exporters Association (BGMEA), geeft dat toe. Momenteel is het debat wat gaan liggen. Ik geloof in elk geval in de degelijkheid van de fabrieken. Wat wel een probleem vormt, is dat zo’n verhoging van het minimumloon steevast gepaard gaat met meer intensieve productie.’

© Hasan Ashraf

Arbeiders aan de fabriekspoort. Ze mogen weg wanneer het nog licht is. De deadline voor levering ligt nog veraf.

‘De reden waarom veel merken Bangladesh opzoeken, heeft te maken met die lage loonkosten. Als de kosten stijgen, probeert de industrie dat recht te trekken door de productie te maximaliseren, wat nog langere uurroosters en andere vormen van misbruik in de hand werkt. En wie is dan de dupe van al de protesten die internationale middenveldorganisaties voeren? Juist ja: niet de merken, maar de arbeiders.’

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Sarah Vandoorne is freelance journalist, hispanoloog, Latijns-Amerika aficionada en – voor zover die term steek houdt – een rasechte Belgisch Britse Bengalees.