Waakhond geheime diensten is tevreden over inlichtingenwerk in Afghanistan

Interview met voorzitter Guy Rapaille van het Comité I

Het Comité I, dat in opdracht van het parlement de Belgische geheime diensten controleert, voerde een onderzoek naar de Afghanistan-activiteiten van de militaire inlichtingendienst ADIV. ‘Tussen 1994 – het drama in Rwanda – en vandaag is zeer belangrijke vooruitgang geboekt’, zegt voorzitter Guy Rapaille. ‘Niet alles is perfect, maar de ADIV heeft duidelijk rekening gehouden met de aanbevelingen van de Rwanda-commissie.’

Belgische militairen op missie in het buitenland moeten ‘steeds over een degelijk eigen inlichtingennet beschikken’. Zo staat het letterlijk in de aanbevelingen van de parlementaire Rwandacommissie uit 1997. Is dat ernstig opgevolgd? MO* vroeg het aan Guy Rapaille, voorzitter van het Comité I, en Wouter De Ridder, griffier.

 

De ADIV is de enige Belgische inlichtingendienst die in het buitenland activiteiten mag ontplooien. Hebben jullie, de parlementaire waakhond, een goed zicht op hun activiteiten buiten de landsgrenzen?

Rapaille: Toegegeven, wij hebben géén totaalzicht op alles wat ze gedaan hebben. We hebben tot nu toe slechts één buitenlandse operatie ter plekke en in detail onderzocht: Afghanistan. We kunnen dus enkel vertellen over wat we daar gezien en vastgesteld hebben. Het verslag van ons Afghanistan-onderzoek is midden maart goedgekeurd door onze begeleidingscommissie. Binnenkort gaan we het op onze website publiceren.

De Ridder: De enige andere buitenlandse operatie van de ADIV die ooit door het Comité I onderzocht is, was net de inzet in Rwanda in 1994. Dat onderzoek dateert van ruim vijftien jaar geleden. Het beeld dat daarvan is bijgebleven, is dat de missie van Belgische militairen toen werd ingeschat als een low risk operatie, die dan toch anders is uitgedraaid. Er was bovendien een confuus mandaat. Allemaal factoren die mee aanleiding hebben gegeven tot drama’s. Die situatie is intussen fundamenteel veranderd.

© Kristof Clerix

Guy Rapaille en Wouter De Ridder van het Comité I.

De theorie en de praktijk

Wat is precies de opdracht van de ADIV in het buitenland?

De Ridder: Die is zeer duidelijk: zij moet de inlichtingen leveren die force protection van Belgische troepen mogelijk maken. Dat gebeurt zowel vanuit België als ter plekke. De ADIV kan haar medewerkers op verkenning sturen, ofwel tijdelijk of permanent naar het strijdtoneel uitzenden. Dat moet trouwens niet per se hetzelfde land zijn als waar de Belgische militairen ontplooid zijn. Naast die force protection hebben ze nog een bijkomende opdracht: strategische inlichtingen inwinnen voor onze politieke en militaire bevelhebbers hier.

Hoe is jullie Afghanistan-onderzoek precies verlopen?

Rapaille: In oktober 2012 ben ik met vier medewerkers naar Afghanistan gereisd om ter plekke vaststellingen te doen.

De Ridder: We hebben het goed voorbereid. Om te beginnen hebben we een juridische studie gemaakt. We wilden eerst precies nagaan wat de ADIV-inlichtingenofficieren in Afghanistan wel en niet mogen doen volgens de wet. Vervolgens hebben we die theorie afgetoetst aan de praktijk. Een belangrijk deel was dus de voorbereiding, de juridische analyse.

Rapaille: Daarvoor moesten we heel wat wetten en regels in beschouwing nemen: Belgische wetgeving maar ook internationale normen – bijvoorbeeld de regels van de ISAF-operatie, die trouwens verschillen van de regels van de Amerikaanse operatie Enduring Freedom. Verder is ook nog het internationaal recht van de gewapende conflicten van tel. We hebben goed proberen begrijpen – en dat was niet evident – wie vanuit militair standpunt naar Afghanistan werd gestuurd, en wie vanuit ADIV-standpunt. Wat waren de precieze missie-orders die ze hadden meegekregen? Een zeer complexe analyse want het is een echt doolhof van normen.

‘De Belgische militaire inlichtingendienst voert geen sabotage of destructieve acties uit.’

Als het allemaal zo moeilijk is, geraken de ADIV-inlichtingenofficieren er zelf dan nog wel wijs uit?

Rapaille: Het is de facto niet zo evident voor het personeel dat ter plaatse gaat om te weten waar hun limieten liggen. Daarom is onze aanbeveling om al die normen en wetten in een soort codex te gieten, waarin dan snel dingen kunnen worden teruggevonden. Als je alle relevante info integreert in één coherente tekst, gaat dat makkelijker.

Geef eens een voorbeeld: wat mag een inlichtingenofficier van ADIV wél of niet in het buitenland?

Rapaille: Alles hangt af van de missie. Sowieso moeten alle militairen de internationale conventies van het recht van de gewapende conflicten respecteren. Dat is evident. Afhankelijk van de missie mogen ze dan bepaalde dingen wel of niet.

Martelen mag uiteraard niet. Maar mag de ADIV werken met informatie van bevriende diensten die verkregen is door marteling?

Rapaille: Dat is een zeer complex probleem, dat echter weinig te maken heeft met de vraag of we mensen ter plaatse hebben of niet. Of de ADIV die info zou krijgen in Brussel of in Kaboel, het gaat om dezelfde principiële vraagstelling.

In Afghanistan verlopen de contacten met inlichtingenofficieren van bevriende landen natuurlijk wel directer.

De Ridder: Vanuit films of bestaande praktijken van andere landen heeft men soms een verkeerd idee van wat onze militaire inlichtingendienst eigenlijk doet. Offensieve militaire inlichtingenoperaties zoals die gebeuren door andere landen vallen niet binnen het bevoegdheidspakket van de ADIV. Zij gaat geen sabotageacties of destructieve acties uitvoeren.

‘Kaboel is Brussel niet’

Hoeveel ADIV-inlichtingenofficieren zijn aan de slag in Afghanistan?

De Ridder: Dat fluctueert in functie van de omstandigheden. Bij de verkenning van een nieuwe opdracht en bij de ontplooiing van nieuwe troepen wordt doorgaans meer capaciteit ingezet.

Rapaille: De Belgen zijn in Afghanistan actief sinds 2002 –en vandaag nog steeds. Op die twaalf jaar zijn de dingen veranderd. Je kan dus niet zeggen: zoveel waren het er. Je moet de verschillende missies bekijken en het verschil maken tussen permanente en tijdelijke aanwezigheid van ADIV-personeel.

De Ridder: Het is ook niet aan ons om daar precieze cijfers over vrij te geven. Bovendien moet je weten dat er vanuit verschillende inlichtingendisciplines personeel wordt uitgestuurd. Sommigen doen inlichtingenoperaties, anderen contraspionage, en ga zo maar door.

© Gie Goris

Belgische militairen in Afghanistan: géén strandvakantie.

Waren er in Afghanistan echt dreigingen tegen de Belgische troepen die de ADIV heeft voorkomen?

De Ridder: Per definitie. Een dreiging kan zeer algemeen of zeer concreet zijn.

Rapaille: Je in Kaboel verplaatsen is nog iets anders dan je in Brussel centrum verplaatsen. De straat op trekken kan in Kaboel al een dreiging inhouden. Het is gevaarlijk.

Stroomt de informatie goed door wanneer de ADIV zo een dreiging vaststelt?

De Ridder: We hebben die informatiefluxen ontleed. Het is een zeer complex systeem. Het gaat niet enkel om infostromen van Afghanistan richting België maar ook van Afghanistan naar plaatselijke bevelhebbers – Belgische en andere – en naar internationale platformen van gegevensuitwisseling van de ISAF-troepen.

‘Afluisteren gebeurt niet zo vaak als gedacht.’

Is jullie vaststelling dat de info-flux optimaal verloopt?

Rapaille: Optimaal is misschien wat veel gezegd. Maar het loopt goed. Perfect is het nooit. We hebben vastgesteld dat het goed functioneert.

Trekt het ADIV-personeel in Afghanistan genoeg de straat op? Hebben ze voldoende voeling met wat er leeft? Of zitten ze de hele dag achter hun bureautje?

De Ridder: Het is niet of-of. Een inlichtingendienst die mee is met haar tijd gebruikt in de verschillende disciplines de middelen die zij mag en kan aanwenden: internationale gegevensuitwisseling, eigen contacten met bronnen op het terrein, infovergaring via technische middelen –ter plaatse of vanuit elders. Zij spreken al hun instrumenten aan om informatie te krijgen. Dat is dan de collecte van de informatie; daarnaast is er nog het analysewerk.

‘Vergelijk de ADIV niet met de NSA’

Wat die collecte betreft: de ADIV mag vanuit het buitenland communicatie aftappen, aldus de wet van 1998. Wat kan u daarover kwijt?

De Ridder: Taps zijn maar één interceptiemogelijkheid. Vergeet ook metadata niet.

Rapaille: Afluisteren gebeurt niet zo vaak als gedacht. Wat belangrijk is om te weten, is wie met wie contact opneemt, op welk moment, hoe vaak, voor of na welke gebeurtenis? Dat is belangrijk, en dat zijn de metadata. Voor echt real time afluisteren heb je al een tolk nodig. Een vertaling die een maand later komt, daar ben je meestal niets mee. En bovendien: als je informatie te verbergen hebt, dan ga je het daarover niet hebben aan de telefoon.

Sinds de onthullingen van Edward Snowden weet ook het grote publiek wat metadata zijn. Voor de ADIV zijn die dus ook van belang?

De Ridder: De ADIV gebruikt de instrumenten die zij tot haar beschikking heeft binnen het wettelijke kader. Het mandaat op dat vlak is relatief ruim. Ze gebruiken die tools, ook in functie van de capaciteiten. De ADIV heeft in de verste verte niet de capaciteiten van een NSA.

Rapaille: Laten we die twee niet vergelijken aub.

Minister van Defensie De Crem zei in De Kamer dat de ADIV géén bevoorrecht partnerschap heeft met de NSA. Houdt zo’n uitspraak wel stand, gelet op multilaterale samenwerking – ook met de Amerikanen – tijdens buitenlandse missies?

De Ridder: De samenwerking tussen de ADIV en buitenlandse partners is zeer fluctuerend. Als het gros van de Belgische troepen op een bepaalde plaats aanwezig is en een ander land daar de leiding heeft – zoals de Duitsers in Kunduz – dan zijn dat de geprivilieerde partners. Het is niet noodzakelijk zo dat altijd de Amerikanen de grote patron zijn.

© Kristof Clerix

Guy Rapaille: ‘We zijn voor een zo groot mogelijke transparantie.’

‘Geen schrijnende toestanden’

Heeft de ADIV voldoende capaciteiten om haar opdracht naar behoren uit te voeren?

De Ridder: We hebben bestudeerd of haar materialen adequaat zijn: behuizing, communicatie, bewapening, vervoer, interceptiecapaciteit, enzovoort. Dat zit over het algemeen goed – we hebben geen schrijnende toestanden gezien – maar het kan nog beter.  

Rapaille: Als we vertrekken van de aanbevelingen van de Rwanda-commissie, en we kijken naar wat er intussen is verwezenlijkt, dan is er duidelijk een verbetering. De mensen die ter plekke gaan worden op voorhand voorbereid, ze krijgen vorming, terreinkennis, informatie over de mentaliteit, leren de taal… het kan natuurlijk altijd beter maar perfectie is niet van deze wereld.

België heeft duidelijk lessen getrokken uit het drama in Rwanda 20 jaar geleden. 

De Ridder: Mandaat, voorbereiding, inlichtingen- en analysecapaciteit, gespecialiseerde equippes en technische middelen… als we de categorieën overlopen die de Rwanda-commissie aanstipte, dan is het verschil op al die punten groot in vergelijking met de situatie in Rwanda destijds. 

Rapaille: Tussen 1994 – het drama in Rwanda – en vandaag is zeer belangrijke vooruitgang geboekt. Niet alles is perfect, maar de ADIV heeft duidelijk rekening gehouden met de aanbevelingen van de Rwanda-commissie, en dat binnen de middelen waarover België beschikt.

Wanneer de ADIV haar personeel ter plekke stuurt, kondigt ze dat niet altijd aan bij de overheden van het gastland. Mag dat wel?

De Ridder: We hebben de wettigheid van de activiteiten van de ADIV onderzocht naar Belgisch en naar internationaal recht, en wij hebben geen onrechtmatigheden vastgesteld.

Zet de ADIV ook drones in voor inlichtingenwerk?

De Ridder: De ADIV zelf heeft geen drones. Defensie wel.

Rapaille: En dat zijn zeker geen offensieve drones.

En de F16’s in Afghanistan, hoe belangrijk zijn die voor inlichtingenvergaring?

De Ridder: De intel-capaciteit van bepaalde collectetools zoals de F16’s dienen niet enkel voor ADIV. Ze dienen ook rechtstreeks voor de bevelhebbers van de F16’s. Bijvoorbeeld om te controleren welke impact hun acties hebben gehad. Zo’n tool is multi-disciplinair. Het is zeker niet enkel ADIV die afnemer of opdrachtgever is van bepaalde taken van die F16’s.

Gezien de volgende regering zich moet uitspreken over de opvolger van de F16’s: moest de ADIV aan de slag gaan zonder die input van eigen Belgische F16’s, had de ADIV dan een probleem?

De Ridder: Het is niet aan ons om te oordelen of die toestellen er moeten zijn, dan wel welk type zou nodig zijn. Of het per se Belgische toestellen moeten zijn, of dat die capaciteit gevraagd moet worden aan andere landen. Er zijn zoveel mogelijkheden en in bepaalde gevallen alternatieven. Maar dat zijn zeer technische dossiers. Wij doen daar geen uitspraak over.

Wel kunnen we in zeer algemene termen stellen: als men vraagt aan een inlichtingendienst analyses op strategisch vlak te maken voor onze politieke en militaire bevelhebbers alsook analyses in het kader van force protection, geef die mensen dan de middelen, het personeel, de technologie en het budget om die opdracht uit te kunnen voeren. Maar natuurlijk moet je ergens grenzen trekken.

Asielzoekers nuttig als informant of tolk

In het boek Geheimer Krieg beschrijven de Duitse journalisten Christian Fuchs en John Goetz hoe de aanwezigheid van asielzoekers in Duitsland een belangrijke bron van informatie vormt voor de Duitse inlichtingendiensten. Geldt dat ook voor de ADIV inzake het ondersteunen van Belgische militaire operaties in het buitenland?

De Ridder: We mogen niet uitsluiten dat dat in sommige omstandigheden van enig nut kan zijn. Maar het is zeker niet zo dat de ADIV of de Staatsveiligheid actief op migrantenstromen of asielzoekers focussen voor doeleinden van inlichtingenwerk. Dat beeld klopt niet.

Duitsland had daarvoor zelfs een heuse frontorganisatie opgericht. Zoiets doen de Belgen niet?

Rapaille: Met de middelen die ze heeft, haalt de ADIV overal informatie waar die te vinden is. Dat kan hier zijn of in het buitenland. Asielzoekers? Dat kan. Maar dat gebeurt zeker niet via gespecialiseerde bureaus zoals u die beschrijft in dat Duitse voorbeeld.

De Ridder: Het kan gebeuren dat mensen van buitenlandse origine, afkomstig van regio’s waar Belgische militairen actief zijn, nuttig blijken. Niet noodzakelijk als informant, maar eerder nog bijvoorbeeld als tolk.

Grenzen aan transparantie

De MIVD – de Nederlandse zusterdienst van de ADIV – schrijft in haar publieke jaarverslag over haar activiteiten in het buitenland. Akkoord dat Nederland op dat vlak veel opener is dan België?

‘Je moet de risico’s niet gaat vergroten als dat niet nodig is.’ 

De Ridder: Dat is zo. Toen wij met ons Afghanistan-onderzoek begonnen, werd dat vanuit sommige hoeken zeer kritisch benaderd. Alsof daardoor de opdracht van de ADIV op zich in gevaar zou komen. Het ligt dus gevoelig. En voor een stuk terecht. Zeker als de activiteiten van de ADIV verkeerd zouden worden voorgesteld, als waren ze “spionnen die allerlei dingen doen die niet behoorlijk zijn”. Dat zou inderdaad misschien een sfeertje creëren dat het gevaar en de risico’s verhoogt. Anderzijds vinden wij dat het de evidentie zelve is dat wij nagaan of de ADIV de aanbevelingen van de Rwanda-commissie wel au serieux neemt.

Maar concreet: vindt het Comité I dat de ADIV ook zo’n publiek jaarverslag zou moeten publiceren?

Rapaille: Een zekere openheid is altijd te verkiezen, maar het is niet onze taak om het communicatiebeleid van onze inlichtingendiensten te beoordelen. Dat staat niet in ons mandaat.

De Ridder: Ik weet niet of België op dat vlak de enige uitzondering is. Alsof alle andere NAVO-lidstaten transparanter zouden zijn. Kijk, de ADIV heeft daar een eigen beleid rond, en dat kan wijzigen in functie van de bevelhebbers van de dienst. Wij zijn inderdaad in beginsel voor een zo groot mogelijke transparantie, maar dat mag niet het omgekeerd effect met zich meebrengen dat het de risico’s verhoogt voor het ADIV-personeel ter plekke.

Doet een jaarverslag dat dan, de risico’s verhogen?

Rapaille: Probleem is altijd dat bepaalde titels reacties kunnen uitlokken. Als je spreekt over “onze spionnen in Afghanistan”, dan kan dat leiden tot een slecht begrip van hun activiteiten. Het is dus van groot belang om de juiste terminologie te gebruiken.

De Ridder: Je mag niet vergeten dat de ADIV actief is in een gebied waar een deel van de bevolking fel gekant is tegen de aanwezigheid van westerse troepen. Je moet de risico’s ook niet gaan vergroten als dat niet nodig is.

Bedankt voor het interview. 

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3093   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur