Dossier: 

Aftellen naar het Parijs-akkoord

Vrijdag een “historisch” nationaal klimaatakkoord, zaterdag een ontwerptekst voor het Parijs-akkoord en zondag een klimaatmars in Oostende. De druk om tot een stevig nieuw klimaatakkoord te komen tegen eind van de week, neemt toe en falen is niet langer een optie. Maar zal het ook lukken? Er zijn nog heel wat obstakels weg te werken op het parcours van komende week. 

  • © Wiepke Boogaerts © Wiepke Boogaerts
  • © Wiepke Boogaerts © Wiepke Boogaerts

Na een week vergaderen, ligt er een ontwerptekst voor het “akkoord van Parijs” op tafel. Er valt een zeker optimisme te ontwaren, maar toch zullen nog veel diplomatie en engagement nodig zijn om concepten uit te klaren, beloftes waar te maken en de opdracht tot een goed einde te brengen.

Het huiswerk voor de ministers

De tekst die nu voorligt, telt 48 pagina’s en is een lichte inkorting van de werktekst waarmee de onderhandelingen vorige maandag van start gingen. Vanaf vandaag, maandag, worden de milieuministers in Parijs verwacht om de bottlenecks op te lossen.

Die draaien rond de financiering, het optrekken van de ambities en het bindende karakter van het akkoord. Europees Commissaris voor Klimaat Miguel Angel Arias Cañete reageerde echter nuchter op de oefening van de voorbije week: ‘alle moeilijke politieke knopen moeten nog doorgehakt worden’, vindt Arias. De ministers zullen dus daadkracht moeten tonen.

2°C of 1,5°C?

184 landen hebben een klimaatplan ingediend, goed voor 95 procent van de emissies. Zelfs landen als Congo, Irak of Haïti dienden plannen in. Als al die intentieverklaringen worden uitgevoerd, is dit nog onvoldoende om de opwarming binnen de gevaarlijke grens van 2°C te houden, de engagementen moeten dus opgetrokken worden. Hoe men die ambities gaan opschalen tegen 2020, wanneer het akkoord in werking treedt, is nog een lastige vraag. Bijvoorbeeld door jaarlijks op de klimaatconferentie de lat hoger te leggen. Maar voor de groeilanden en de ontwikkelingslanden hangt dit af van toegang tot technologie en tot financiële ondersteuning.

Een ander struikelblok is de vraag: gaan we voor 2°C of gaan we voor 1,5°C? Voor de kleine eilandstaten is 2°C opwarming al een bedreiging van hun voortbestaan. Maar dan moeten de ambities nog hoger.

De consequentie van de 1,5°C doelstelling betekent nagenoeg tegen 2050 koolstofneutraal zijn, en dus een uitdoofbeleid voor de fossiele brandstoffen tegen half deze eeuw. Heel wat groeilanden, met India op kop, hebben nog heel wat steenkool die ze willen benutten. Een akkoord dat gewag maakt van het uitdoven van fossiele brandstoffen voor alle landen tegen eind deze eeuw, ziet India al niet zitten, of er moet heel wat tegenover staan.

Met de huidige klimaatplannen, is het beschikbare koolstofbudget voor 75 % opgebruikt tegen 2030.

India speelt het hard. Als we 2°C stellen, dat is met de intenties die er op tafel liggen, het koolstofbudget dat de wereld nog rest, voor 75 procent opgebruikt in 2030. ‘Daartegen gaat India en een heel aantal Afrikaanse landen nog lang niet ontwikkeld zijn. Hoe kunnen we het resterende bedrag eerlijk verdelen en hoe kunnen de engagementen van de rijke landen scherper gesteld worden, zodat er meer “koolstofbudget” overblijft voor de arme landen?’ vraagt Sunita Narain, directrice van het Indische Center for Science and Environment zich af. Het Parijs-akkoord moet het concept van “equity”, klimaatrechtvaardigheid, operationaliseren. Anders komen we terecht in klimaatapartheid, vindt Narain.

Minstens 100 miljard

Ook voor de financiering moet er nog wat uitgeklaard worden. De rijke landen beloofden tegen 2020 jaarlijks 100 miljard dollar klimaatgeld vrij te maken, zowel overheidsgeld als privégeld. De ontwikkelingslanden willen dat een derde ervan (32 miljard) naar adaptatie gaat, nu is afgesproken dat dit 16 miljard dollar.
De ontwikkelingslanden willen ook dat het gaat over “minstens” 100 miljard terwijl de rijke landen vinden dat niet alleen zij voor al die kosten moeten opdraaien.
In de praktijk zijn er inmiddels heel wat Zuid-Zuidinitiatieven voor klimaat. Zo pakte China begin november uit met een klimaatfonds van 5,1 miljard dollar om ontwikkelingslanden te ondersteunen met klimaatgeld.

De projecten in dat fonds zijn vooral op Afrika gericht maar ook Ecuador hoopt van die pot te kunnen profiteren.

Differentiatie

De kern van het Parijs-akkoord is dat álle landen inspanningen leveren. Dat die bereidheid er is, blijkt ook uit de klimaatplannen die zijn ingediend.

Vorig jaar in Lima zorgde echter de groep van de Like Minded Developping Countries (25 landen, gaande van Argentinië, Cuba en Nicaragua over Iran en Syrië, tot Saoudi-Arabië en Vietnam) voor heel wat controverse, en dit lijkt opnieuw het geval. Voor hen draait heel de discussie rond differentiatie. De wereld is sinds 1992 (toen de klimaatconventie in het leven werd geroepen) niet veranderd en het verschil tussen ontwikkelingslanden en industrielanden geldt nog steeds’, klinkt het vanuit een van de onderhandelingsgroep.
In Lima slaagde deze groep er alleszins in om het engagement voor de nationale klimaatplannen sterk naar beneden te halen.

Venezuela en Nicaragua hebben zelfs geen nationaal klimaatplan (INDC) ingediend.

Wij willen ontwikkelen, terwijl jullie het koolstofbudget hebben opgebruikt. Twee landen uit die groep, Venezuela en Nicaragua, hebben zelfs geen nationaal klimaatplan (INDC) ingediend, omdat ze “niet geloven in dit mechanisme”. Ze stellen dat het de wereld toch niet behoedt voor de 2°C grens,maar ons voert naar 5°C of 4°C. De onderhandelaar voor Nicaragua, Paul Oquist, stelt dat er een mechanisme moet komen dat waakt over de rechtvaardige verdeling.

 

Fabius-Diplomatie

Het akkoord is dus zeker nog niet binnen, er moeten nog heel wat hordes genomen worden.

Gisteren, zondag, heeft de Franse minister van Buitenlandse Zaken en COP21-voorzitter Laurent Fabius zijn team van 14 facilitatoren bekend gemaakt, die moeten bemiddelen om knopen door te hakken. Zo is bijvoorbeeld de Braziliaanse minister van Milieu, Izabella Texeira, samen met Viviam Balakrishnan, minister van Buitenlandse Zaken van Singapore,verantwoordelijk voor het delicate thema van differentiatie. Een andere werkgroep buigt zich over de implementatiemechanismen: financiering, technologieoverdracht en capaciteitsopbouw. Een ander duo (Noorwegen en Santa Lucia) moet de meningsverschillen over hoe het ambitieniveau optrekken, vooruit helpen. Ook de milieuministers van Canada, Ecuador en de Verenigde Arabische Emiraten, krijgen een bemiddelingsopdracht.

Hopelijk kan al die diplomatie dan tegen donderdag uitmonden in een nieuwe tekst.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Latijns-Amerika & ecologie
    Alma De Walsche schrijft over ecologische thema’s, van klimaat- en energiebeleid, over landbouw- en voedsel tot transitie-initiatieven en baanbrekers. Ze volgt al enkele decennia Latijns-Amerika, met een speciale focus op de Andeslanden.