Belgische hulp: ‘minder partnerlanden, meer impact’

In Brussel maakte minister van Ontwikkelingssamenwerking Alexander De Croo (Open Vld) donderdag de definitieve lijst bekend van partnerlanden die de komende jaren op onze bilaterale hulp kunnen rekenen. Dat is ontwikkelingshulp die onze overheid aan andere landen geeft of in projecten stopt die door het ontwikkelingsagentschap BTC worden uitgevoerd.

  • © Reuters/Laurent Dubrule Alexander De Croo over Burundi: 'Je kan wel werken aan capacity building, maar het zijn nog altijd de lokale politici en de bevolking die het moeten doen.' © Reuters/Laurent Dubrule
  • European Commission DG ECHO (CC BY-ND 2.0) 'In Guinee willen we de heropbouw ondersteunen, en met name de uitbouw van een efficiënt gezondheidssysteem, zodat de inspanningen tijdens de uitbraak van het Ebola-virus, niet teniet gedaan worden.' European Commission DG ECHO (CC BY-ND 2.0)
  • European Commission DG ECHO (CC BY-SA 2.0) 'Burundi blijft een partnerland omdat onze betrachting altijd geweest is om het lot van de bevolking te verbeteren.' European Commission DG ECHO (CC BY-SA 2.0)

Het zijn er 14 geworden, tegenover de huidige 18. In Noord- en West-Afrika zijn dat Benin, Burkina Faso, Guinee, Mali, Marokko, Niger en Senegal. In de regio van de Grote Meren of Midden-Afrika zijn dat Burundi, DRCongo, Mozambique, Oeganda, Rwanda en Tanzania. In het Midden-Oosten blijft Palestina een parnterland.

Er zijn dus twee nieuwelingen: Guinee en Burkina Faso.  Minister De Croo lichtte zijn selectie toe tijdens een persconferentie in Brussel. Om zijn uitgebreide toelichting leesbaar te maken, zetten we er gemakshalve de passende vragen boven.

‘We willen minder doen, maar beter.’

Welke selectiecriteria zijn gehanteerd bij de keuze van de (nieuwe) partnerlanden?

Alexander De Croo:  Het niveau van armoede speelde een rol. Het gaat behalve Marokko en Palestina,  allemaal om landen met een HDI lager dan 150.

Maar ook het comparatief voordeel van de Belgische ontwikkelingssamenwerking en het relatief belang van onze ontwikkelingssamenwerking in het geheel speelde mee, net als de regio’s waar we expertise hebben. We gaan voor minder landen en meer impact. We willen minder doen, maar beter.

U kwam uit bij 14 partnerlanden?

Alexander De Croo:  We zijn eerst van 18 naar 12 gegaan en dan zijn er 2 nieuwe partnerlanden aan toegevoegd. We hebben onze keuzes op twee assen gemaakt. We gaan voluit voor de Minst Ontwikkelde Landen (MOL). In Sub-Sahara Afrika daalde de officiële ontwikkelingshulp of ODA vorig jaar met 5 %.

Wij gaan in tegen die trend. Van de 14 partnerlanden zijn er 11 die voldoen aan de criteria van MOL. Alleen Palestina, Marokko en Senegal zijn middeninkomenslanden.  Dan is er ook nog een geografische concentratie: Noord- en West-Afrika en de regio van de Grote Meren. Palestina blijft natuurlijk een partnerland. Daarvoor hebben we een aantal politieke en humanitaire redenen.

European Commission DG ECHO (CC BY-ND 2.0)

‘In Guinee willen we de heropbouw ondersteunen, en met name de uitbouw van een efficiënt gezondheidssysteem, zodat de inspanningen tijdens de uitbraak van het Ebola-virus, niet teniet gedaan worden.’

Wie zijn de nieuwelingen?

Alexander De Croo: Burkina Faso is in het verleden al een partnerland geweest en we hebben er tot in 2010 projecten uitgevoerd. Wij willen het democratiseringsproces dat daar plaats heeft gehad, ondersteunen. In Guinee willen we de heropbouw ondersteunen, en met name de uitbouw van een efficiënt gezondheidssysteem, zodat de inspanningen tijdens de uitbraak van het Ebola-virus, niet teniet gedaan worden.

Waarom Guinee? Het is een aid orphan en krijgt minder internationale steun dan Liberia en Sierre Leone.

‘Voor 2015-2016 blijft het budget hetzelfde als vorig jaar, maar daarna zal het totale budget voor ontwikkelingssamenwerking krimpen.’

U wil meer doen in minder landen. Stijgt dan ook het budget?

Alexander De Croo: Voor 2015-2016 blijft het budget hetzelfde als vorig jaar, maar daarna zal het totale budget voor ontwikkelingssamenwerking – dus ook voor humanitaire organisaties, ngo’s, en onze bijdrage aan multilaterale organisaties – krimpen.

Krijgen de exit-landen niets meer?

Alexander De Croo: Bolivia, Ecuador, Peru, Vietnam, Algerije en Zuid-Afrika zijn geen partnerlanden meer en voor hen is er een exitprogramma voorzien. Wat ngo’s in die landen doen, blijft natuurlijk ook erg belangrijk. Onze wens is vast en zeker dat zij op korte en middellange termijn hun werk daar voortzetten.

U pleit voor een geïntegreerde aanpak. Niet-gouvernementele organisaties zijn bang geïnstrumentaliseerd te worden.

Alexander De Croo: Wij gaan voor een beleid waarin het initiatiefrecht van de middenveldorganisaties en ngo’s behouden blijft. Het is bijvoorbeeld niet mijn bedoeling om ngo’s altijd te laten intekenen op een call for proposal, waarbij zij moeten deelnemen aan een aanbesteding om een project uit te voeren. Nederland heeft daar een standaard van gemaakt. Van instrumentalisering kan bij ons geen sprake zijn. Wel willen wij de complementariteit beter uitspelen.

U zegt te focussen op fragiele staten, maar gebruikt in uw selectie criteria voor ontwikkeling. Minst ontwikkeld land en fragiele staat zijn toch geen synoniemen?

Alexander De Croo: Neen, dat klopt. Fragiele staat was op zich geen selectiecriterium, maar fragiliteit komt wel vaker voor in MOL’s. Van onze 14 partnerlanden zijn er liefst 8 die door de OESO als fragiele staten bestempeld worden.

Zullen uw hulpinspanningen vaker mislukken in fragiele staten?

Alexander De Croo: Als je de keuze maakt voor dit soort landen, moet je leren omgaan met interventies die niet altijd het resultaat geven dat je verlangt. Anderzijds kunnen we vandaag ook putten uit nieuwe gegevens, zoals conversationele data van sociale media.

Ja, we willen opportuniteiten aangrijpen in omgevingen die volatiel zijn, maar elke interventie die we doen, moet gebaseerd zijn op gegevens. En we hebben ook altijd gegevens nodig om de effecten van onze projecten te meten.

European Commission DG ECHO (CC BY-SA 2.0)

‘Burundi blijft een partnerland omdat onze betrachting altijd geweest is om het lot van de bevolking te verbeteren.’

Bewijst Burundi niet dat investeren in fragiele staten, waar België jarenlang actief was, sowieso riskant blijft?

Alexander De Croo: We zijn altijd een belangrijke partner geweest in Burundi, maar we waren niet de enige. Je kan wel werken aan capacity building, maar het zijn nog altijd de lokale politici en de bevolking die het moeten doen. Wij nemen geen land over. Dat is nooit onze bedoeling geweest.

‘Er staat nog een trein aan hervormingen klaar.’

Blijft Burundi een partnerland?

Alexander De Croo: Burundi blijft een partnerland omdat onze betrachting altijd geweest is om het lot van de bevolking te verbeteren. Mochten we in een situatie komen waarbij de huidige president voor een derde mandaat gaat, dan is de filosofie van de akkoorden van Arusha tenietgedaan en is de legitimiteit van zijn regering ernstig aangetast.

In dat geval kunnen wij niet langer rechtstreeks met de Burundese regering werken en zullen wij via andere wegen werken, zoals niet-gouvernementele en middenveldorganisaties.

Wat volgt er nu?

Alexander De Croo: Dit is maar de eerste stap in de heroriëntering van onze ontwikkelingssamenwerking. Er staat nog een trein aan hervormingen klaar.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur